Thomas van Aalten

I should Coco

18 april 2016 | Reacties 0

Ik ken een meisje. Ze heet Coco. Ze is een briljant wezen, dat nogal koddig uit haar ogen kijkt. Haar kreten zijn aandoenlijk, haar enorme jampotglazen maken alles nog aandoenlijker. Geef me een kamer vol Coco’s. Wát, een huis. Haar moeder zal het me afraden, maar toch.

Ze heeft het zeldzame Rett-syndroom. Het is nog exclusiever dan de eerste persing van The Reptile House van The Sisters of Mercy uit de vroege jaren tachtig – maar het is wel een stuk onhandiger om te hebben. Je verkoopt zo’n syndroom niet eenvoudig op Record Store Day. Of je haar nu gehandicapt, minder bedeeld of gewoon Coco noemt, je vált voor haar (zij zal niet zo snel vallen, want ze zit dus af en toe in een rolstoel).

Hoe dan ook. Ze gaat binnenkort naar een speciale school en moet daarvoor vervoerd worden middels een rolstoelauto. Ja, zo’n vreemd hoog ding dat je niet koopt om mee te cruisen over de boulevard, maar Coco – en vooral haar moeder – zal er erg blij mee zijn. Het ding kost wel wat meer dan The Reptile House van The Sisters of Mercy. Veel meer.

18 mille.

Ja.

18 duizend ronde euro’s.

Maar omdat Coco zo’n Pausmobiel verdient, doe ik mijn best om u, trouwe lezer, fan, maar desnoods ook mijn vijand, over te halen tot een donatie. Elke donatie is welkom. Laat u niet afschrikken door de hogere bedragen die reeds gegeven zijn, het is geen wedstrijd. Sla desnoods die Pouilly-Fumé vandaag even over en besteed dat bedrag aan Coco.

Doneren kan hier. Eenvoudig, met iDeal, creditcard, enzovoort.

Dank u.

 

Het fantoomsentiment van de jaren 90

5 april 2016 | Reacties 0

Schrijver en filosoof Jannah Loontjens publiceerde onlangs een ‘ode aan de vrije jaren negentig’ (althans, zo kun je het lezen) met haar boek Roaring Nineties. Ze zet de essaybundel nog even slim in de etalage met een opiniestuk in de Volkskrant van 4 april jl: 'Laten we kiezen voor naïef nineties-optimisme'. Hoewel het onderwerp me als generatiegenoot (we schelen vier jaar) zeer aanspreekt, moet ik helaas constateren dat ze met haar opvattingen over de jaren 90 soms een kijkfout maakt.

Jannah Loontjens baseert haar opvattingen over het decennium van de vorige eeuw grotendeels op haar eigen blik uit die tijd. Dat is een wat ongelukkig vertrekpunt, zeker als je bedenkt dat de schrijfster filosoof Derrida opvoert ‘om de dingen op een andere manier te begrijpen’.  

Grappig. Het ideale ‘wij’ dat Loontjens in haar opiniestuk deze week in de Volkskrant opvoert, geïllustreerd aan de hand van een herinnering aan een studie filosofie in de jaren 90, is het soort idealisme dat je evengoed vandaag in de collegebanken tegenkomt. ‘Een 'wij' […] dat iedereen, ongeacht religieuze of culturele achtergrond, zou kunnen omsluiten.’

Loop een gemiddelde collegezaal binnen en nog steeds zal iedereen dat als ideaal omschrijven. Even verderop schrijft ze: ‘Als iemand ons destijds de huidige polarisatie tussen moslims en niet-moslims had voorspeld, hadden we waarschijnlijk hard moeten lachen. Ook de roep om het redden van de nationale identiteit, het bestendigen van canons van Nederlandse helden, hadden we destijds nogal benepen gevonden. […] Uiteindelijk zouden alle culturen in een vrolijke gekleurde spaghetti met elkaar verweven en verbonden raken.’

Werkelijk, er is geen verschil met de huidige millennials die simultaan de wereld over reizen met een abonnement op Blendle en de Correspondent, elkaar via Facebook veel te lange essays doorsturen en afwisselen met foto’s en memes van aangrijpende gebeurtenissen.

