Thomas van Aalten

De klare lijn: over Bowie, Van Essen en De Beaufort

26 oktober 2014 | Reacties 1

Bowie, portret van Luc Verschuuren

Afgelopen zaterdag gaf muziekrecensent Gijsbert Kamer in de Volkskrant de nieuwe Bowie-biografie (eenvoudig getiteld: ‘Bowie’) van Wendy Leigh één ster. Het is duidelijk dat Kamer niet zit te wachten op de gossiphonger van Leigh, die als schrijfster meer geïnteresseerd scheen in Bowies bedpartners en de band met zijn moeder dan de feedbackgitaar van Robert Fripp. Toch is er wel degelijk iets interessants te lezen in dat boek over Bowie – ik weet onderhand ook niet meer wat ik als fan allemaal wel en niet meer heb gehoord en gelezen sinds ik in groep 7 van de basisschool een spreekbeurt over hem hield – het eindoordeel van Kamer geeft vooral aan dat de muziekliefhebber Kamer is teleurgesteld. Maar er is nog genoeg interessants te lezen - of anekdotes te herlezen vanuit een ander perspectief. De geplande ontmoeting tussen Bowie en Marlène Dietrich die er nooit kwam, Bob Dylan die geweigerd werd bij een Bowie-concert omdat ze dachten dat hij zwerver was, dat Freddy Mercury ooit op een kledingmarkt laarzen verkocht en zo Bowie er eentje liet passen (het ene icoon in wording knielt voor het andere icoon in wording!) - het zijn kleine snippertjes boulevardpers, maar die horen er ook bij.

Het boek an sich is wat mij betreft geen veredelde knipselmap, al blijft het raar om een boek te lezen over iemand terwijl de persoon in kwestie (Bowie) niet specifiek voor het boek is geraadpleegd, maar vooral wordt geïllustreerd aan de hand van types die weggelopen lijken uit een derderangs Shownieuws-panel (opvallend veel orgie-getuigen).

Ach, het is een mooie reminder om de zoveelste luxe verzamelbox Nothing has changed aan te schaffen.

Wat is de functie van een literair recensent (en misschien geldt die vraag ook voor de muziekrecensent, de theaterrecensent en de kunstrecensent)? Een goede recensent heeft meerdere functies. Voor de uitgever en de schrijver is een positieve recensie vooral het verlengstuk van de pr-machine. Leuk als het om een positieve recensie gaat, maar bij een negatieve recensie maakt het ook eigenlijk ook niet veel uit: de naam van het boek is weer genoemd, prima.

Een eindoordeel met één ster of zelfs twee vind ik zelf beter dan drie sterren; drie sterren, dat is een schouderklopje, een christelijke zeven, een voedzame maaltijd, een muzakje tijdens het wachten op het herentoilet. Bij één of twee sterren kun je tenminste nog manmoedig roepen dat de recensent je werk niet heeft begrepen.

Al had Kamer vijf of nul sterren toegekend, ik had het boek toch wel gekocht. Een recensent kan door zijn sombere oordeel mij juist ook prikkelen; als NRC iets slecht vindt, vind ik het meestal goed. Recensent (en schrijver) Deniz Kuypers herinnerde mij er met zijn recensie aan dat er nieuw werk van Rob van Essen verscheen. Dat wil zeggen: ik wist allang dat Van Essen weer een nieuwe bundel met verhalen had uitgebracht, maar nu moest ik naar de winkel om snel te lezen dat Deniz Kuypers met zijn oordeel van twee ballen volledig ongelijk heeft, maar wel veel, veel meer ongelijk dan Kamer over Bowie van Wendy Leigh.

Toevallig is een van de verhalen van Van Essens nieuwe bundel vernoemd naar een nummer van David Bowie: Boys Keep Swinging (in de clip van dit Bowie-nummer zie je de zanger onder meer als travestiet zijn pruik afsmijten en zijn lipstick afvegen, een theatrale act die hij leende van de transgender-performer Romy Haag).

Genoeg over Bowie. Van Essen schrijft in zijn verhalenbundel Hier wonen ook mensen zoals tekenaar Joost Swarte illustreert: je herkent wat je ziet, maar de scène en de personages zijn ontwricht. Het verhaal ‘Terug naar huis’ beschrijft een echtpaar dat ’s nachts door een woonwijk rijdt, op weg naar haar ouders, om te controleren of zij nog wel leven. Zij leven nog – zachtjes snurkend in dat donkere huis – maar wat doet die kat binnen? Misschien moet die dan toch verjaagd worden, of hebben ze sinds kort katten? Herhaaldelijk verlaten ze het huis en keren weer terug. ‘Nu gaan we niet meer terug,’ verzucht de hoofdpersoon terwijl ze van de parkeerplaats wegrijden, in een wijk waar nergens licht brandt. 

