Thomas van Aalten

De ideale man

21 november 2014 | Reacties 0

Goed, goed. Thierry Baudet kreeg (al dan niet terecht) de strontkar over zich heen vanwege zijn vermeend masculiene betoog waarin hij het opnam voor Julien Blanc. Nu vind ik Baudet al tijden een karikatuur (zie zijn lachwekkende met Arie Boomsma gedeelde liefde voor klassieke muziek, zijn mijmeringen over oikofobie en sowieso zijn permanente Leidse indoor-biotoop), maar wat zégt Baudet in zijn stuk nu eigenlijk waarom wij (en vooral vrouwen) zo steigeren? Een groot deel van zijn stuk is niet aanstootgevend. Het is slechts een klein deel, ik heb het even onderstreept.



Zelfvertrouwen of doortastendheid bij een man is iets anders dan dominantie; ik vind het trouwens minstens zo aantrekkelijk als een vrouw daarover beschikt. Initiatiefrijk is ook iets anders dan respectloos. Verrassen is iets anders dan overrompelen. Daadkracht is iets anders dan overmannen, en vooral iets anders dan met een alcoholasem aan de toog vragen of ze soms mee naar huis wil. Hier is mijn handleiding voor de man die in de smaak wenst te vallen bij leuke vrouwen.

  • U wilt een man zijn. Alles wat riekt naar cartoons, games, klimwanden, pretparken, voetbal en andere gein dient u te verbannen of in elk geval buiten het zicht van de toekomstige partner te houden. Houdt uw partner daar soms ook van? Dan valt ze meer op jongens en bent u samen kiddults. Niets aan de hand, veel succes met larpen, roleplaying en yahtzeeën.
  • Verdiep u in de (internationale) keuken. Kookt u écht niet als een heer, ken dan restaurants als een vorst en betaal als een keizer.
  • Luister naar uw (toekomstige) partner en onthoud altijd de hoofdzaken.
  • Bouw kennis over een niche op, zonder dat dit een nerdniche is. Bijvoorbeeld kennis op het gebied van wetenschap, kunst, cultuur, politiek, desnoods iets over handel en technologie of populaire cultuur. Kennis van sport en gitaren kunnen juist libidokillers zijn.
  • U wilt een man zijn, kleedt u dan ook als een man. Maar het moet wel bij u passen. Dus geen sjaaltjes omdat u dat zoveel op televisie ziet, of een polyester zweetpak. Maar alstublieft, kunnen t-shirts en blouses met quasiverweerde letters (met verwijzingen naar het leger, de marine of sport) naar de lommerd? Net als t-shirts van bandjes en/of festivals. Kunnen ook niet meer als u ouder dan 35 bent. Koop eens een ander overhemd dan die van de Hema.

    Wel goed om u mee te omringen: lederen foedralen voor sets van uiteenlopende pluimage (van messen tot manchetknopen tot scheergerei), fijne vulpennen en fraai vormgegeven boeken.

    Er is trouwens hoop voor iedereen! Op mijn 25e liep ik nog met kohlpotlood onder de ogen en een oorbel in de rechteroor om in tochtige kelders discorock te maken voor verdacht weinig vrouwen.
  • Liefde is een tijdverdrijf, men gebruikt daarvoor het onderlijf. Maar wat in elk geval niet werkt is je zin doordrijven. Iedere jongen maakte wel eens die fout. Kunt u ermee dealen dat zij er geen trek in heeft, dan bent u pas een echte man.
  • Vertrouw nooit cursussen en zelfhulpboeken of lijstjes zoals deze, behalve als ze door uw ideale vrouw zijn geschreven.
  • Uw ideale vrouw bestaat niet.
  • U bent ook geen ideale man.
  • Vertrouw dus uw gezond verstand. Dat scheelt u veel tijd en geld voor cursussen en zelfhulpboeken.

Dit wil je weten

20 november 2014 | Reacties 0

Bij Maven Publishing verscheen het boek Dit wil je weten, een boek met adviezen voor het dagelijks leven. 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars geven hun inzicht (Van Alexander Rinnooy Kan tot Laurentien van Oranje) en u raadt het reeds: ik was er een van.

Update: NRC.Next publiceerde vandaag een (ingekorte) versie:

 


Alle inzichten zijn dus ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Deze bijdrage vormt onderdeel van een virtueel museum van alle bijdragen; klik hier voor het volgende 'antwoord' en klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie.

Adviezen voor beginnende schrijvers

14 november 2014 | Reacties 0

Ik heb dit verhaal al vast heel vaak verteld, op verschillende manieren. Soms zal ik het hebben aangedikt en af en toe heb ik het afgezwakt. De ene keer schreeuwend in de drukte, de andere keer fluisterend in de coulissen, maar het komt hier op neer: als schrijver in Nederland moet u zich verre houden van het oordeel van andere schrijvers (dus ja, ook van mijn oordeel). U hebt genoeg mensen om u heen met een waardevol oordeel (familie, redacteur, goede recensenten), dat komt zelden van een collega-schrijver.

Twee weken geleden konden wij in De Volkskrant (Sir Edmund) een portret lezen van Joost de Vries, het type jongen waar je als doorsnee onbeholpen provinciale prutser bang van wordt. De potentiële Zomergast, de gevatte dandy, de betweter die het ook vaak écht beter weet – al weet je nooit precies waarom. Er zijn wel meer van dat soort goudhaantjes in het publieke domein. Rutger Bregman, Daan Roosegaarde – je knippert met de ogen en ze toveren de oplossing voor om het even welk wereldprobleem uit de hoge hoed. Of het allemaal klopt weet je niet, maar je durft er bijna niet aan te twijfelen.