Wat Loontjens vergeet, is dat ze steeds redeneert vanuit de eigen tunnel, in haar geval de tunnel van de hoger opgeleide post-acid kid in de Amsterdamse binnenstad in de jaren 90. Loontjens werkte in de Supperclub (een vrij exclusieve en kunstzinnige bar met veel wit sierleder en waarbij je liggend kon eten, meen ik me te herinneren). Ze voert in haar boek een anekdote op waarbij ze huilend champagne serveert: ‘Ineens moest ik huilen. Waar de tranen zo vandaan kwamen was me niet helemaal duidelijk. Maar ze stopten niet. Huilend serveerde ik, huilend nam ik bestellingen op. De gasten die mijn tranen ontwaarden keken me ongerust aan, gingen zachter praten, een enkeling vroeg me wat er scheelde, een vrouw legde haar hand op mijn schouder. […]  Ik ervoer het als acceptatie van wie ik was. Ik werd niet getroost maar ik werd ook op geen enkele manier veroordeeld.’

De Supperclub, voor mij, een tienerjongen uit een jaren 70-nieuwbouwwijk aan de andere kant van het land was dat zo’n beetje wat nu Dubai is voor een havist uit Dinxperlo: je hoorde ervan, maar wat er gebeurde, kon je niet helemaal duiden. Het waren de tijden van lounge (hoewel ik meer van Suede was), een dode Kurt Cobain, een vermiste Richey Edwards, van Douglas Coupland en Giphart, van Micha Klein en andere digitale potsenmakers.

Toen mijn vriendinnetje op de Rietveld studeerde raakte ook ik steeds meer door dat hoofdstedelijk vacuüm vol twintigers opgeslokt: de feestjes van Vrieshuis Amerika, de Nieuwe Avro op de Keizersgracht en zeg, zat er niet op de 1e Constantijn Huygensstraat niet ook een non-descripte ruimte voor debat en kunst?

Wat me opviel op die blauwe maandagen was dat eenieder zich vooral in een kennelijke staat bevond. ‘Nu heb ik genoeg over mezelf gepraat, praat jij eens over mij.’ Het was in wezen niet veel anders dan een scène van Hadimassa uit de jaren 70. Daar kun je Derrida bij halen, maar is het niet een eigenschap van een zekere kring om je zo te uiten?

In haar Volkskrant-opinie probeert de schrijfster die tijdgeest te verbinden aan de huidige. Alleen is het háár eigen tijdgeest van toen wederom verbonden aan die van haar eigen kring: ‘Er zijn ontelbaar veel immigranten, moslims en niet-moslims, die uitstekend zijn geïntegreerd. Er bestaan naast probleemwijken ook vele geslaagde gemengde buurten - zelf woon ik in zo'n buurt, het hippe Bos en Lommer in Amsterdam - er zijn gemengde huwelijken, vriendschappen en werkrelaties. We leven in een multiculturele samenleving, daar kunnen we niet omheen. Om in deze veelkleurige werkelijkheid zo goed en zo vredig mogelijk samen te leven, moeten we er met z'n allen weer in gaan geloven. Laten we het nineties-optimisme nieuw leven inblazen.’

Ah, flower children, never bore me. “Die uitstekend zijn geïntegreerd” – hallo, zeg je dat ook van een tegelzetter uit Schiedam die is neergestreken in de hoofdstad? Ik ben het eens met Jannah Loontjens als Amsterdam als progressief bolwerk goeddeels geslaagd is in de buitenwijken (we zijn trouwens praktisch buren; ik in Slotervaart, zij in Bos en Lommer), maar dat is niet representatief voor Nederland. De hoeveelheid 'gemengde huwelijken, vriendschappen en werkrelaties' is in Aalten, Heerlen en Roodeschool en Middelburg nog geen procentpunt in de kaartenbak van de statistieken.

De fout van het nineties-optimisme was dat het dikwijls verward is met laissez faire-pragmatisme. Dan kun je de privatisering van voormalige overheidsdiensten (OV, zorg, telecommunicatie), de fluwelen handschoenen bij maatschappelijke problemen en de blunders rondom Dutchbat ook nineties-optimisme noemen.

