Thomas van Aalten

Het Drielandenpunt en The Opposites

3 maart 2015 | Reacties 0

Ik was een week in een oord in Beieren, nabij het drielandenpunt Oostenrijk-Tsjechië-Duitsland. Langs een bergpad stuitte ik op een kapel met prenten van onder meer omgekomen lokale Waffen-SS-soldaten die postuum geëerd werden.

De bewoners van deze streek waren zonder meer vriendelijk (‘Grüss Gott’ klonk het overal monter) en ordentelijk (‘Werp alleen tussen 8 en 20 uur glas in deze bak. Wijs uw buren er op!’). De gezichten waren pafferig en grauw, vermoedelijk door de hoge consumptie van varkensvlees en liters bier. Een paar kilometer verderop, bij een klein treinstation aan de Tjechische grens, runde een Vietnamees een schimmige geschenkenwinkel vol wapentuig en drank (zijn Vietnamezen de enige allochtonen in deze grensregio? Een nawee van het communistisch tijdperk?).

Nergens was wifi. De kou en de sneeuw wierpen nog extra isolatiemateriaal op. Het enige medium dat hier een rol speelde was een wijkkrantje vol advertenties voor dotterklinieken. Het moderne leven kende men hier niet.

Ik merkte zaterdag op de terugweg hoezeer ik gewend was aan dynamiek. Ik vind mezelf een vrij brave en rustige snuiter maar spontaan begon ik The Opposites te waarderen, die mijn vriendin op de te lange terugreis via haar telefoon liet horen over de speakers van de auto. Ik weet vrijwel niets van rap en hiphop, maar ik wist wat me aantrok in de muziek en teksten: de reuring, de heibel, het bijdehante van de randen van de stad.

Ik kon de verleiding niet weerstaan om om half tien 's avonds even naar de Albert Heijn op het August Allebéplein te gaan. De jongen achter me in de rij mompelde tegen zijn vriend over een ander die voorbijkwam: 'De laatste keer was hij met zijn Canta hier rondjes aan het spinnen op het plein.'

Ik was weer thuis.

 

Kopenhagen: eten van de Europese kaart

16 februari 2015 | Reacties 0

'Ober Geert, ober Geert, hebt u het gerecht van de sluiting van moskeeën en verbod op hoofddoekjes nog, dat hier op de kaart staat?'
'Uiteraard mijnheer!'
'Ober Geert, ober Geert, dat tussengerecht van jihadisten opjagen, hebt u die nog extra mild geprijsd?'
'Ja, mijnheer, zeer goedkoop maar lekker pittig, extra goed doorgekookt, maar het kost niet veel.'
'Ober Geert, ober Geert, hoe had de actie in Kopenhagen voorkomen kunnen worden? Hebt u daar in dit eetcafé ook een gerecht voor?'
(Ober Geert stamelt even voor hij iets op de blocnote schrijft) 'Mijnheer, helaas, u kunt hier alleen van déze kaart eten.'

 

Die rauwe en ongecensureerde Rob Oudkerk toch

3 februari 2015 | Reacties 0

Een paar jaar geleden had Prem Radhakishun in de middag een radioprogramma (Premtime) waarvan de opzet mij wel kon bekoren: hij reed in een bus het land rond om vanaf die locatie onderwerpen te bespreken die, logisch, vaak ook met de locatie van doen hadden. Soms ging het nergens over – wat is toch Prems obsessie met Rob de Nijs? – maar hij was als radiomaker een stuk beter dan de gelegenheidsdemon die op tv is. Ondertussen is het concept van de mobiele studio een paar keer aangepast en nu overgeheveld naar de avond: 1 op straat (‘het nieuws van de straat, rauw en ongecensureerd’ ronkt men bij aanvang), waarvan Rob Oudkerk een van de presentatoren is. Oudkerk probeert vandaag in Volkskrant een lans te breken voor ‘zijn’ radio 1 en hoe het omging met de berichtgeving over de gijzeling bij de NOS vorige week. 

Ik ben een groot liefhebber van Kunststof op Radio 1, maar als dat om acht uur is afgelopen zoek ik dekking; de rondreizende studio van Oudkerk en Marianne Leeflang (voormalig politica van Leefbaar Rotterdam) brengt een half uur lang met 1 op Straat onheilstijding, onderbuikspek en vakbondstaal. Kan de radio niet zachter of uit, dan is alleen Rennie een probaat middel.