Diezelfde woonwijkmelancholie herken je ook in het verhaal ‘Auto’s in de beginnende avond’, over oom Evert (die ook later zal terugkeren in een ander verhaal, zoals een karakter met de mysterieuze naam Scipio ook meerdere keren voorbijkomt) die naar een tekening van zijn neefje kijkt en concludeert dat je zo geen vliegtuig tekent. Hij neemt zijn neefje naar het vliegveld en laat hem zien hoe die vleugels aan de kist zitten. ‘Jij tekent dit natuurlijk uit je geheugen, hè, zoals je denkt dat het was. Maar wat is tekenen. Herinneren? Nee, wáárnemen. Zo is het: tekenen is waarnemen.’

En dan staan ze daar, tussen de vliegtuigspotters: ‘Nu gaan we wachten tot er eentje landt.’ Waarnemen en herinneren, het zijn precies de handelingen die Van Essen feilloos lijkt te doen, droog en zonder opsmuk. Maar ondertussen spelen zich de meest krankzinnige scènes af.

Elk verhaal van Van Essen is in deze bundel opgebouwd vanuit een goed idee, zoals een van de beste verhalen van John Cheever ook is bedacht rondom één briljant idee: De zwemmer, over een man die besluit van poolparty tot poolparty in de Amerikaanse suburbs naar huis te zwemmen, terwijl hij uiteindelijk niet meer dan zijn zwembroek blijkt te bezitten. Iets vergelijkbaars gebeurt in Van Essens ‘De mensen die alles thuis lieten bezorgen’, over een buitenlands echtpaar dat bij de buren van de protagonist een etage huurt voor een vakantieweek. De man en vrouw vinden het maar vervelend dat er geen lift in het appartementencomplex zit; ze komen hun tijdelijke etagewoning amper uit. Ze laten al hun eten bezorgen. De protagonist beziet het van een afstand, tot het misgaat. Ik zal niet verklappen hoe het precies gaat, maar als de verteller vervolgens in de keuken van de buren belandt met een politieagent die oog heeft voor het inrichten van het keukenkastje, ben je weer in een vintage prent, getekend met de klare lijn, beland. Je snapt wat je leest, elk woord komt aan – maar wat gebeurt er in vredesnaam?

Collega Binnert de Beaufort maakt gebruik van diezelfde klare lijn, hoewel hij soms net barokker of archaïscher uit de hoek kan komen, maar zeker niet minder geestig. ‘De wat zweterige chauffeur met zwarte snor was waarschijnlijk een nijvere beambte van de Stasi […] Wij wisselden vriendelijke beuzelarijen uit.’ Een paar maanden geleden verscheen Man Haalt Rijbewijs (‘een auto biografie’), maar wie verwacht dat het gaat om een kolderiek meeneemboekje voor, van en over klungelige chauffeurs, heeft het mis. Man Haalt Rijbewijs is meer; het is een inleiding tot de camera obscura van respectievelijk corpsstudent, Quote-journalist en vader Binnert De Beaufort, met de auto als letterlijk en figuurlijk vehikel voor het verhaal.

Het gaat van prachtige reportages over een tocht die hij door de DDR maakte met zijn vader (die destijds een functie als griffier in de Tweede Kamer bekleedde) tot een aangrijpende zoektocht naar het verhaal achter een fataal auto-ongeluk waarbij zijn goede vrienden betrokken waren. Zijn vriendschap met Jort Kelder lijkt op het eerste oog voor de lezer misschien banaal, maar omdat het niet hijgerig of obsessief starfuckerig overkomt (trouwens, Kelder was helemaal geen star toen De Beaufort net bij Quote kwam te werken), leest het verslag van de Quote Challenge (een soort puzzelrit voor dure auto’s) als een roadtrip van het oude geld, met de nodige uitspattingen.

Uitgeverij Prometheus heeft wellicht de fout gemaakt om dit boek als boekje in de markt te zetten, inclusief roze rijbewijs als cover. We hebben hier verdorie te maken met een boek. De auto in al haar facetten als rode draad in het leven; het is mooi gedaan.  

Het is de klare lijn van de taal die de verhalen van Van Essen met die van De Beaufort verbindt. Taal met humor en frisheid, taal die zegt wat er gebeurt zonder het te verklappen.

Om maar weer met Bowie af te sluiten: in hetzelfde Berlijn dat De Beaufort beschreef, maar dan aan de westzijde van de muur, wilde Bowie een paar jaar ervoor nog zijn auto in een parkeergarage uit de bocht laten vliegen. Dramatisch sterven als James Dean. Hij schreef er later het mooie nummer always crashing in the same car over, dat belandde op het album Low. ‘Ik zat vol zelfmedelijden,’ gaf hij later toe.  