De schrijfster en ik zijn het in de kern van het verhaal met elkaar eens: dit land heeft een verhaal nodig, en dat is wat mij betreft niet het theater van de haat en angst. De peilingen met de PVV als grootste beweging vormen mijn nachtmerrie. Maar de tijd dat je als doorgegaarde vrijdenker op een matras naar het plafond kon staren en te filosoferen teneinde de wereld te redden, is hoop ik wel voorbij.

Kom, we zijn geen twintig meer.

 

De leeslijst is dood, leve de docent

30 maart 2016 | Reacties 0

Bij alle mensen die op school hebben gezeten en graag een boek lezen schuilt er diep van binnen een almaar terugkerend sentiment – dat zich overigens steeds logger, stroperiger en dreinender openbaart: dat literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs aan de goden is overgeleverd. De mindere goden, dan.

Ik overdrijf niet als ik zeg dat het elk jaar bal is. Een storm steekt op en verdwijnt weer net zo makkelijk. Max Pam laat vandaag ook weer van zich horen: ‘Trouwens, de gedachte van Kluun dat je via Kluun bij Tolstoj terechtkomt, lijkt mij volkomen uit de lucht gegrepen. Via Kluun kom je vooral uit bij kasteelromans en andere modder.’ Die dekselse Pam, liefhebber van Rhijnvis Feith toch!

Max Pam, ik waardeer hem als orakel. Als columnist, als ehemalige televisiemaker voor omroep HUMAN met Theo van Gogh. Ooit recenseerde hij voor HP/De Tijd mijn tweede roman Tupelo (2001) en hij concludeerde: ‘Thomas van Aalten gaat het maken. Later.’ Ik weet niet of ik die twijfelachtige eer heb omgezet in gouden baren, maar ik doe mijn best.

Waar heeft Pam het nu precies over? Een tijd geleden – Boekenweek, agendajournalistiek! – gaf collega Kluun in een interview met het Algemeen Dagblad aan dat de starre blik van docenten Nederlands het plezier in lezen deed afnemen bij de jeugd. Kop erboven: ‘Waarom verplicht Reve doorploegen?’ Werkt altijd goed. Retweets, persalarm! Hashtag Kluun.

Ik weet niet of Kluun en Pam allebei weten dat er überhaupt geen verplichte leeslijst is? Ik doe namelijk ook al jaren mee met deze discussie. Reve doorploegen? Niemand schrijft het voor.  Inderdaad, voor het vwo geldt van het ministerie de eis van 'minimaal drie boeken van voor 1880' – wat ik altijd een gratuite boekhoudkundige eis heb gevonden. Alles wat Kluun voorstelt mág, alles wat Pam voorstelt mág. Maar verder liggen de autoriteit en de autonomie bij de docenten Nederlands. En dat is, wat mij betreft, een zegen. De leeslijst is dood, leve de docent.

De discussie die Pam en de zijnen willen voeren is niets meer dan een roep om een canon. En voor canons ben ik huiverig. Zoals popprofessor Leo Blokhuis een blinde vlek heeft voor new wave en punk, zo hebben zichzelf verklaard kenners van de Nederlandse literatuur een blinde vlek voor alles wat zich buiten onze taalgrenzen afspeelt. Wat totaal krankzinnig is; laten we alsjeblieft niet doen of alle Nederlandse kunststromingen bij Slochteren uit de grond worden gepompt. Terwijl Pam zich verkneukelt over Rhijnvis Feith laten we Charles Dickens maar links liggen? ‘Dat krijgen ze bij Engels wel!’ hoor je dan.

Dat is nu in wezen het grootste probleem: literatuurgeschiedenis en –analyse worden vaak verward met taalonderwijs. Literatuurgeschiedenis is net als kunstgeschiedenis; daarom moet je júist wel het werk van Kluun en zijn succesvolle collega’s meenemen, net als de populariteit van dramaseries – zijn dat immers niet moderne pendanten van het klassieke feuilleton?