Het is ongetwijfeld een poging om nieuws van ‘om de hoek’ te brengen, ‘vanuit de samenleving’, als was het een auditieve pendant van tv-programma’s als Hart van Nederland. We moeten de burger weer aan ons binden. Dat zal de beleidsmakers leren! 

Ik vroeg vorige week donderdagavond rond achten via Whatsapp aan mijn vader waar ik in godsnaam een lampje voor mijn Prius kon kopen (hij rijdt ook een Prius), omdat de bouwmarkt alleen universele gloeilampjes voor andere auto's leek te verkopen. Mijn vader antwoordde: ‘Geen idee, maar het Achtuurjournaal is op zwart. Een gewapende man eist zendtijd op.’

Hoe hij dat wist? Zijn telefoon zoemde onophoudelijk dankzij de vele alerts van nieuwsdiensten. Ik reed van de bouwmarkt naar een onbemande pomp en zette radio 1 aan. Want ik wist: die rondreizende bus, dát was het geheime wapen. Juist nu, gestrand ergens in Noordeloos, konden zij ver buiten Hilversum de natie op de hoogte houden.

Nee hoor, een man praatte onophoudelijk over mestproductie. Rob Oudkerk deed zijn beste imitatie van ‘Voor het hek’, de sketch van Van Kooten en de Bie over een vermeend assertieve radiojournalist die zich solidair waant met de staker van een tandenborstelfabriek en door het hek van de fabriek een strijdlustig gesprek voert. 

Radiomaker Oudkerk meent vandaag in de Volkskrant dat hem geen blaam treft; immers, om acht uur ging de tv-zender weliswaar plat maar na een half uur was de radio erbij! Hij neemt in zijn opinie zijn eenkoppige redactie in bescherming, omdat niemand hem of haar op de hoogte zou hebben gehouden. Dat is een merkwaardige conclusie, want als redacteur van een nieuwszender houd je jezelf toch op de hoogte, ook als je alleen bent? Mijn vader en talloze anderen hoorden ervan, dan moet je als redacteur op een van je schermpjes in je mobiele studio iets opvangen? Je hebt toch een twitterfeed, ook voor de reacties van luisteraars?

Dat radio vaak een betere nieuwsbron is dan de televisie, daar heeft Oudkerk gelijk in. Onze actualiteitenzender is met name in de (late) avond een sterk en geloofwaardig instituut. Wie iets van de wereld wil begrijpen, wordt vaak op zijn wenken bediend met Bureau Buitenland en Met Het Oog op Morgen. Maar hier liet Oudkerk toch echt een steek vallen; hij had de gijzeling kunnen melden en desnoods daarna verder kunnen gaan met de mededeling dat ‘bij verdere ontwikkelingen’ de uitzending aangepast zou worden. Nu bracht de radiozender een beschamend half uur non-nieuws over mestoverschotten.

Het had Rob Oudkerks finest hour kunnen zijn op Radio 1. Het is niet gelukt, dat is allemaal niet zo erg. Maar zijn vier ‘leerpunten’ aan het slot van zijn stuk komen nogal belegen over. ‘…dus geen badinerende stukjes in kranten of makkelijke conclusies achteraf.’

Goed, mijnheer Oudkerk. Dat rauwe en ongecensureerde van 1 op straat zullen we voortaan ook maar op een andere manier interpreteren.

 

Ik heb als schrijver geen agent of manager en dat is fantastisch

29 januari 2015 | Reacties 0

Vandaag las ik op muzieksite Noisey een interessant artikel over de verregaande rol van pr-adviseurs en marketingmanagers in de muziekindustrie, en dan met name wat dat betekent voor de media-aandacht. Toen ik dat las, was ik opgelucht: wat ben ik blij dat ik als schrijver (oké, geen muzikant) zo min mogelijk te maken heb met mensen die bepalen wat voor mij goed of nuttig is. Ik bepaal als schrijver liever zelf met wie ik communiceer en waar ik met een boog omheen loop.

Ik heb eigenlijk maar een communicatie-adviseur. Hoewel, dat klinkt alsof ik hem persoonlijk ken. Laat ik hem liever ‘communicatie-voorbeeld’ noemen. Namelijk Bill Murray, de Amerikaanse acteur. De legende wil dat zijn mobiele nummer rondzwerft in bepaalde kringen. Je moet je vraag of voorstel bij hem inspreken en als hij enthousiast is belt of sms’t hij terug, zonder tussenkomst van een agent of advocaat.  