Ik koester Van Essen en De Beaufort als kunstbroeders. En we zullen blijven swingen (al moet je dat niet verkeerd opvatten).

(De prachtige tekening van Bowie bovenaan dit stuk is gemaakt door Luc Verschuuren, een artiest die ik ook zeer bewonder).

 

De dresscode van Hemingway in Floor 17

1 oktober 2014 | Reacties 0

Langs de ringweg A10 zit sinds enige tijd het Ramada Apollo hotel. Als ik mijn neus op het geluidswerende raam van ons appartement druk en naar links kijk, zie ik de rode letters van het logo op het dak.

Gisteren gingen we nog eventjes naar de hotelbar Floor 17, die op de zeventiende verdieping van dat voormalige GAK- UWV- en Pink Roccade-gebouw zit. Ik was er al eerder geweest vanwege het fraaie uitzicht. Op de achttiende zit ook nog een dakterras. Je waant je in een echte stad, kom daar maar eens om in de binnenstad.

In de nis bij de sierhaard was nog plek. Verder werd de bar bevolkt door expats, hotelgasten en mensen zoals u en ik die zich verwonderen over het uitzicht en de relatief kleine stad waarin we wonen. De inrichting is van het kaliber meubelboulevard-hip. Veel synthetische materialen, paars licht, hoge krukken aan hoge tafels en wat loungemuzak. Maar dat uitzicht hè.

Een paar maanden geleden was ik er met mijn ouders na de maaltijd (die we thuis gebruikten) om koffie te drinken. De ober – die, soit, geen Nederlands sprak – begreep niet dat we om taart vroegen (dat zou ik doen, als hotelier: een deal met Holtkamp en draaien maar). Er was een kaart met hangop en een kaasplank, maar dan moesten we in een restaurantgedeelte zitten. Enfin. Geen taart. Kan gebeuren. Koekje bij de koffie. Dat uitzicht hè.

Gisteren werden we hartelijk ontvangen door een blonde dame die vroeg of we ‘een drankje kwamen doen’. We bestelden een rode wijn en een verfrissende mix van bourbon en ginger ale in een longdrinkglas. Tot zover was alles goed. Vooral dat uitzicht hè.

Op de bank tegenover ons zat een gezelschap van twee echtparen. Een van hen had het postuur van de Kerstman. Je zou hem ook als Ernest Hemingway of Slavoj Zizek kunnen typeren. Een goedmoedige intellectueel, ik verwachtte een verleden als docent econometrie, of misschien wel een vertaler van Finse poëzie. De vier Nederlandse hotelgasten - ze hadden het immers over hun kamers - keuvelden wat op gedempte toon.

Na een tijd kwam een gastheer van het hotel bij het viertal zitten, na dit op enige omslachtige toon te hebben verkondigd (‘mag ik er heel even bij komen zitten?’, onderwijl vermeend kordaat eenmaal met de handen te klappen). De knul, wellicht nog in opleiding van de hotelschool, was vermoedelijk door zijn manager op de vier afgestuurd. ‘Het gaat om de dresscode…’ Hemingway droeg een grote blauwe trui. Hij had geen morsige overall, sprak niet met consumptie, bralde niet. Een grijze dame, ik veronderstelde zijn vrouw, was verbijsterd. Terecht. ‘Daar is ons niets over verteld toen wij hier incheckten…’ Het ging volgens de knul om de sportschoenen van Hemingway.

Ik wilde opstaan en me in het gesprek mengen, maar dat mocht niet van mijn partner. 'Het gaat nu niet om jou.' Ik mompelde: ‘Zo kun je oorlogen ook duiden. Door niets te doen, zwaai je nu de trein naar Dachau uit,’ zei ik met kokend bloed. ‘Dan schrijf je er maar een stukje over,’ zei ze sussend.

Een opmerking over gymschoenen van een grijze heer in Floor 17, dat godbetert vier televisieschermen met een voetbalwedstrijd vertoonde. Floor 17, dat met de vele paarse verlichting de neo-chic van een hotel in de Emiraten tracht te evenaren. Floor 17, in een hotel dat godbetert langs de ring A10 zit, en dagelijks wordt bevolkt door touringcars vol Russen. Floor 17, dat in vergelijking met de sonates van Bach, uitgevoerd door een kamerorkest in het Amstel Hotel niet meer dan een mp3 van een Phil Collins-nummer is. Floor 17, dat in vergelijking met hoge kunst niet meer dan een godvergeten stockfoto is. Niets mis mee, maar uitgerekend op déze plek begint een knul over de dresscode van een normale man die ook nog eens geld in het laatje brengt? 