Of ik Kluuns werk nu wel of niet gesigneerd op handgeschept papier koester, doet niet ter zake. Het moet maar eens afgelopen zijn met het op de eigen borst roffelen door hen die de wijsheid in pacht hebben als het om literatuuronderwijs gaat – het zijn dezelfde lieden die roepen om terugkeer van de hbs en verlangen naar zoethout voor een cent. De docent is aan zet, niet de betweters die niet zelf dagelijks met een club van 30 adolescenten te maken hebben, of hun kennis baseren op vervlogen tijden.

Want ik help u uit de droom: ze schreven in ‘76 massaal boekverslagen over en lazen alleen de uittreksels.

 

Bastaardkinderen

23 maart 2016 | Reacties 0

Op 8 september ’69 wierp de 15-jarige Ali El Attar Taysir een granaat naar de Israëlische ambassade in Den Haag. Veel meer dan wat materiële schade was er niet. Hij werd geïnspireerd door El Fatah, ooit mede opgericht door Arafat (en onder aanvoering van Mahmoud Abbas nog altijd strijdend voor Palestina).

Vrijwel gelijktijdig vonden in Bonn en Brussel soortgelijke bomaanslagen plaats, waarvan die in Bonn gepleegd door de 15-jarige Hassan Ismail en die in Brussel door de 16-jarige Abdel Moneim Saadoun.

Hun archetypische ‘bastaardkinderen’ die tegenwoordig tegen het vulgaire Westen of de Zionisten optreden, zijn in de 21e eeuw niet alleen nihilistischer en bloeddorstiger, maar ook wanhopiger.

Kun je de jongens in de jaren 60 nog bijna vergoelijkend plaatsen in een tijd van linksradicale flirts en guerillabewegingen, dat is bij de aanslagplegers in Brussel, de broertjes Khalid en Ibrahim El Bakraoui, anders. Een verontrustende mix van doorgegaarde uitzichtloosheid in failliete buitenwijken, geïnjecteerd door propagandavideo’s en trainingen vol heroïsche symboliek verkleed als islamfanatisme.

Je kunt, zoals Wilders roept, de grenzen sluiten. Camera’s en gewapende milities in de straten, mensen preventief oppakken, strik erom, klaar. Het is alleen kinderlijk naïef. Je wilt dan niet weten waar de archetypische kinderen over 50 jaar toe in staat zijn.

Willen we dat voorkomen, dan moeten we ons verplaatsen in de ander, en dat kost tijd. Het probleem ligt niet in Syrië, niet in Irak, niet in Marokko. Het probleem ligt op dit moment een paar honderd meter verderop verveeld onderuit op een bank, de blik op oneindig en bereid om die blik om te zetten naar eindig. Laat een willekeurige drop out of kruimeldief uit een buitenwijk een kaart van Syrië zien, en hij heeft geen idee. Tot voor kort was hij meer verslaafd aan Red Bull dan aan de rozenrode hemel uit Sura 55.

Dat vacuüm waarbinnen de haat aangewakkerd wordt, en waardoor je kennelijk zó naar de kloten bent dat je jezelf heel pompeus opblaast: dáár moet je wat aan doen. Alleen zo masseer je je vijand uit de samenleving. 

Hoe zou het nu met zestigers Ali, Abdel en Hassan zijn? Zitten ze hoofdschuddend voor hun televisies in West-Europa, teleurgesteld en bitter over de mondiale ontwikkelingen van de afgelopen jaren?

 

Hoe ik bijna posterboy werd van OCW

9 maart 2016 | Reacties 0

Als je sedert 2000 opereert in het publieke domein, circuleren er vele foto’s en video’s in de digitale nevelslierten. Van sommige afbeeldingen hoop je dat ze langzaam zullen verdampen.

Dan valt het bij mij mee. Ik heb medelijden met de echte Champions League van politici, volkszangers, sporters, musici en televisiepersoonlijkheden als het om het vastleggen van beelden gaat.

Die ene minder flatteuze foto die opdoemt als je op afbeeldingen zoekt.  De regie in handen van algoritmen, de willekeur en gretigheid. Hoon en spot na de aanblik van etende, zwetende, bulderende of wenende subjecten.  