Ik ben nu zo’n 15 jaar schrijver en heb alle facetten van een carrière doorgemaakt: van quasibrutale twintiger in het pre-socialemedia-tijdperk via de aanbeveling ‘aanstormend talent’ en 'te negeren' naar ‘bescheiden gearriveerd’ met nominaties en bijzondere vermeldingen van boekenpanels. Ik kreeg zowel aanprijzingen als afstraffingen van NRC Handelsblad, Vrij Nederland, De Groene en de afgelopen jaren talloze blogs. Ik versleet vier uitgeverijen en vijf redacteuren. Er waren tijden dat ik van een bepaalde titel amper een paar honderd stuks verkocht en ik beleefde een derde druk (midprice van Leeuwenstrijd), ook nog eens voorafgegaan door posters met mijn naam die in drie grote steden hingen.

Ik ken de verwachtingen en de teleurstellingen. Inmiddels beschouw ik mezelf met zeven romans op de rol als een ervaren middenvelder die de bondscoach af en toe opstelt voor het nationale elftal. Geen ijdele spits of topscoorder, maar ook geen tragische bankzitter (nog niet, althans). 

Acteur Huub Stapel zei vandaag in de Volkskrant over het huwelijk dat je niet bezig moet zijn met het 'residu van gisteren' of de verwachting van morgen. Je moet bezig zijn met het nu. Met een schrijverscarrière is dat niet anders. Dan kun je het best zelf de touwtjes in handen hebben.

Er zijn genoeg mensen die dingen doen voor de schrijver en zijn/haar boek: de redacteur adviseert over verhaallijn, karakter en plots, de bureauredacteur redigeert, de tekstcorrector zet de puntjes op de i, de marketingmedewerker bedenkt strategieën (hoe het boek in de markt te plaatsen), de verantwoordelijke voor de pr onderhoudt perscontacten, er is nog een hele verkoopafdeling, een vertegenwoordiger voor het contact met de winkeliers, en dan heb ik de webredacteuren nog niet meegeteld en zie ik vermoedelijk nog een paar schakels in de keten over het hoofd (sorry, geliefde uitgeverij).

Waarom moet ik dan in gódsnaam nog een agent of manager in de arm nemen? Ik snap het principe wel. Die doen zaken. Ze zijn als literaire makelaars: ‘Jij hoeft de gesprekken niet te voeren’. Dat klinkt allemaal mooi, en ja, ik heb ook wel eens met zo’n agent gesproken, maar zo’n man of vrouw kost ook geld. Net als bij de financiële sector geldt hier: elke tussenpersoon is een extra kostenpost.

Ik hoef heus niet alles zelf te doen. De recensie-exemplaren stuurt de uitgeverij, het eerste contact met ‘de pers’ onderhouden ze daar ook. Posters ga ik ook niet zelf ophangen. Ik hoef ook niet zelf de boekwinkel op te bellen om te vragen of ze wel mijn boek inkopen. En Stichting Schrijver, School en Samenleving kan prima optredens voor mij regelen. Verder doe ik graag veel zelf.

Onderhandelingen over voorschotten? De catalogustekst? Welke ideeën voor een marketingplan? Wat ik precies in die bibliotheek ga voordragen, waar en wanneer ik dat interview geef? Ik bepaal het allemaal zelf. De uitgeverij geeft mijn nummer, klaar. Ik moet er niet aan denken dat iemand anders dan ik mijn belangen behartigt.

Nu barst ik ook niet uit mijn voegen en krijg ik geen dagelijkse verzoeken tot deals over verfilmingen of aanbiedingen van buitenlandse uitgevers. Wie dan leeft, wie dan zorgt.

Maar als aardige middenvelder lukt het voorlopig prima.

 

Bij het overlijden van Peter Pontiac

21 januari 2015 | Reacties 0

Lou Reed, getekend door Peter PontiacIn 2000 debuteerde ik met mijn roman Sneeuwbeeld bij Podium, de uitgeverij van Joost Nijsen. Mijn toenmalige redacteur Tom Harmsen wees me op het te verschijnen boek Kraut over zijn vader die ooit de zee in liep en nooit meer terugkeerde, waar Peter Pontiac mee bezig was. Pontiacs tekeningen kende ik vermoedelijk vooral van OOR en de VPRO-Gids, maar in elk geval van de cd-hoes van Val Dood, de verzamelde columns van Herman Brusselmans (van wie ik als tiener groot fan was).