De heer hield zich hoffelijk en zei dat hij van niets wist. ‘Door me nu weg te sturen, loop je een hoop centen mis,’ zei hij met een glimlach. Zijn vrouw reageerde verbolgen. De knul wentelde zich in allerlei excuses en voorzichtige aannames.

Dat er met regelmaat de fitnessboy met tatoeages, in parfum gedrenkte zongebruinde dames, de nieuwbakken advocaat, de vastgoedbaron en de Oost-Europese nieuwe rijken plaatsnemen aan de bar, hindert het hotelpersoneel niet. Maar een Hemingway met sportschoenen schendt de dresscode.

Al had ik als hotelier meer geld dan een oliebaron, ik zou niet willen regeren over zo’n verschrikkelijke organisatie. Al win je dan de prijs voor Wyndham Hotel Group EMEA Hotel of the Year 2014. Overigens lees ik niets over dresscodes op de website. Dresscodes zijn een teken van verarming en wanbeschaving. Net als bij Jimmy Woo en al die andere non-plekken in de stad, behangen met kleren van de keizer. Dacht je dat een ober in een afgelegen restaurant aan de kust van Monopoli in Zuid-Italië over je sportschoenen begint? Nee, en dan serveert hij je wel honderd keer betere spijzen en dranken.

Het viertal bleef zitten. Ze bestelden nog meer flessen wijn. Na tien minuten droop de knul af, na een oeverloze discussie over gastvrijheid, excuses, reglementen, dresscodes en doelgroepen.

In gedachten zag ik de geest van de echte Ernest Hemingway rondwaren, grinnikend, met een jerrycan vol benzine op de zeventiende verdieping, die hij zou legen over het meubilair. Daarna zou hij zijn smeulende Havana op het skaileer werpen.

Dat uitzicht hè. Dan maar thuis zitten en kijken vanaf mijn eigen tweede verdieping.

De grootste robot is de regering zelf

30 september 2014 | Reacties 0

‘Angst voor robot leidt tot sabotage,’ kopte de Telegraaf in augustus 1982. In het Nederlands Dagblad schreef een journalist in 1978: ‘Een oude angstdroom steekt de kop weer op en waart rond in de bezorgde hoofden van vakbondsleiders, politici en toekomstvoorspellers: de robots rukken op. De nachtmerrie begon al rond 1910, toen de onlangs overleden filmproducent Fritz Lang zijn pathetische stomme toekomstfilm „Metropolis" uitbracht, waarin hij de automatische werkmachine de mens terzijde liet schuiven. Sedertdien is de robot hoofdrol blijven spelen in de sciencefiction-literatuur.’

En de kop van de Volkskrant vandaag, 30 september 2014? ‘Asscher: Robot bedreigt veel banen.’

Gisteren zag ik vice-premier Asscher in het nieuws praten over dit onderwerp. Hij vond dat we moeten anticiperen. Zo is het volgens de vice-premier / minister zaak dat we de lesprogramma’s in het onderwijs moeten aanpassen. Dat is misschien wel zo, maar niet om de redenen die Asscher noemt.

Geen mens klaagt over de espressomachines op kantoor, de slimme navigatiesystemen in de auto of de machine die een Snickers verkoopt. Of het moet de kwaliteit van de koffie, de onjuistheid van de route of het hoge bedrag zijn, maar de innovatie heeft ons niet in de steek gelaten. De Deltawerken, niemand zal het in zijn hoofd halen om dát als toonbeeld van dystopie te noemen, eerder het tegenovergestelde. Dat weet Asscher ook heus wel.

De Volkskrant vanochtend: ‘... Dankzij digitale technologie is het beter mogelijk om leerlingen in hun eigen tempo onderwijs te laten volgen, zei hij (Asscher, tva). Scholen moeten kinderen opleiden tot een soort improvisatiekunstenaars, die ad rem kunnen inspelen op veranderingen in de economie. 'Niet trainen op routine, maar op het onverwachte. Niet op feiten, maar op creatief analyseren en nieuwe wegen zoeken.'

Dat zou sowieso moeten, los van de robots. Ik keek laatst een geschiedenisboek in van mijn nichtje in de brugklas. Nog steeds veel jaartallen en vrij holle informatie: noem drie kenmerken van een horige. Een gemiddelde scholier werkt nog steeds in rijen van twee met een lesboek voor de neus en een SO of proefwerk aan het einde van de rit dat altijd over 'Hoofdstuk zus tot zo' gaat. Door het hoepeltje gesprongen? Mooi. Afvinken en vergeten.

Ik heb het zelf als zeer matige scholier bij Aardrijkskunde gehad met de rijtjes van kleilagen in ons land. Ik herinner me nog één term: lössgrond. Wat het ook alweer is, moet ik nu googelen.