Ik heb een moeilijke uitstraling. Van nature heb ik een blik alsof iemand me een ingewikkelde rekensom voorschotelt – en ik ben slecht in rekenen. Vooruit, als ik contact maak kan ik vrij veel lachen, en in bewegend beeld is dat nog toonbaar, maar op een foto is een lachende Thomas van Aalten als een langzaam smeltende gletsjer of klont boter die in een hete pan desintegreert, een trein die uit de rails loopt, een omvallend decorstuk in een absurd theaterstuk.

U kunt op zijn best een grijns verwachten, maar o wee als een fotograaf mij vraagt ‘te lachen.’ Ik ga nu hier iets pretentieus zeggen. Er zijn maar een paar fotografen die mij echt kúnnen fotograferen. Keke Keukelaar, Marc Deurloo, Robert Lagendijk, Danny Schwarz en misschien nog een handjevol mensen. Ik weet niet welke gave ze hebben, maar dankzij hen voel ik me nooit dat vrachtschip dat tegen de kade bonkt.

Een paar weken geleden werd ik gebeld door een copywriter die iets voor een uitgave van het ministerie van OCW schreef over de lerarenbeurs. Omdat ik als docent van de Hogeschool van Amsterdam op dit moment een masterstudie volg en hiervoor een beurs ontvang, stond ik kennelijk in een register. Of ik niet iets wilde vertellen over het nut van de lerarenbeurs? Het zou voor een of ander blaadje voor docenten zijn. Prima hoor, bel me maar op. Er zou ook een fotograaf langskomen. Ja hoor. ‘Kun je daar even tegenaan leunen? Ja, hmm… het licht hier is niet helemaal lekker… Kun je… iets meer lachen?’

Ik kreeg het interviewtje opgestuurd. Zoals dat gaat deed de toon me denken aan een gemeentelijke uitgave waarin bewoners gescheiden afval bejubelen, maar ik haalde mijn schouders op. Als het op mbo- en hbo-instellingen zou rondslingeren had ik er geen moeite mee, omdat ik in essentie vind dat een docent zich altijd moet kunnen blijven ontwikkelen.

Maar toen was daar ineens een dame van een reclamebureau op mijn voicemail en in mijn inbox. Of ik er bezwaar tegen had dat mijn foto ook gebruikt zou worden voor een postercampagne? Ik wist even niet waar het over ging. Ik hoopte dat het iets met mijn net verschenen roman te maken had. Maar nee, de campagne was ten faveure van de lerarenbeurs. Ik opende het bestand terwijl de dame aan me vroeg of ik niet ook wilde optreden in een video die dan ‘op social media’ zou circuleren.

Daar stond ik, geshopt in een poster. Onbekende dames links en rechts van me. Mijn volle gelaat met romige krans, smeuïg lachend met de ware Thomas van Aalten op volle afstand. ‘Nee!’ riep ik. ‘Dit kan écht niet! Dit wil ik niet! Stop hiermee!’ Ik moest naar adem happen. De dame aan de telefoon reageerde wat beduusd. ‘Ook niet als we een andere foto nemen?’

Die hele foto is nog niet het ergste; ik heb genade voor de fotograaf. Het ergste is het schrikbeeld van een autonoom individu: dat je onderdeel wordt van welke mediacampagne ook, anders dan die voor je eigen zaak. Mijn citaat erboven. Alles met een corporate smaakje zal ik vergruizen onder de delete-knop. Ik treed niet op voor mooiweerpraatjes.

U zult misschien denken dat ik overdrijf. 'Stel je niet aan, wat maakt het nou uit?' Het maakt voor mij héél véél uit. Ik ben niemands posterboy, en al helemaal niet van het ministerie, hoe dankbaar ik ook ben voor een financiële toelage.

Ik ben hooguit de posterboy van mijzelf en mijn lezers. 