Ooit trok de zelfkant van het leven Pontiac zodanig - o, discipel van Lou Reed! - dat hij aan de heroïne raakte. Ik had als vroegtwintiger geen weet van 's mans geschiedenis met verslavingen (heroïne, alcohol) in de jaren zeventig en tachtig. Ik wist niet beter dan dat het gewoon een uiterst zachtaardige man was die tot grimmige tekeningen in staat was.

In de vermaarde jaren nul luisterde ik evengoed doodleuk naar The Velvet Undergrounds Heroin en las ik Lou Reeds autobiografie vol heroïne-anekdotes. Het waren echografieën uit het verleden, vertekende weergaven waarvan je wist dat het ooit bestaan moest hebben. De Czaar Peterstraat in Amsterdam waar ik toen woonde - decennia ervoor nog een straat vol junkyards! - was allang aan het gentrificatieproces ten prooi gevallen. De yup had de horse in Amsterdam verdreven. 

Toen ik Pontiac in die tijd op een borrel van de uitgeverij sprak (misschien de presentatie van Kraut? Toen al viel me op dat hij niet dronk) suggereerde ik dat hij misschien eens een strip over een van mijn fascinerende idolen uit die tijd, Iggy Pop, moest schrijven. Iggy als superheld, maar bovenal de grootste ex-junk. 'Nou,' zei hij en kuchte. 'Ik weet niet, hoor.' 

Ik heb hem daarna nooit meer in levenden lijve gezien of gesproken. Pontiac werkte de laatste tijd aan zijn boek 'Styx of de zesplankenkoorts'. Hij heeft zijn werk niet kunnen voltooien. Misschien staat hij nu achter op de dood, maar hij heeft in elk geval Lou Reed overleefd. Dat is dan weer een punt voor Pontiac.

Ik denk aan zijn naasten. Ik geloof niet in de hel of de hemel, maar wel in fantasie. We zien hem lopen, vanaf de rug gezien. Puerto Ricaanse schoenen, een grote strooien hoed. 'Until tomorrow, but that's just some other time. I'm waiting for my man... I'm walking home.' De grote stad tegemoet.

De wereld zal niet luisteren

17 januari 2015 | Reacties 0

(Voorgelezen in de nacht van 16 op 17 januari, even na 01.00 op Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen).

Hij was er altijd bij: het concert van The Lull in de OCCI in ’87, de perspresentatie van Jonko Pierewiet in Pakhuis De Zwijger, maar natuurlijk ook het le-gen-darische concert van Bafflo Tribe in 013. Hij zou nog de rolstoel van zijn zieke moe op Marktplaats zetten om aan de japanse vinylpersing van BallaMee and the Foxtrots te komen.

In zijn kast heeft hij een lederen jack liggen uit de tijd van toen hij nog een jonge punker was en in de le-gen-darische band de Vingeraars speelde. De naam De Vingeraars kon je op twee manieren uitleggen: zij die vingerden, of een aars met een vinger erin, en juist die taalgrap had volgens de bassist van de band (tegenwoordig een consultant bij een architectenbureau in Wageningen) een zogenaamde twist. Ze hadden ooit drie democassettes opgestuurd naar de VARA, maar daar had geen van de diskjockeys van Hilversum 3 het opgepikt. Na één legendarisch optreden in een soos in Deventer was het gedaan met de Vingeraars, maar zíjn rock ‘n’ roll hart bonsde nog onvermoeibaar voort. Sindsdien verkoos hij het pad van de muziekjournalistiek – hij zou de wereld wel eens laten weten wat goede smaak was.

Bij het nieuwe bandje in de bovenzaal staat hij vooraan, duimen in de zakken van zijn jeans en de overige vingers meetappend op de muziek. Bij nog meer enthousiasme beweegt ook zijn kin mee. De frontman van elke band weet dan: vier sterren. Want hij schrijft er een stuk over.

Hij rammelt met zijn plastic consumptiemunten in de rij voor de bierpomp. Opzichtig toont hij zijn fluorescerend polsbandje met het woord PRESS. In de wandelgangen ontmoet hij soortgenoten; die bwgroet hij met een knikje. De baas van dat programma groet hij uitbundig, en de muzikanten omhelst hij. ‘Heb je de Teddy Flux nog gezien beneden? Le-gen-darisch.'  

’s Nachts, een uurtje of half drie, licht aangeschoten, klautert hij de trap op, legt het linnen tasje met nieuw vinyl van de platenmaatschappij in de hoek van de kamer, schopt zijn sneakers uit, trekt zijn hoodie van die of die band uit, en gaat na het tandenpoetsen naast zijn geliefde liggen. ‘Hoe was het, schatje?’ mompelt zij, haar adem ruikt naar slaap. ‘Le-gen-da-risch,' antwoordt hij, maar zij hoort zijn antwoord al niet meer, net zoals de rest van de wereld niet meer luistert.