Creatief analyseren is mooi ingefluisterd door Asschers spin doctor, maar laat Asscher dan even praten met zijn collega-robot, staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs. Teach what you preach. Geen tak in onze maatschappij wordt zó gescreend, getoetst, doorgelicht en gemonitord als de onderwijsbranche. Daar is niets onverwachts aan. Meer taalonderwijs, gymnastiekonderwijs, en vooral talenten, het gaat om de tóp – steeds wordt er weer met de vinger gewezen. Het ministerie wil iets, de vakbonden willen iets, de koepelorganisaties willen iets, de besturen en directies willen iets, de docenten willen iets, en de scholier wordt langzamerhand een cyborg die helemaal niet bezig is met onderwijs. Die legt vervolgens een Centraal Schriftelijk Examen af. Zo kan een student in het eerste jaar van het hbo terechtkomen met een keurige 7,3 op zijn havo-eindlijst. En dat ziet er goed uit, die willen wij graag aan de poort. Dat die 7,3 niets zegt over creativiteit of individuele voorkeuren omdat die termen in geen enkele exameneis voorkomen, is verschrikkelijk jammer. Tot zover mijn creatieve analyse.

Terug naar de robots die ons tegen gaan werken. Melkrobots, postbezorgende drones, zelfrijdende auto’s: waarom zou dat geen nieuwe werkgelegenheid creëren? We hebben door alle schaalvergrotingen op de wereld steeds meer behoefte aan overzicht en betrouwbaarheid. Ik vind het niet erg dat mijn auto zelf rijdt, maar dan moet-ie er wel een beetje leuk uitzien. Misschien wil ik wel een vintage customized ontwerp uit Eindhoven. En een robot om te stofzuigen bij mijn ouders die ik vanaf hier kan aansturen vind ik geen straf, maar een bejaarden- of verzorgingstehuis bestaat wellicht over twintig jaar niet meer. Dan wonen mijn ouders bij mij. Als ze me maar niet door gekte ingegeven proberen te wurgen, zal ik dat dragen als een man. De eenzame bejaarde zonder familie kan dan alle aandacht krijgen van de nu zwetende en stressende in voortdurende tijdnood verkerende verplegers.

Asscher hoeft zich niet over die robots op te winden. De lantaarnopsteker of kolenboer bestaan ook niet meer. Hij moet zich over de surrealistische en bureaucratische situatie opwinden, waarbij werklozen veel werk moeten verrichten om een uitkering te krijgen – en zo weer banen innemen van mensen die dat werk eigenlijk betaald zouden kunnen doen. Ik denk dan aan de plantsoenendiensten, de chauffeurs van gehandicapten, enzovoort. Dat werk wordt nu dikwijls gedaan door mensen met een uitkering.

Een slimme robot, die weet hoe hij de gemeentestruiken moet bijpunten en de grond moet schoffelen en de omgeving schoon moet houden, gaat heus niet de mens vervangen. Daar is zo’n cyborg net wat te duur voor.

 

Haaksbergen, o the thrill of it all

29 september 2014 | Reacties 2

Ik las vanochtend in een analyse in de Volkskrant over het ongeval met de zogenaamde monstertruck in Haaksbergen. Twee experts bespreken in dit artikel de veiligheidsrisico’s van stunts met monstertrucks in het bijzijn van publiek, slechts gescheiden door een dranghek.

Een van de experts is een directeur van het ‘Event Safety Institute’. De term alleen al is symbolisch voor deze tijd. Onze levens zijn al een beleving, vol van entertainment – een event. Zelfs op vakantie met je familie moet je, als ik reisprogramma's en bladen geloof, aan actieve sportbeleving doen. Worstelend met beschermende helmen en polyester tenten – er mag niets misgaan, safety! – werken hele gezinnen zich in een crisis op een steile bergwand of in ijzige meren.

Dat geen van de experts ruiterlijk toegeeft dat het onbegrijpelijk gedrag is om ten eerste met enorme trucks over auto’s te rijden en ten tweede om daar naar te kijken, verrast mij. O, Haaksbergen, the thrill of it all. De burgemeester, Hans Gerritsen, kan ik niets kwalijk nemen, het is vermoedelijk een traditie en dit festijn vond al jáááren naar alle tevredenheid plaats – let op, vanavond zit er iemand bij een talkshow aan tafel die er verstand van heeft en zegt dat hij niet snapt dat de organisatie niet zus of zo. Gelukkig heeft De Onderzoeksraad voor Veiligheid een onderzoek ingesteld.