Terug naar het door Haro Kraak geschreven portret van De Vries (1983), die naast zijn ambacht als schrijver en essayist ook neventaken heeft, zoals literair recensent van de Groene en jurylid van de AKO Literatuurprijs. Ik las het Volkskrant-interview meer met plezier dan met afgunst; een ambitieuze ziel met een mening, begin dertig. Volgens mij zei hij niet zoveel nieuws, overigens. De Vries prikkelde kennelijk zijn jeugdige collega’s met uitspraken als deze: ‘Als je literatuur belangrijk vindt, vind je het ook belangrijk om daar kritisch over na te denken. Ik heb net iets te vaak jonge schrijvers horen klagen dat recensenten allemaal oude mannen van boven de vijftig zijn. Meld je dan verdomme zelf als recensent! Als Maartje Wortel zich met een mooi stuk bij de Volkskrant meldt, is de Volkskrant echt wel geïnteresseerd. Als Philip Huff zich bij de Groene meldt, zijn wij echt wel geïnteresseerd. Jij bent het literaire debat! Maak er iets van. Als je geen zin hebt of bang bent kritisch te zijn, krijg je inderdaad een doodgeslagen debat. Als je niet stemt, mag je ook niet zeiken over de regering.'

En dus meldde schrijver Philip Huff (1984) zich een paar dagen later bij de opiniepagina van de Volkskrant met een, naar mijn bescheiden inzicht, omslachtige reeks rekensommen om aan te tonen dat recensenten maar ook uitgevers, redacteuren en literair journalisten (voor zover ze nog bestaan) in Nederland voornamelijk mannen zijn. Ze zijn vaak de vijftig gepasseerd. Waarna De Vries zich een paar dagen later wéér meldde met een opinie.

Lieve help, wat moeten we ermee, deze discussie over klein leed? De schouders ophalen, zoals de rest van Nederland ook deed, vermoedelijk. 

Vroeger was je nog een jonge schrijver als je nog geen veertig was, inmiddels ben ik met mijn 36 jaar en zeven romans vermoedelijk een veteraan. Ik schrijf al bijna vijftien jaar en ik heb ook over veel zaken een mening (en soms word ik er voor betaald) maar ik heb geen visie op hoe De Ander zijn of haar boeken moet schrijven, hoe de literaire agenda gevuld zou moeten worden. Het interesseert me geen lor, net zomin als de vermoeiende polemieken over de positie van mannen/vrouwen/snackbarhouders/beiaardiers in de letteren. Wat is dat toch voor geldingsdrang om te roepen wat de collega zou moeten doen? (Nu wordt het wel heel erg meta, want in feite doe ik dit met stuk misschien ook wel).

Er verschijnen legio middelmatige boeken en even zoveel nietszeggende columns over literatuur waar ik mij over opwind, maar mijn oproep tot enig nieuwe elan of reveil zou niets uithalen. Ik heb het recht om iets te zeggen over collega’s, maar ik neem het niet. Tenzij ik er iets positiefs over kan zeggen (goed, heel af en toe zeg ik iets vervelends over Jan Siebelink, maar zo onderhand weet ik niet meer waarom).

Ik geef nu geen oordeel, maar enkele adviezen aan schrijvers (of ze nu jong zijn of niet): trek je vooral niet te veel aan van wat andere schrijvers in Nederland via sociale media, in opiniebladen en op websites over u roepen. Een oproep om naar de wereld om u heen te kijken in plaats van de eigen navel is misschien een gezonde insteek, maar probeer verder vooral goede verhalen te maken.

Literaire laagvliegers die alleen kunnen bestaan dankzij een old boys' network van grootstedelijke gymnasia hebben doorgaans geen lange adem, maar wel kaartjes voor het Boekenbal. Loop met een boog om hen heen, net als om de mensen die voortdurend bezig zijn het schrijversambacht te vangen in lijstjes, stromingen, clubjes.

En dan nog iets praktisch: elk extra station tussen uw werk en de lezer kost energie, geld en tijd. De ene keer is dat de kroeg, de andere keer een literair agent.

Dus schrijf naar hartenlust verder en wees zuinig met uw energie. Aan het werk dus, Joost en Philip. Goede verhalen maken.

 

Fittie op Twitter, glimlach bij de Jumbo

4 november 2014 | Reacties 0

Vandaag publiceerde Dimitri Tokmetzis op De Correspondent een analyse van digitale heethoofden, verdedigers van het vrije woord en andere snuiters. Tokmetzis heeft enkele twistgesprekken achter elkaar geplaatst in een animatie.

Ik zie op Twitter regelmatig de polemisten elkaar in de haren vliegen. Soms krijg ik ook met de brandnetels in de nek omdat ik iets heb geschreven. Sommige woedende mobbers heb ik wel eens in het echt ontmoet; ze bleken dan vrij brave borsten te zijn. Of het nu leden van 'Dhimmistad' of bewoners van 'Roze Plopsaland' waren.

Ikzelf zal wel tot het 'redelijke midden' behoren. Wie zich in het redelijke midden begeeft, kan later altijd nog roepen: 'Zeg, volgens mij zit het iets anders dan eerst...' na een zekere uitspraak. Dat kan nu eenmaal niet als je behoort tot de felle strijders, die regelmatig uit schijnen te zijn op vetes.

Ik vermoed echter dat al die vijanden in de digitale warroom van Twitter en Facebook doodleuk achter elkaar staan in de rij van de Jumbo, de Mediamarkt, Praxis of de snackbar. 'Ga maar voor hoor,' zegt de op Twitter schuimbekkende zielepoot, zonder dat hij het weet, tegen de immer verontwaardigde concurrent-strijder. 'Dankjewel.' Ze glimlachen naar elkaar.