 

Spot niet met de schipper

16 januari 2015 | Reacties 0

(Voorgelezen in de nacht van 15 op 16 januari, even na 01.00 op Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen).

Je hebt mensen in je vriendenkring met normale of ingewikkelde banen, maar er zijn ook mensen met banen die indruk maken. Ik ken een schipper. Schipper is zo’n beroep dat aan je vast blijft kleven, al word je daarna software-engineer of restauranthouder. Iedereen zal je onthouden als de schipper. Dat heeft hij gemeen met een politieagent. Of een beul. Als je een schipper als vriend hebt, maar zelf ben je leraar, accountant of gitarist, dan is de kans groot dat je de schipper al wat langer kent. Schippers ontmoet je niet ineens, het groeit, tenzij je zelf actief bent in de nautische branche.

Mijn vriend de schipper zit ’s nachts op de brug en kijkt uit over de eindeloze zwarte zee met groene en rode lichtjes. Hij vaart tussen Nederland en Engeland en vervoert vrachtwagens. Als je hem bij thuiskomst vraagt hoe het nou zit met laadvermogen, smokkelwaar, zandbanken, kapers, ontberingen in een storm, de eenzijdige maaltijd, het gemis van vrouw en kinderen – dan vertelt hij je altijd weer dingen die jij niet wist. Jij kunt die verhalen dan weer doorvertellen. Al ben je zelf geen schipper, anekdotes van en over een schipper roepen altijd nieuwsgierigheid en ontzag op bij derden.

Eens tartte ik het lot. We waren vijftien, zestien jaar oud. Drie vrienden in het donker aan de oevers van de Grote Bloem, een plas bij de Angerensedijk. Ik en mijn andere vriend vroegen de schipper, die toen geen schipper was maar een vwo’er die was blijven zitten, om een fles sinas uit de fietstas te halen. Toen hij de fles haalde en aan ons gaf, zei ik om te treiteren: ‘Laat maar, we hoeven toch niet.’ De schipper borg de fles weer op. ‘Of doe toch maar wel,’ zei ik toen hij weer bij ons kwam zitten.

Toen keek de schipper me aan en richtte daarna zijn blik op het water. Hij wierp de fles sinas met een flinke boog in de donkere plas. ‘Ga maar halen,’ zei hij.

Spot niet met de schipper. Zelfs niet – of misschien juist niet – als niemand weet dat hij de schipper is.

In Hollandse genade

15 januari 2015 | Reacties 0

(Voorgelezen in de nacht van 14 op 15 januari, even na 01.00 op Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen).

Ik kom graag ’s avonds in de bouwmarkt of in een halfleeg winkelcentrum waar een exclusief televisiescherm ter grootte van een voordeur de meest krankzinnige beelden met enorme robots en schietende malloten vertoont. Films die ik niet ken en niet wil kennen.

Een man met zijn zoon staat in de grote elektronicazaak naar zo’n scherm te turen. Je hoort hem denken: zal ik het doen, of zal ik het niet doen, die paar duizend euro op afbetaling? Een winkel verderop verkopen ze diervoeding per zak met een omvang die je normaal met fors bouwmateriaal associeert. De indringende geur van het visvoer en de hondenbrokken. Hoe zou een poloshirt van de medewerker aan het einde van de dag ruiken?

Vandaag was ik in mijn pauze bij de slager. Een goede slager, waarvan er in Nederland maar weinig zijn. De meeste serveren oranje schijven of bakken bami. Maar van slager Ton kreeg een plak grillworst die nog warm was. Op de weg terug naar mijn werk groette ik iedereen, met een knik. De meesten groetten terug.

Ik sta met mijn gerei van de bouwmarkt in de lift van onze flat. De buurman werkt met jongeren, ook het soort jongeren waar u wel eens van hoort. We wisselen wat woorden uit en het spoelt alle dorre berichtgeving en donkere wanhoop weg.

‘Je ben de hopeloze naïeveling,’ schreeuwen de polemisten op hun blogs. ‘De aarde brandt!’ Dat kan zijn;  de aarde brandt al eeuwen en over honderd jaar brandt de aarde helaas nog steeds.

Ik kan het elke polemist, maatschappelijk teleurgestelde zichzelf activistisch wanende twitteraar of verwoede blogger aanbevelen: groet de buurman en buurvrouw, maar ook de man die alles afweet van polyester afsluitdoppen in de bouwmarkt. Vraag de caissières hoe hun avond is en steek je duim op naar een pompbediende.