Er kan beter een Onderzoeksraad voor Krankzinnigheid en Absurdisme worden ingesteld. Op een gemiddeld stads- of dorpsplein zie je hooguit wat banale uitingen vol klederdracht, talentenjachten, kaasdragers, springkussens, slechte clowns of verregend beachvolleybal. Maar er zijn kennelijk ook evenementen met monstertrucks. Die over auto’s heen rijden. Ze bestaan (niet perse alleen in Haaksbergen), inwoners van een betrekkelijk welvarend land die evenementen als dit wel normaal vinden, en een opera maar een ingewikkelde verkwisting.

Ik stelde me voor dat ik een oom of een verre neef in Haaksbergen had en dat ik daar op bezoek was. En om de zuurstofarme woonkamer na de lauwe sinas en het schuimgebak te ontvluchten, ging ik met mijn dochters naar het plein, afgaand op het rumoer in de kleine gemeente. Wat is dát, papa? Dat zijn zotten in een grote auto. Doen ze daar hun boodschappen mee? Ik denk het niet. Waarom staan die andere auto’s daar? Daar rijdt die grote overheen. Is dat normaal, papa? Ik denk het niet.

En dan kijk ik met mijn bijna twee meter lengte over de kalende achterhoofden van nieuwsgierige vaders heen, sommigen met kleine kinderen op de schouders, ze joelen van fascinatie en spanning en dan vliegt zo’n monstertruck uit de bocht en komt op je af – en neemt de kinderen mee de dood in. Misschien wel mijn kinderen.

'Hoe kon het zo misgaan in Haaksbergen?' vraagt de Volkskrant zich af. Al stonden er betonnen muren, strobalen of niks. Het gelul over veiligheidsrisico’s en safety institutes vind ik minstens zo oorverdovend als het geraas van monstertrucks. We zijn als mensen met vrije tijd op zoek naar perversiteiten, grensoverschrijdingen en flirten met de zelfkant. Om die reden vinden we het ook al decennia leuk om naar acrobaten te kijken, aan een elastiek van de Euromast te springen of op wandelvakantie door een gevaarlijk berggebied te gaan. Overleven hoeven we kennelijk niet meer, dus zoeken we andere manieren om de dood in de ogen te kijken.

De echte monsters zijn we zelf. Daar is geen instituut tegen opgewassen.

Burgemeesters in den lande: houd het bij springkussens, slechte clowns en matige jazz. En anders gaan de inwoners van uw gemeente maar naar de krankzinnige opera of lezen ze maar een absurd boek, als ze zich vervelen.

 

Wat Drs. P in 1957 over mijn overgrootvader schreef in een Goethe-pastiche

21 september 2014 | Reacties 0

Ik vond van mijn overgrootvader P. van Aalten een aantekenblok, waarin hij belevenissen aan het begin van de 20e eeuw als jonge onderwijzer beschrijft.

Zo beschrijft hij een schoonmaker van de Nijmeegse kweekschool: 'Ongetwijfeld had hij officiële poetsmiddelen tot zijn beschikking, maar het scheen ons toe, dat hij meer heil verwachtte van een ruime hoeveelheid speeksel, krachtig gevoed door de altijd aanwezige tabakspruim.' Of, over vioolles: 'Boven bevonden zich ook twee hokken, die ons gelegenheid gaven te studeren voor vioolles, waarin allen, muzikaal of niet, moesten deelnemen. Het gejammer, dat uit deze ruimten naar buiten drong, stelde hoge eisen aan het incasseringsvermogen van degenen, die zich in de buurt ophielden.'

In 1937, hij was inmiddels onderwijzer, reed overgrootvader Van Aalten in een Ford, en deed dat niet met de grootste vaardigheid. Een van zijn pupillen aan het internaat Klein Warnsborn in Arnhem was de toen 18-jarige Heinz Polzer (de latere Drs. P). Bij het afscheid van mijn overgrootvader van het pedagogisch instituut in 1957 schreef Polzer een gedicht. Ik wist van het bestaan van dit gedicht (het hing jaren bij mijn ouders op een prikbord), maar nu vond ik hem weer in een speciaal afscheidsdocument met teksten van oud-leerlingen. Het is een variant op Goethes Erlkönig.

'Naar aanleiding van de nieuwe Ford, die in Maart 1937, onder grote belangstelling en met aller instemming werd aangeschaft, verscheen het volgende gedicht:

FORDKÖNIG
(Met stilzwijgende goedkeuring van de heer Goethe)

Wer Fährt da so spät an düstern Ort?
Das ist Herr Von Ahlten mit seinem Ford.
Er hält das Steuer wohl fest in der Hand,
Denn es gibt viele Bäume in Gelderland.

"Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht?"
"Riechst, Vater, du das Giftgas nicht?"
"Aber mein Sohn, du irrst dich sehr,
Es ist mein Zigarre, Karl O Popülär."