Ik vraag me wel eens af hoe al die heethoofden slapen. Volgens mij is het niet heel best.

'Jawel hoor, op jouw graf, linkse tyfusmarokaan'.

NPO Radio 2: zo smaakt gefrituurde ether

3 november 2014 | Reacties 0

Staatssecretaris Dekker wond zich recent op over de weinig onderscheidende toon van televisieprogramma’s bij de NPO. Hij zal daarin gelijk hebben, maar het is op de radio niet veel beter. Het is natuurlijk heel highbrow om de nieuwe programmering van NPO Radio 1 ter discussie te stellen (zoals hier in het artikel van Hugo Hoes uit de VPRO gids, waar ik het volledig mee eens ben), maar de ontwikkelingen bij NPO Radio 2 zijn minstens zo laakbaar.

Zoals elke schurk of held in een detective altijd een bijzondere eigenschap heeft (lurkt aan lollies, bezoekt braaf zijn moeder, rookt sigaar), zo luister ik sinds mensenheugenis naar Radio 2. Mijn vrienden hebben me daarom vaak vervloekt. Zelfs toen ik als twintiger met de eyeliner nog onder mijn ogen en drankasem na een optreden van mijn bandje in een of ander hol de volgende ochtend in mijn junkyard aan de Czaar Peterstraat ontwaakte, ging op zondagochtend radio 2 aan. ‘Goedemorgen, goed dat je er bent…’ zei Jacques Klöters dan met zijn zalvende stem. Ik kon hem wel door de speakers trekken, maar de radio week niet van mijn zijde; mijn zondagen stonden in het teken van vaak niets ontziende bevoogding.

Jarenlang liet ik mij op zondag in slaap soezen met Volgspot, waar Hijlco Span ofwel vanuit een studio ofwel vanuit een foyer een gast over het leven zelve interviewde. Of wat te denken van al die google- en facebookloze bejaarden die via Adres Onbekend die eenbenige soldaat uit de Balkan of de geliefde van de muziekschool uit Greonterp wilden traceren. Over muziek ging het ook heus: KRO’s Goudmijn, Route du Soleil. Die programma’s zijn allemaal verdampt of verschoven naar Radio 5 Nostalgia.

Als scholier leerde ik veel van de radio, niet alleen van radio 2. Stiekem luisterde ik ’s avonds naar radiodocumentaires van Damokles of naar het bizarre Radio Erotica (in feite de voorloper van Spuiten en Slikken, maar dan nog met onbetwiste zitkuilen-romantiek) van Veronica. Ik kreeg heuse muziekeducatie (reportages en interviews met artiesten) en leerde bijvoorbeeld over de zelfgebouwde synthesizers van OMD (ik vermoed  een item op radio 3 van de VARA, Jan-Douwe Kroeske deed de voice-over).

3FM heb ik nooit in haar huidige verschijningsvorm kunnen doorgronden, maar dat geeft ook niet. Ik denk dat ik niet (meer) tot de doelgroep behoor en dat is helemaal niet erg. Zelfs toen ik als redacteur bij 3VOOR12 werkte, was ik meer van T-Rex dan van het zoveelste moeilijke bandje met blokblouses uit Brooklyn. Geef de jeugd haar Glazen Huis en festivalverslaggeving: snap ik best.

Nee, dan NPO Radio 2. De zender is nu met name op zondag een soort muzikale vaseline, soepel geworden door de warme stem van dj’s die me voortdurend bevragen wat ik doe op mijn zondag. Ik een nostalgicus? Nee, de zendercoördinator van Radio 2 is een nostalgicus! Het lijkt gedorie een piratenzender uit 1987! Alle programma’s vormen een frituurschotel vol blokjes ether met geestig allitererende namen: Helemaal Haandrikman (doordeweeks), Typisch Toine, Music Matters, Musical moods, Zo’n Zondag. Enig lichtpunt in de huidige programmering is doordeweeks De Staat van Stasse. Wel weer die vreselijke alliteratie, maar Stasse is zoveel origineler dan menig snuiter.

Als ik op zondag wel eens in de auto zit, heb ik geen zin om te luisteren naar de piepende zolen van korfballers op Radio 1, al snap ik die aandacht voor sport vanuit de functie van NPO wel. Dan wil ik afstemmen op tevreden gehum van die of die, en af en toe een of ander muziekje dat je nergens anders hoort. 

Waarom hoor ik op zondag de voice-over van godbetert RTL Blvd, Jeroen Kijk in de Vegte, Hemelbestormers presenteren? Waarom vraagt Toine ‘Fox’ van Peperstraten mij wat mijn lievelingsconcert was in zijn programma Typisch Toine? Heel de dag wordt mij als luisteraar gevraagd of ik een ‘lekkere zondag’ heb en welk liedje ik horen wil. Verzoeknummers, anno 2014? Je hebt toch Spotify? Doe verdorie je werk. Draai eens een nummer dat niemand kán verzoeken omdat we het nog niet kennen. Stop met het 'laat het ons weten via 2222'.

Natuurlijk is mijn klacht over de NPO niet zo belangrijk als de opwarming van de aarde, de werkloosheidproblematiek van ons land of de spanningen op het wereldtoneel. En het zal te maken hebben met horizontale programmering, luisterdichtheid, adverteerders, zeker tijdens de Top 2000 die er weer aan zit te komen. Maar als de marktwerking zo’n grip krijgt op een publiek bestel, mag NPO Radio 2 van mij morgen een commerciële zender worden.