 

Leven als in een Zweeds prentenboek

9 februari 2016 | Reacties 0

Ik sprak ooit – zeven, acht jaar geleden? – voor een weekblad met A.L. Snijders over John Cheever, een schrijver die we beiden bewonderen. A.L. Snijders woont in een huis tussen het groen aan de andere kant van het land. Zo’n gebied met maïsvelden en een trage trekker op de lokale weg. ‘Je bent precies Orson Welles,’ zei hij toen hij me ontving. Ik zei dat hij mooi woonde. ‘Mijn kinderen zijn hier opgegroeid als in een Zweeds prentenboek,’ zei de goedmoedige schrijver van Zeer Korte Verhalen. Ik had een zwarte hoed op de achterbank van mijn auto liggen, en die had hij kennelijk gezien. De volgende ochtend schreef hij er in zijn zomercolumn in de Volkskrant over – dat Orson Welles bij hem op zijn landgoed was geweest.

Bij het lezen van de verhalen van A.L. Snijders overkomt me hetzelfde als ik de verhalen van John Cheever lees, of de verhalen van Carmiggelt. Er zakt een gordijn naar beneden. En de afstand tot wat zich daarbuiten afspeelt – het rumoer, het schreeuwen, het schuimbekken, het alledaags verval – wordt steeds groter. Bij geen van de genoemde auteurs wordt de duisternis, eindigheid of wreedheid ontkend; het is alleen vele malen gefilterd. Als je dan een paar bladzijden hebt doorgenomen, is de lucht minder zuurstofarm, zijn de spieren wat minder stram.

Een ander zou me een struisvogel noemen die zijn kop in het zand steekt. ‘Je loopt weg voor de feiten.’ De feiten, god, de feiten. De afdeling Feiten is allang failliet. De feiten leveren niet meer op dan dat ze kosten. De feiten vervliegen waar je bij staat, omdat ze vervangen worden door nieuwe feiten. Het scanderen en marcheren is allang weer in het straatbeeld terug; dat zijn de feiten.

Zoals acteurs tegenwoordig voor een groene wand acteren en de angstaanjagende achtergrond vol spuwende draken en tomeloze hoogten er later in wordt gemonteerd, zo sta ik ook tegenover de feiten. Het is er, maar het is er niet. Ik draai me om en concentreer me op iets kleins, iets aandoenlijks, iets tragisch, iets dat een verhaal vertelt.

Elke fanaticus, elke ideoloog, elke politicus, elke dj, elke tafelheer of dame, elke columnist, elke talkshowhost, elke comedian, elke betweter, elke ruziezoeker, elke revolutionair, elke antizus of prozo, en iedereen die er om heen springt als een roedel hongerige pitbulls: over 50 à 100 jaar kraait er geen haan meer naar u. Toe, leef als in een Zweeds prentenboek. Al was het maar een uur per dag.

Henry is er nu zelf ook

8 februari 2016 | Reacties 0

Maandenlang bestond Henry Imholz nog in de nullen en enen van mijn eigen verbeelding, maar nu is hij tot leven gekomen: Henry! Roman over de tijdschriftenwereld. Vanaf volgende week verkrijgbaar, wanneer het eerste exemplaar feestelijk wordt onthaald door Barbara van Beukering tijdens de presentatie in Amsterdam. Meer informatie over het boek hier.

David Bowie: iedereen zijn eigen ster

11 januari 2016 | Reacties 1

Deze titel hierboven is niet van mijzelf. Hij is afkomstig uit de essaybundel ‘Het IK-Tijdperk’ (een special van de Haagse Post destijds) uit 1979, verzorgd door John Jansen van Galen. De essays plaatsen de jaren zeventig in een retrospectief, en dat doet Jansen van Galen voortreffelijk. ‘In plaats van de christelijk naastenliefde werd een nieuw geloof afgekondigd, waarvan het enige dogma luidde: kom op voor jezelf.’ In zekere zin was David Bowie een boegbeeld van het nieuwe hedonisme en individualisme, laverend tussen soul, rock ‘n’ roll én avant-garde. Een koning die met zijn eigen ego vrijde.