"Vater, der Schutzmann dort ruft: Halt!
Hast du deinen Steuer wohl bezahlt?"
"Sei ruhig mein Sohn, ich habe es hier,
Mein Generalreichtskraftwagensteuerpapier."

Herr von Ahlten ist ein vorsichtiger Mann;
Darum kam er ohne Unfälle an.
Nachher ist nichts Interessants gescheh'n
Ich brauche also nicht weiter zu gehen."

Heinz Polzer

Of Polzer ook de man uiterst rechts is op de foto hierboven, weet ik niet zeker. Dat moeten de experts maar uitwijzen. Ik trof hem op een foto in het afscheidsdocument.

Gewoon goede verhalen

21 september 2014 | Reacties 0

In een lang betoog probeert Peter Breedveld te reageren op mijn stuk van eerder deze week over het nieuwe 'rechtse' journalistieke initiatief, Jalta. Probeert, schrijf ik, omdat Peter 'Frontaal Naakt' Breedveld dingen leest die ik volgens mij niet schreef.

Ik reageer er kort op. Waar het mij om gaat, beste lezers, is dat ik vóór elk nieuw initiatief ben - de vergelijking met zijn anekdote uit 1997 over een chef die argwanend richting internet kijkt, gaat dan ook mank. Dat is het punt niet. 

Waar ik een probleem mee heb, is dat initiatieven opgericht worden waarin duidelijk geageerd wordt tegen het bestaande, zeker als de politieke kleur zo benadrukt wordt. Ik vind dat een ongezonde manier van denken: ik schrijf toch ook geen boeken omdat anderen de taak laten liggen? Daar gaat het me om: prima als je met veel tamtam je journalistiek collectief aankondigt, maar omdat het andere (o cliché) 'drie keer de Volkskrant is', lijkt me het geen goed startpunt.

En daarom relativeerde ik: met een online initiatief, hoe ambitieus ook, blaas je niet het publieke omroepbestel ('drie keer de Volkskrant') omver, stoot je niet de Telegraaf van de troon. Dat is geen reden om iets niet te doen, dat klopt. Maar maak vooral verhalen omdat je ze noodzakelijk vindt.

Veel origineler vind ik dan wat dat betreft TPO. Voorbij het eigen gelijk. Op die plek word ik nog eens verrast. Een van de fusiepartners die later opging in TPO, De Nieuwe Pers, heb ik dan wél bij aanvang financieel gesteund. Niet dat daar uitkwam wat ik ervan verwachtte (vandaar die fusie), maar de drijfveer was een stuk gezonder. Gewoon goede verhalen maken.

De politieke voorkeur van een journalist

19 september 2014 | Reacties 0

Voor een college over interviewtechnieken laat ik altijd graag aan studenten een fragment zien van Van Dis in gesprek met Willem Oltmans voor de VPRO televisie. Het is het soort televisie dat je niet meer ziet. Geen zendercoördinator zou dit goedkeuren, twee grijze heren aan tafel die bekvechten over Arbatov en Soekarno. De hoge ademhaling van Van Dis, het vileine toontje van Oltmans: ‘Ik vind dat een journalist onpartijdig moet zijn. Die moet niet schrijven voor de Volkskrant of het Parool.’

Wat Oltmans bedoelde, is dat een journalist zich niet zou moeten binden aan een titel. Als Van Dis hem later beschuldigt van samenwerking met politici, schiet Oltmans dramatisch uit zijn slof: ‘Denk jij dat? Misschien werk jij zo! Zoals de waard is vertrouwt-ie zijn gasten. De eerste die dat beweert, gaat onmiddellijk het kort geding in. En we beginnen bij jou!’

Studenten kijken gefascineerd naar de beelden. Ze hebben geen idee wie Oltmans is, maar zo’n gebruinde anarchist met zegelring en hysterisch zangerige toon (‘Waar ben je op uit!’) spreken erg tot de verbeelding.

Toen de Correspondent net begon, en zijn entree mocht pitchen op televisie (bij DWDD), waren de reacties niet mals. Ik dacht: even aanzien (nuance, geduld, helemaal in de stijl van het platform), dan kunnen we daarna onze conclusies trekken.

Recent heeft Joshua Livestro, oprichter van het weblog Dagelijkse Standaard, samen met Geenstijl-coryfee Annabel Nanninga een nieuw ‘platform’ opgericht: Jalta. ‘Het nieuws­medium wil opinie, journalistiek en ­tv-reportages brengen met een andere - overwegend rechtsere - invalshoek dan volgens hen gebeurt bij de reguliere media,’ schrijft de Volkskrant. En net als bij De Correspondent moeten er ook leden worden geworven, en is de kritiek op voorhand weer niet van de lucht.