Want heel ons land draait door, maar vaak hebben we dat aan anderen te danken.

De videotheek

14 januari 2015 | Reacties 0

(Voorgelezen in de nacht van 13 op 14 januari, even na 01.00 op Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen).

In Huissen was er een videotheek. Ik weet de naam van de videotheek niet meer, maar het was vast iets prozaïsch als Superstar of FilmPlus. De plastic hoezen bevatten vaak vegen en vlekken. Wij hadden thuis een videorecorder, die ernstige piepgeluiden maakte bij het terugspoelen, vooruitspoelen en op het laatst ook bij het afspelen. Op de middelbare school ging het verhaal rond dat er afschuwelijke videobanden bestonden, onder de titel Faces of Death. Beelden van mensen die verongelukten bij autoraces, die werden verorberd door krokodillen of die werden onthoofd.

In de zomervakantie  van 1995, ik was bijna 17, zagen we op de voorpagina’s van de kranten in de kiosk op de Italiaanse camping dat er een bom bij een metrostation in Parijs was ontploft. De autoriteiten dachten dat het misschien Bosnische Serviërs waren. Srebrenica was nog maar net gevallen, al kregen we daar al amper iets van mee via de Telegraaf die steeds twee dagen te laat bij de krantenman op de camping arriveerde. De aanslag bij de metro werd later opgeëist door de Groupe Islamique Armé, een militante groepering die vanuit de voormalige kolonie Algerije naar Frankrijk was overgeslagen. Terwijl je je blind staart op de ene vijand, ontwikkelt er op de achtergrond iets dat je nog niet als de andere vijand herkent.

De videotheek in Huissen is inmiddels verdwenen. Langsgaan bij de videotheek, een videocassette of dvd huren, naar huis, de video bekijken; het gaat te langzaam. De opeenvolging van gruwelijkheden moet voor de moderne man natuurlijk wel wat sneller. Hij heeft geen Faces of Death meer nodig.

(Opgedragen aan dichter/journalist Tahar Djaout. Djaout werd in ’94 in Algerije gedood door moslimfundamentalisten).

 

Vrije pers is niet gratis: je suis abonne

13 januari 2015 | Reacties 0

Het was een opzienbarend fenomeen: hoe de oplage van Charlie Hebdo verveelvoudigde dankzij talloze sympathisanten. Of diezelfde mensen over drie jaar nog het blaadje ter hand nemen is nog maar de vraag (hoe is uw Frans? Het mijne is pover, maar ik geloof dat je suis abonné schrijft, maar van dat streepje in de titel raakt mijn cms-systeem verstoord).

Het legt iets anders bloot. We hebben weliswaar de mond vol over vrije pers, maar het gaat ook in ons eigen land niet goed met het journalistieke product. Hoewel de digitale verkoop licht steeg bij bijvoorbeeld de Volkskrant, gaat het verder al jaren verontrustend slecht met de oplagen van bladen en publiekstijdschriften.

Ik snap dat Charlie Hebdo een symbool is geworden, van een geheel andere orde dan de beduimelde blaadjes uit de leesmap die bij de Chinees en de autorijschool ter inzage liggen (maar zelfs dergelijke titels houden andere titels weer omhoog).

Het interesseert mij eigenlijk niet zoveel hoe u betaalt voor journalistiek (blende, digitale abonnementen en andere varianten), als u het maar doet. Want alleen zo kunnen we diepgravende interviews, analyses, recensies, achtergrondartikelen en reportages blijven lezen. Natuurlijk, hoofdredacties moeten ervoor waken dat er geen fantasten en andere ego's de katernen roekeloos vullen én uitgevers moeten met hun tijd meegaan, maar zonder fair trade journalistiek is het snel gedaan met die vrije pers en ontstaat er een schraal universum vol advertorials, infotainment en news light met niets dan geperverteerde meningverkondigers die per click hun ego zien groeien. 

Mooi dat we met z'n allen Charlie heten, maar voeg de daad bij het woord en betaal voor de inhoud. Koop kranten en tijdschriften, offline en/of online. Vertelt u het ook aan uw koopkrachtige kinderen, neefjes en nichtjes? Dan komen de adverteerders ook vanzelf terug. Je suis abonné.

Archief

2015

maart februari januari

2014

december november oktober september augustus juli juni mei april maart februari januari

2013

december november oktober september augustus juni mei april maart