 

De autobiografie van Thomas van Aalten

1 november 2014 | Reacties 0

(vrij naar JG Ballards What I Believe)

Ik geloof in David Bowie, in The Sex Pistols, Britse new wave en disco

Ik geloof in de plaatsen die niet bedoeld zijn om er langer te blijven
Hotels, viaducten, parkeergarages en wachtruimtes op vliegvelden

Ik geloof in architectuur, in Bobby Gillespie, in de elpees van de oude Scott Walker

Ik geloof in de mensen buiten het vizier

Ik geloof in de voorsteden en de vergeten gebieden, tankstations, biljartzalen, kantoorgebouwen en telefooncellen zonder telefoon

Ik geloof in de erotiek van de jaren zeventig, de opstand van de jaren tachtig

Ik geloof in het absurdisme van Albert Camus en de pijn van John Cheever en andere chroniqueurs van vervreemding

Ik geloof in Van Eesteren, Warhol, De Stijl, Bauhaus, Gropius, Ed van der Elsken, futuristen en modernisten

Ik geloof in de gevechten van de natie, de ordeloosheid, de zoektochten naar fatsoen

Ik geloof in de oude tijdschriften met advertenties voor aftershave, de interviews met vergeten Duitse schrijvers, vergane glamour vol luxaflex, leaseplanten, te grote computerschermen en dranktrolleys

Ik geloof in de ring A10

Ik geloof in lege buitenzwembaden in de winter en een straat in Osdorp vernoemd naar Domela Nieuwenhuis, peepshows, erotheken, discotheken, winkelcentra, stationrestauraties en bioscopen in Slotervaart die niet meer bestaan

Ik geloof in Europa, in neomarxisme, de vergeten resten van de Atlantikwall

Ik geloof in de vechtlust na het vallen een totalitaire regime, in de opstand tegen de dictatuur

Ik geloof in de teksten van The Manic Street Preachers

Ik geloof in Joop Den Uyl

Ik geloof in de rolluiken met graffiti in de noord-Franse kustplaatsen

Ik geloof in de TROS-leaders die iemand op YouTube heeft geplaatst

Ik geloof in mijn kinderen,
in de Playmobil van mijn jongste dochter en de postzegelverzameling van mijn oudste dochter, met zegels uit niet-bestaande landen zoals Joegoslavië en Rhodesia

Ik geloof in de triomf van de verbeelding.

De klare lijn: over Bowie, Van Essen en De Beaufort

26 oktober 2014 | Reacties 1

Bowie, portret van Luc Verschuuren

Afgelopen zaterdag gaf muziekrecensent Gijsbert Kamer in de Volkskrant de nieuwe Bowie-biografie (eenvoudig getiteld: ‘Bowie’) van Wendy Leigh één ster. Het is duidelijk dat Kamer niet zit te wachten op de gossiphonger van Leigh, die als schrijfster meer geïnteresseerd scheen in Bowies bedpartners en de band met zijn moeder dan de feedbackgitaar van Robert Fripp. Toch is er wel degelijk iets interessants te lezen in dat boek over Bowie – ik weet onderhand ook niet meer wat ik als fan allemaal wel en niet meer heb gehoord en gelezen sinds ik in groep 7 van de basisschool een spreekbeurt over hem hield – het eindoordeel van Kamer geeft vooral aan dat de muziekliefhebber Kamer is teleurgesteld. Maar er is nog genoeg interessants te lezen - of anekdotes te herlezen vanuit een ander perspectief. De geplande ontmoeting tussen Bowie en Marlène Dietrich die er nooit kwam, Bob Dylan die geweigerd werd bij een Bowie-concert omdat ze dachten dat hij zwerver was, dat Freddy Mercury ooit op een kledingmarkt laarzen verkocht en zo Bowie er eentje liet passen (het ene icoon in wording knielt voor het andere icoon in wording!) - het zijn kleine snippertjes boulevardpers, maar die horen er ook bij.

Het boek an sich is wat mij betreft geen veredelde knipselmap, al blijft het raar om een boek te lezen over iemand terwijl de persoon in kwestie (Bowie) niet specifiek voor het boek is geraadpleegd, maar vooral wordt geïllustreerd aan de hand van types die weggelopen lijken uit een derderangs Shownieuws-panel (opvallend veel orgie-getuigen).

Ach, het is een mooie reminder om de zoveelste luxe verzamelbox Nothing has changed aan te schaffen.

Wat is de functie van een literair recensent (en misschien geldt die vraag ook voor de muziekrecensent, de theaterrecensent en de kunstrecensent)? Een goede recensent heeft meerdere functies. Voor de uitgever en de schrijver is een positieve recensie vooral het verlengstuk van de pr-machine. Leuk als het om een positieve recensie gaat, maar bij een negatieve recensie maakt het ook eigenlijk ook niet veel uit: de naam van het boek is weer genoemd, prima.

Een eindoordeel met één ster of zelfs twee vind ik zelf beter dan drie sterren; drie sterren, dat is een schouderklopje, een christelijke zeven, een voedzame maaltijd, een muzakje tijdens het wachten op het herentoilet. Bij één of twee sterren kun je tenminste nog manmoedig roepen dat de recensent je werk niet heeft begrepen.

Al had Kamer vijf of nul sterren toegekend, ik had het boek toch wel gekocht. Een recensent kan door zijn sombere oordeel mij juist ook prikkelen; als NRC iets slecht vindt, vind ik het meestal goed. Recensent (en schrijver) Deniz Kuypers herinnerde mij er met zijn recensie aan dat er nieuw werk van Rob van Essen verscheen. Dat wil zeggen: ik wist allang dat Van Essen weer een nieuwe bundel met verhalen had uitgebracht, maar nu moest ik naar de winkel om snel te lezen dat Deniz Kuypers met zijn oordeel van twee ballen volledig ongelijk heeft, maar wel veel, veel meer ongelijk dan Kamer over Bowie van Wendy Leigh.