Net als Warhol wist Bowie een brug te slaan tussen de massa en de subculturen. Op zowel de muziekafdeling van de Bijenkorf als op de kunstacademies heeft men al die jaren altijd vol bewondering over hem gesproken. John Jansen van Galen tekent eind jaren 70 op uit de mond van ene Guus Boers (‘van de voormalige punkgroep Flying Spiderz kortweg en de zanger Phoney and the Hardcore’): ‘Bowie bevrijdde het individu.’ Zijn act als Ziggy Stardust of The Thin White Duke plaatste Bowie in het centrum als een egomane narcist, door Henk van der Meijden van De Telegraaf na een optreden in Ahoy’ destijds liederlijk omschreven als: ‘David Bowie: monster of clown?’ waarna bands uit de punkgolf hard riepen dat ze de kitsch en de decadentie het minst nodig hadden.

(Maar uitgerekend de punk werd een beweging waarbij de uiterlijkheden, mede in gang gezet door het oranje haar van Ziggy, zo in het publieke geheugen werden gegrift. Een oma uit een buitenwijk van een provinciestad kon geen liedje van The Strangles, The Damned of Sex Pistols meefluiten, maar ze kon een punker blind omschrijven: die had een hanenkam, een lederen jack met opruiende opdrukken en veiligheidsspelden door het oor. Jansen van Galen: ‘Er kwamen verzilverde veiligheidsspelden aan hangertjes en in elke trendy boetiek hingen alras ‘originele’ punkkleren te koop.’)

Ik maakte kennis met Bowie toen ik een jaar of twaalf was, eind jaren tachtig. Daarvoor kende ik hem vooral van de unheimische clip van Ashes to Ashes die ik, al meekijkend met mijn oudere zus, ooit had gezien in een popprogramma op televisie.

Op zondagavond, uren nadat ik het bed van mijn suburbane slaapkamer had opgezocht, luisterde ik stiekem op mijn radio naar een programma – ik gok iets van de bevoogdende KRO – waar ‘Heroes’ van Bowie werd gedraaid. Het blikkige geluid van bewerkte gitaren, de wat lijzige en arrogante stem van Bowie die stelde dat hij een koning zou zijn en als een dolfijn zou zwemmen met zijn geliefde, helden voor niet langer dan een dag. Ik ga er vanuit dat ik de tekst op die leeftijd niet geheel doorgrondde, maar er ging een opwinding van uit die me aanzette tot het houden van een spreekbeurt op school over David Bowie.

In de Openbare Bibliotheek in Huissen haalde ik behalve OOR’s Eerste Popencyclopedie ook een ander boek, alleen maar over Bowie. Een foto van hem als pantomime-artiest. Een citaat dat hij als tiener eens een jongen naar zijn kamer nam en hem vol op de mond zoende. Toen Bowie niet veel later op zou treden in Nijmegen, niet ver van mijn geboortedorp Huissen, dacht ik dat het een complot was van boven. De man waar ik als tiener een fascinatie voor ontwikkelde, zou neerdalen op mijn territorium.

Op de middelbare school ging de fascinatie voor Bowie gestaag verder. Ik ontdekte dat vrijwel alle muziek (The Cure, Suede) die ik goed vond op een of andere wijze een lijntje scheen te hebben met Bowie. Eigenlijk zijn al mijn favoriete albums van Bowie uitgerekend de albums waar het organische geluid van akoestische gitaren is verbannen. De proto-industrial van Low en Scary Monsters, het anonieme metaal van Station to Station, de hese cokesoul van Young Americans, het volvette Let’s Dance (volgens de onderbuiken van critici het minst geliefde album, maar ik vind het geweldig) maar ook in latere albums als Heathen (2002) en The Next Day (2014): steeds voel ik bewondering voor de rare blend van tekstuele cut-ups, geleende geluiden gesmeed tot originele melodieën en een frisse productie die tot de typische Bowie-sound leidt.

In 2004 hád ik Bowie kunnen zien in de ArenA Boulevard, godbetert op het terrein waar een verwaaide Febo, een kantoor van de Deutsche Bank, een elektronicagrootgrutter en een meubelboulevard het decor vormen. Ik had twee kaartjes, maar ook een verbroken relatie met een meisje dat later naar Berlijn vertrok om er kunstfotografe te worden. Melodramatisch bood ik haar de kaartjes aan, met de mededeling: ‘Ga jij alsjeblieft en maak er een mooie avond van.’ Ze had ze verkocht. Ik denk dat het mijn bewondering voor Bowie alleen maar heeft aangewakkerd. Een vriend die er wel was geweest, stelde nuchter: ‘Delen van het stadion waren afgedekt met zwarte doeken omdat het niet was uitverkocht.’