Toevallig is een van de verhalen van Van Essens nieuwe bundel vernoemd naar een nummer van David Bowie: Boys Keep Swinging (in de clip van dit Bowie-nummer zie je de zanger onder meer als travestiet zijn pruik afsmijten en zijn lipstick afvegen, een theatrale act die hij leende van de transgender-performer Romy Haag).

Genoeg over Bowie. Van Essen schrijft in zijn verhalenbundel Hier wonen ook mensen zoals tekenaar Joost Swarte illustreert: je herkent wat je ziet, maar de scène en de personages zijn ontwricht. Het verhaal ‘Terug naar huis’ beschrijft een echtpaar dat ’s nachts door een woonwijk rijdt, op weg naar haar ouders, om te controleren of zij nog wel leven. Zij leven nog – zachtjes snurkend in dat donkere huis – maar wat doet die kat binnen? Misschien moet die dan toch verjaagd worden, of hebben ze sinds kort katten? Herhaaldelijk verlaten ze het huis en keren weer terug. ‘Nu gaan we niet meer terug,’ verzucht de hoofdpersoon terwijl ze van de parkeerplaats wegrijden, in een wijk waar nergens licht brandt. 

Diezelfde woonwijkmelancholie herken je ook in het verhaal ‘Auto’s in de beginnende avond’, over oom Evert (die ook later zal terugkeren in een ander verhaal, zoals een karakter met de mysterieuze naam Scipio ook meerdere keren voorbijkomt) die naar een tekening van zijn neefje kijkt en concludeert dat je zo geen vliegtuig tekent. Hij neemt zijn neefje naar het vliegveld en laat hem zien hoe die vleugels aan de kist zitten. ‘Jij tekent dit natuurlijk uit je geheugen, hè, zoals je denkt dat het was. Maar wat is tekenen. Herinneren? Nee, wáárnemen. Zo is het: tekenen is waarnemen.’

En dan staan ze daar, tussen de vliegtuigspotters: ‘Nu gaan we wachten tot er eentje landt.’ Waarnemen en herinneren, het zijn precies de handelingen die Van Essen feilloos lijkt te doen, droog en zonder opsmuk. Maar ondertussen spelen zich de meest krankzinnige scènes af.

Elk verhaal van Van Essen is in deze bundel opgebouwd vanuit een goed idee, zoals een van de beste verhalen van John Cheever ook is bedacht rondom één briljant idee: De zwemmer, over een man die besluit van poolparty tot poolparty in de Amerikaanse suburbs naar huis te zwemmen, terwijl hij uiteindelijk niet meer dan zijn zwembroek blijkt te bezitten. Iets vergelijkbaars gebeurt in Van Essens ‘De mensen die alles thuis lieten bezorgen’, over een buitenlands echtpaar dat bij de buren van de protagonist een etage huurt voor een vakantieweek. De man en vrouw vinden het maar vervelend dat er geen lift in het appartementencomplex zit; ze komen hun tijdelijke etagewoning amper uit. Ze laten al hun eten bezorgen. De protagonist beziet het van een afstand, tot het misgaat. Ik zal niet verklappen hoe het precies gaat, maar als de verteller vervolgens in de keuken van de buren belandt met een politieagent die oog heeft voor het inrichten van het keukenkastje, ben je weer in een vintage prent, getekend met de klare lijn, beland. Je snapt wat je leest, elk woord komt aan – maar wat gebeurt er in vredesnaam?

Collega Binnert de Beaufort maakt gebruik van diezelfde klare lijn, hoewel hij soms net barokker of archaïscher uit de hoek kan komen, maar zeker niet minder geestig. ‘De wat zweterige chauffeur met zwarte snor was waarschijnlijk een nijvere beambte van de Stasi […] Wij wisselden vriendelijke beuzelarijen uit.’ Een paar maanden geleden verscheen Man Haalt Rijbewijs (‘een auto biografie’), maar wie verwacht dat het gaat om een kolderiek meeneemboekje voor, van en over klungelige chauffeurs, heeft het mis. Man Haalt Rijbewijs is meer; het is een inleiding tot de camera obscura van respectievelijk corpsstudent, Quote-journalist en vader Binnert De Beaufort, met de auto als letterlijk en figuurlijk vehikel voor het verhaal.

Het gaat van prachtige reportages over een tocht die hij door de DDR maakte met zijn vader (die destijds een functie als griffier in de Tweede Kamer bekleedde) tot een aangrijpende zoektocht naar het verhaal achter een fataal auto-ongeluk waarbij zijn goede vrienden betrokken waren. Zijn vriendschap met Jort Kelder lijkt op het eerste oog voor de lezer misschien banaal, maar omdat het niet hijgerig of obsessief starfuckerig overkomt (trouwens, Kelder was helemaal geen star toen De Beaufort net bij Quote kwam te werken), leest het verslag van de Quote Challenge (een soort puzzelrit voor dure auto’s) als een roadtrip van het oude geld, met de nodige uitspattingen.

Uitgeverij Prometheus heeft wellicht de fout gemaakt om dit boek als boekje in de markt te zetten, inclusief roze rijbewijs als cover. We hebben hier verdorie te maken met een boek. De auto in al haar facetten als rode draad in het leven; het is mooi gedaan.  

Het is de klare lijn van de taal die de verhalen van Van Essen met die van De Beaufort verbindt. Taal met humor en frisheid, taal die zegt wat er gebeurt zonder het te verklappen.

Om maar weer met Bowie af te sluiten: in hetzelfde Berlijn dat De Beaufort beschreef, maar dan aan de westzijde van de muur, wilde Bowie een paar jaar ervoor nog zijn auto in een parkeergarage uit de bocht laten vliegen. Dramatisch sterven als James Dean. Hij schreef er later het mooie nummer always crashing in the same car over, dat belandde op het album Low. ‘Ik zat vol zelfmedelijden,’ gaf hij later toe.  

Ik koester Van Essen en De Beaufort als kunstbroeders. En we zullen blijven swingen (al moet je dat niet verkeerd opvatten).

(De prachtige tekening van Bowie bovenaan dit stuk is gemaakt door Luc Verschuuren, een artiest die ik ook zeer bewonder).

 

De dresscode van Hemingway in Floor 17

1 oktober 2014 | Reacties 0

Langs de ringweg A10 zit sinds enige tijd het Ramada Apollo hotel. Als ik mijn neus op het geluidswerende raam van ons appartement druk en naar links kijk, zie ik de rode letters van het logo op het dak.

Gisteren gingen we nog eventjes naar de hotelbar Floor 17, die op de zeventiende verdieping van dat voormalige GAK- UWV- en Pink Roccade-gebouw zit. Ik was er al eerder geweest vanwege het fraaie uitzicht. Op de achttiende zit ook nog een dakterras. Je waant je in een echte stad, kom daar maar eens om in de binnenstad.

In de nis bij de sierhaard was nog plek. Verder werd de bar bevolkt door expats, hotelgasten en mensen zoals u en ik die zich verwonderen over het uitzicht en de relatief kleine stad waarin we wonen. De inrichting is van het kaliber meubelboulevard-hip. Veel synthetische materialen, paars licht, hoge krukken aan hoge tafels en wat loungemuzak. Maar dat uitzicht hè.

Een paar maanden geleden was ik er met mijn ouders na de maaltijd (die we thuis gebruikten) om koffie te drinken. De ober – die, soit, geen Nederlands sprak – begreep niet dat we om taart vroegen (dat zou ik doen, als hotelier: een deal met Holtkamp en draaien maar). Er was een kaart met hangop en een kaasplank, maar dan moesten we in een restaurantgedeelte zitten. Enfin. Geen taart. Kan gebeuren. Koekje bij de koffie. Dat uitzicht hè.

Gisteren werden we hartelijk ontvangen door een blonde dame die vroeg of we ‘een drankje kwamen doen’. We bestelden een rode wijn en een verfrissende mix van bourbon en ginger ale in een longdrinkglas. Tot zover was alles goed. Vooral dat uitzicht hè.

Op de bank tegenover ons zat een gezelschap van twee echtparen. Een van hen had het postuur van de Kerstman. Je zou hem ook als Ernest Hemingway of Slavoj Zizek kunnen typeren. Een goedmoedige intellectueel, ik verwachtte een verleden als docent econometrie, of misschien wel een vertaler van Finse poëzie. De vier Nederlandse hotelgasten - ze hadden het immers over hun kamers - keuvelden wat op gedempte toon.

Na een tijd kwam een gastheer van het hotel bij het viertal zitten, na dit op enige omslachtige toon te hebben verkondigd (‘mag ik er heel even bij komen zitten?’, onderwijl vermeend kordaat eenmaal met de handen te klappen). De knul, wellicht nog in opleiding van de hotelschool, was vermoedelijk door zijn manager op de vier afgestuurd. ‘Het gaat om de dresscode…’ Hemingway droeg een grote blauwe trui. Hij had geen morsige overall, sprak niet met consumptie, bralde niet. Een grijze dame, ik veronderstelde zijn vrouw, was verbijsterd. Terecht. ‘Daar is ons niets over verteld toen wij hier incheckten…’ Het ging volgens de knul om de sportschoenen van Hemingway.

Ik wilde opstaan en me in het gesprek mengen, maar dat mocht niet van mijn partner. 'Het gaat nu niet om jou.' Ik mompelde: ‘Zo kun je oorlogen ook duiden. Door niets te doen, zwaai je nu de trein naar Dachau uit,’ zei ik met kokend bloed. ‘Dan schrijf je er maar een stukje over,’ zei ze sussend.

Een opmerking over gymschoenen van een grijze heer in Floor 17, dat godbetert vier televisieschermen met een voetbalwedstrijd vertoonde. Floor 17, dat met de vele paarse verlichting de neo-chic van een hotel in de Emiraten tracht te evenaren. Floor 17, in een hotel dat godbetert langs de ring A10 zit, en dagelijks wordt bevolkt door touringcars vol Russen. Floor 17, dat in vergelijking met de sonates van Bach, uitgevoerd door een kamerorkest in het Amstel Hotel niet meer dan een mp3 van een Phil Collins-nummer is. Floor 17, dat in vergelijking met hoge kunst niet meer dan een godvergeten stockfoto is. Niets mis mee, maar uitgerekend op déze plek begint een knul over de dresscode van een normale man die ook nog eens geld in het laatje brengt? 

De heer hield zich hoffelijk en zei dat hij van niets wist. ‘Door me nu weg te sturen, loop je een hoop centen mis,’ zei hij met een glimlach. Zijn vrouw reageerde verbolgen. De knul wentelde zich in allerlei excuses en voorzichtige aannames.

Dat er met regelmaat de fitnessboy met tatoeages, in parfum gedrenkte zongebruinde dames, de nieuwbakken advocaat, de vastgoedbaron en de Oost-Europese nieuwe rijken plaatsnemen aan de bar, hindert het hotelpersoneel niet. Maar een Hemingway met sportschoenen schendt de dresscode.