Als Bowie nu terug zou keren, zou hij vijf keer de ArenA uitverkopen. Het is het wrange lot van de onvermijdelijke gevallen en opnieuw herrezen ster. Hij is de enige die nu nog mythisch kan blijven. Mijn oudste dochter, aan wie ik het nieuws vanochtend op de fiets naar school vertelde (waarom weet ik niet, behalve dan dat ze wel eens met volledige verbijstering naar de clip van 'Starman' had gekeken op YouTube): ‘Maar zijn muziek is nog niet dood.’

Daar zei ze als achtjarige in een zin vermoedelijk wat nu heel veel mensen (waaronder ik) zullen vertellen dit jaar. Iedereen zijn eigen Bowie. En ik ben heel eerlijk als ik zeg dat ik meer sympathie voel voor de kapster uit Oostvoorne die Let's Dance meefluit met Radio Veronica, dan de goedesmaakpolizei die zich zal verdringen om de Ware Bowie op te eisen.

(Het knipsel dat ik gebruikte als illustratie bij dit artikel is afkomstig uit de Telegraaf van 26 juni '89 en gaat over Tin Machine)

 

Henry! in het echt

30 december 2015 | Reacties 0

Het zal u als wellicht niet ontgaan zijn; de voorbereidingen voor de lancering van mijn nieuwe roman Henry! zijn in volle gang. Vandaag kwam de tijdschriftdummy van de persen rollen (binnenkort als gratis promomateriaal verkrijgbaar bij uw boekhandel); op 19 februari vindt de bonte presentatie plaats in Amsterdam. Houd dus de website van Henry! in de gaten voor updates (en bekijkt u ook gerust de trailer daar).

Hyperrelativeren

24 november 2015 | Reacties 0

Na de aanslagen in Parijs op 13 november en vanwege de huidige spanning in Brussel merk ik dat in mijn virtuele kennissenkring (lees: Facebook en Twitter) een tweedeling ontstaat. Nee, geen polarisatie in de sfeer van PVV-sympathisanten versus moslimfundamentalisten, maar een tweedeling tussen angstige of wantrouwende mensen en ‘hyperrelativeerders’. De laatste groep is soms nodig, maar klinkt de laatste tijd wel ergerlijk luid (de kans is overigens groot dat ik af en toe ook tot die groep behoor).

Het zijn de mensen die, als je net je grote teen tegen een scherpe rots hebt gestoten, roepen dat je nagelriem vermoedelijk niet beschadigd is en dat hun neef in ’87 een veel grotere blessure had. Mensen die bij elke file roepen dat ze een keer in India vier uur over twee meter hebben gedaan. Het zijn mensen die in allerijl uit de archieven allerlei berichten opdiepen om aan te tonen dat de RAF of een Molukse splintergroepering veel actiever was in Nederland dan IS/Daesh tot nu toe.

Absoluut, relativeren is mooi en broodnodig. Maar het wordt pathetisch als je als hoogopgeleide dertigminner (liefst met een ZZP-klusje bij een quasidiepzinnig online platform) permanent de ene na de andere infographic uit de mouw schudt om maar aan te tonen dat de doden in Parijs ‘écht heel erg zijn hoor, maar in vergelijking met…’ Het superioriteitsgevoel van deze betweters wiens wereld niet groter is dan de reeks updates van het rijtje Huffington Post, Guardian en blogs met veel te veel tekst, maakt me cynisch. Hyperrelativeren, noem ik dat. Met je wijsvingertje veel te moeilijke essays retweeten, eigenlijk uit angst omdat je het eigenlijk ook niet weet.

Bang zijn hoeft niet altijd, maar twijfel is een gezonde eigenschap. Als men op de wereld af en toe wat meer twijfelde en bedachtzamer reageerde, hadden we een hoop minder ellende. Relatief, dan.

Archief

2016

april maart februari januari

2015

december november september augustus juni mei maart februari januari

2014

december november oktober september augustus juli juni mei