Al had ik als hotelier meer geld dan een oliebaron, ik zou niet willen regeren over zo’n verschrikkelijke organisatie. Al win je dan de prijs voor Wyndham Hotel Group EMEA Hotel of the Year 2014. Overigens lees ik niets over dresscodes op de website. Dresscodes zijn een teken van verarming en wanbeschaving. Net als bij Jimmy Woo en al die andere non-plekken in de stad, behangen met kleren van de keizer. Dacht je dat een ober in een afgelegen restaurant aan de kust van Monopoli in Zuid-Italië over je sportschoenen begint? Nee, en dan serveert hij je wel honderd keer betere spijzen en dranken.

Het viertal bleef zitten. Ze bestelden nog meer flessen wijn. Na tien minuten droop de knul af, na een oeverloze discussie over gastvrijheid, excuses, reglementen, dresscodes en doelgroepen.

In gedachten zag ik de geest van de echte Ernest Hemingway rondwaren, grinnikend, met een jerrycan vol benzine op de zeventiende verdieping, die hij zou legen over het meubilair. Daarna zou hij zijn smeulende Havana op het skaileer werpen.

Dat uitzicht hè. Dan maar thuis zitten en kijken vanaf mijn eigen tweede verdieping.

De grootste robot is de regering zelf

30 september 2014 | Reacties 0

‘Angst voor robot leidt tot sabotage,’ kopte de Telegraaf in augustus 1982. In het Nederlands Dagblad schreef een journalist in 1978: ‘Een oude angstdroom steekt de kop weer op en waart rond in de bezorgde hoofden van vakbondsleiders, politici en toekomstvoorspellers: de robots rukken op. De nachtmerrie begon al rond 1910, toen de onlangs overleden filmproducent Fritz Lang zijn pathetische stomme toekomstfilm „Metropolis" uitbracht, waarin hij de automatische werkmachine de mens terzijde liet schuiven. Sedertdien is de robot hoofdrol blijven spelen in de sciencefiction-literatuur.’

En de kop van de Volkskrant vandaag, 30 september 2014? ‘Asscher: Robot bedreigt veel banen.’

Gisteren zag ik vice-premier Asscher in het nieuws praten over dit onderwerp. Hij vond dat we moeten anticiperen. Zo is het volgens de vice-premier / minister zaak dat we de lesprogramma’s in het onderwijs moeten aanpassen. Dat is misschien wel zo, maar niet om de redenen die Asscher noemt.

Geen mens klaagt over de espressomachines op kantoor, de slimme navigatiesystemen in de auto of de machine die een Snickers verkoopt. Of het moet de kwaliteit van de koffie, de onjuistheid van de route of het hoge bedrag zijn, maar de innovatie heeft ons niet in de steek gelaten. De Deltawerken, niemand zal het in zijn hoofd halen om dát als toonbeeld van dystopie te noemen, eerder het tegenovergestelde. Dat weet Asscher ook heus wel.

De Volkskrant vanochtend: ‘... Dankzij digitale technologie is het beter mogelijk om leerlingen in hun eigen tempo onderwijs te laten volgen, zei hij (Asscher, tva). Scholen moeten kinderen opleiden tot een soort improvisatiekunstenaars, die ad rem kunnen inspelen op veranderingen in de economie. 'Niet trainen op routine, maar op het onverwachte. Niet op feiten, maar op creatief analyseren en nieuwe wegen zoeken.'

Dat zou sowieso moeten, los van de robots. Ik keek laatst een geschiedenisboek in van mijn nichtje in de brugklas. Nog steeds veel jaartallen en vrij holle informatie: noem drie kenmerken van een horige. Een gemiddelde scholier werkt nog steeds in rijen van twee met een lesboek voor de neus en een SO of proefwerk aan het einde van de rit dat altijd over 'Hoofdstuk zus tot zo' gaat. Door het hoepeltje gesprongen? Mooi. Afvinken en vergeten.

Ik heb het zelf als zeer matige scholier bij Aardrijkskunde gehad met de rijtjes van kleilagen in ons land. Ik herinner me nog één term: lössgrond. Wat het ook alweer is, moet ik nu googelen.

Creatief analyseren is mooi ingefluisterd door Asschers spin doctor, maar laat Asscher dan even praten met zijn collega-robot, staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs. Teach what you preach. Geen tak in onze maatschappij wordt zó gescreend, getoetst, doorgelicht en gemonitord als de onderwijsbranche. Daar is niets onverwachts aan. Meer taalonderwijs, gymnastiekonderwijs, en vooral talenten, het gaat om de tóp – steeds wordt er weer met de vinger gewezen. Het ministerie wil iets, de vakbonden willen iets, de koepelorganisaties willen iets, de besturen en directies willen iets, de docenten willen iets, en de scholier wordt langzamerhand een cyborg die helemaal niet bezig is met onderwijs. Die legt vervolgens een Centraal Schriftelijk Examen af. Zo kan een student in het eerste jaar van het hbo terechtkomen met een keurige 7,3 op zijn havo-eindlijst. En dat ziet er goed uit, die willen wij graag aan de poort. Dat die 7,3 niets zegt over creativiteit of individuele voorkeuren omdat die termen in geen enkele exameneis voorkomen, is verschrikkelijk jammer. Tot zover mijn creatieve analyse.

Terug naar de robots die ons tegen gaan werken. Melkrobots, postbezorgende drones, zelfrijdende auto’s: waarom zou dat geen nieuwe werkgelegenheid creëren? We hebben door alle schaalvergrotingen op de wereld steeds meer behoefte aan overzicht en betrouwbaarheid. Ik vind het niet erg dat mijn auto zelf rijdt, maar dan moet-ie er wel een beetje leuk uitzien. Misschien wil ik wel een vintage customized ontwerp uit Eindhoven. En een robot om te stofzuigen bij mijn ouders die ik vanaf hier kan aansturen vind ik geen straf, maar een bejaarden- of verzorgingstehuis bestaat wellicht over twintig jaar niet meer. Dan wonen mijn ouders bij mij. Als ze me maar niet door gekte ingegeven proberen te wurgen, zal ik dat dragen als een man. De eenzame bejaarde zonder familie kan dan alle aandacht krijgen van de nu zwetende en stressende in voortdurende tijdnood verkerende verplegers.

Asscher hoeft zich niet over die robots op te winden. De lantaarnopsteker of kolenboer bestaan ook niet meer. Hij moet zich over de surrealistische en bureaucratische situatie opwinden, waarbij werklozen veel werk moeten verrichten om een uitkering te krijgen – en zo weer banen innemen van mensen die dat werk eigenlijk betaald zouden kunnen doen. Ik denk dan aan de plantsoenendiensten, de chauffeurs van gehandicapten, enzovoort. Dat werk wordt nu dikwijls gedaan door mensen met een uitkering.

Een slimme robot, die weet hoe hij de gemeentestruiken moet bijpunten en de grond moet schoffelen en de omgeving schoon moet houden, gaat heus niet de mens vervangen. Daar is zo’n cyborg net wat te duur voor.

 

Haaksbergen, o the thrill of it all

29 september 2014 | Reacties 2

Ik las vanochtend in een analyse in de Volkskrant over het ongeval met de zogenaamde monstertruck in Haaksbergen. Twee experts bespreken in dit artikel de veiligheidsrisico’s van stunts met monstertrucks in het bijzijn van publiek, slechts gescheiden door een dranghek.

Een van de experts is een directeur van het ‘Event Safety Institute’. De term alleen al is symbolisch voor deze tijd. Onze levens zijn al een beleving, vol van entertainment – een event. Zelfs op vakantie met je familie moet je, als ik reisprogramma's en bladen geloof, aan actieve sportbeleving doen. Worstelend met beschermende helmen en polyester tenten – er mag niets misgaan, safety! – werken hele gezinnen zich in een crisis op een steile bergwand of in ijzige meren.

Dat geen van de experts ruiterlijk toegeeft dat het onbegrijpelijk gedrag is om ten eerste met enorme trucks over auto’s te rijden en ten tweede om daar naar te kijken, verrast mij. O, Haaksbergen, the thrill of it all. De burgemeester, Hans Gerritsen, kan ik niets kwalijk nemen, het is vermoedelijk een traditie en dit festijn vond al jáááren naar alle tevredenheid plaats – let op, vanavond zit er iemand bij een talkshow aan tafel die er verstand van heeft en zegt dat hij niet snapt dat de organisatie niet zus of zo. Gelukkig heeft De Onderzoeksraad voor Veiligheid een onderzoek ingesteld.

Er kan beter een Onderzoeksraad voor Krankzinnigheid en Absurdisme worden ingesteld. Op een gemiddeld stads- of dorpsplein zie je hooguit wat banale uitingen vol klederdracht, talentenjachten, kaasdragers, springkussens, slechte clowns of verregend beachvolleybal. Maar er zijn kennelijk ook evenementen met monstertrucks. Die over auto’s heen rijden. Ze bestaan (niet perse alleen in Haaksbergen), inwoners van een betrekkelijk welvarend land die evenementen als dit wel normaal vinden, en een opera maar een ingewikkelde verkwisting.

Ik stelde me voor dat ik een oom of een verre neef in Haaksbergen had en dat ik daar op bezoek was. En om de zuurstofarme woonkamer na de lauwe sinas en het schuimgebak te ontvluchten, ging ik met mijn dochters naar het plein, afgaand op het rumoer in de kleine gemeente. Wat is dát, papa? Dat zijn zotten in een grote auto. Doen ze daar hun boodschappen mee? Ik denk het niet. Waarom staan die andere auto’s daar? Daar rijdt die grote overheen. Is dat normaal, papa? Ik denk het niet.

En dan kijk ik met mijn bijna twee meter lengte over de kalende achterhoofden van nieuwsgierige vaders heen, sommigen met kleine kinderen op de schouders, ze joelen van fascinatie en spanning en dan vliegt zo’n monstertruck uit de bocht en komt op je af – en neemt de kinderen mee de dood in. Misschien wel mijn kinderen.

'Hoe kon het zo misgaan in Haaksbergen?' vraagt de Volkskrant zich af. Al stonden er betonnen muren, strobalen of niks. Het gelul over veiligheidsrisico’s en safety institutes vind ik minstens zo oorverdovend als het geraas van monstertrucks. We zijn als mensen met vrije tijd op zoek naar perversiteiten, grensoverschrijdingen en flirten met de zelfkant. Om die reden vinden we het ook al decennia leuk om naar acrobaten te kijken, aan een elastiek van de Euromast te springen of op wandelvakantie door een gevaarlijk berggebied te gaan. Overleven hoeven we kennelijk niet meer, dus zoeken we andere manieren om de dood in de ogen te kijken.

De echte monsters zijn we zelf. Daar is geen instituut tegen opgewassen.

Burgemeesters in den lande: houd het bij springkussens, slechte clowns en matige jazz. En anders gaan de inwoners van uw gemeente maar naar de krankzinnige opera of lezen ze maar een absurd boek, als ze zich vervelen.

 

Archief

2014

november oktober september augustus juli juni mei april maart februari januari

2013

december november oktober september augustus juni mei april maart februari

2012

november