Zowel De Correspondent als Jalta hoopt op een of andere manier te breken met mores en tradities uit onvrede van het bestaande (‘Verwacht bijvoorbeeld een 10-delige ­serie over de onderklasse in Nederland,' aldus ex-Elsevier-redacteur en thans chef politiek Jeroen Langelaar). Waar De Correspondent nu nog grossiert in dikwijls moeilijke – en dus volgens de redactie zelf interessante – essayistische beschouwingen over arme mensen, het gebruik van zonnepanelen of een tijdelijke onderbreking van de alcoholinname of iets met subculturen of anders dat geïnspireerd lijkt door The New Yorker, voel je nu al op je klompen aan aan dat Jalta zijn best zal doen om veel Theodore Dalrymple aan te halen, op te roepen tot een nieuw conservatief elan en, zo gok ik, zich te storten op de schaduwboekhouding van linkse partijen. De Correspondent heeft Femke Halsema, Jalta heeft Bolkestein.

De tegelzetter uit Dalfsen heeft ondertussen nog nooit van De Correspondent en Jalta gehoord en leest óf de Telegraaf, een stukkie nu.nl of het sportkatern van AD. Mijn moeder, toch een dame die van alles op de hoogte is en als docent werkt in de provincie, leest gewoon de Volkskrant en af en toe een tijdschrift. Die zit echt niet verbeten achter de knoppen: o, journalistiek initiatief, red mij toch!

Die journalistieke klassenstrijd, het afzetten tegen de ander, het op de borst kloppen, het superioriteitsgevoel en jezelf de heiland wanen, wat je nu ook ziet bij Jalta: sorry dames en heren, het leeft niet buiten de digitale jungle. Ik weet zeker dat in heel Elst (GLD) niemand weet wie Thierry Baudet (een van de genoemde Jalta-coryfeeën) is.

Het is nog knap lastig om in dit land je als consument of journalist te binden aan een titel die zich niet profileert als hét conservatief-rechtse of progressief-linkse journalistieke alternatief voor ‘al het andere’, maar gewoon alleen steengoed van zichzelf is. Wie morgen zo’n website, blad of andere uitingsvorm opricht, kan op mijn steun rekenen. Tot die tijd lees ik veel opiniebladen en kranten, digitaal en op papier en denk ik aan de woorden van Oltmans: ‘De politieke voorkeur van een journalist gaat niemand een flikker aan.’

(Zegt de man die overigens bij zowel links als rechts wel eens iemand op de kast joeg).


 

Het eerlijke verhaal van de Marokkanenmeehuiler

11 september 2014 | Reacties 1

Als ik een column of een ander artikel publiceer over literatuur, populaire cultuur of onderwijs krijg ik daar zelden reacties op. Zodra het ‘a’-woord (juist, allochtoon) of m-woord (Marokkaan) valt in een stuk of een tweet, stroomt mijn tijdlijn op Twitter vol met cynische opmerkingen, dikwijls van mopperende anonieme ‘Twitter-eieren’ met 33 volgers. Recent kreeg ik door een opmerking over een dubieus lesboek (u weet wel) weer veel reacties van het kaliber ‘moet je weer zo nodig mee janken met de k*tmarokkanen?’ Het antwoord is: nee, ik hoef niet perse mee te huilen met wie dan ook. Ik vind alleen wel dat we eerlijk moet zijn.

Eerder deze week berichtte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over het aandeel allochtonen onder jonge criminelen. Of althans, media berichtten erover, zoals het Parool: ‘Het aantal Nederlanders tussen de 12 en 25 dat wordt geregistreerd als een verdachte van een misdrijf, daalt jaarlijks. Tegelijk neemt het aandeel van de allochtone jongeren op dat dalende totaal toe, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek’. 

Strikt genomen is dit het geval: het aantal verdachten daalt. Goed nieuws, zou u kunnen concluderen. Het aandeel allochtonen neemt toe. U leest het goed: het aandeel neemt toe. Niet het aantal. En wat zijn allochtonen in het verhaal dan eigenlijk? U denkt wellicht aan Marokkanen, want was niet 65 procent van de Marokkaanse jeugd voor zijn 23e met justitie in aanraking gekomen?

Eind augustus gaf CBS cijfers van 2013 over aangehouden verdachten in ons land, gerangschikt naar geslacht, leeftijd en land van herkomst. Van de 224.710 verdachten was een ruime meerderheid autochtoon, volbloed Nederlander dus: 115.910. Dan was er ook een deel niet-westers allochtoon; denk hierbij aan Chinezen, Russen, Peruvianen tot mensen met wortels in de Dominicaanse republiek – een hele waslijst. Dat aantal is 67.660. De westerse allochtonen (inclusief Europeanen (behalve Turken), Canadezen en Amerikanen, om maar wat te noemen) zitten in totaal op 39.870 verdachten. Dat aantal is toch echt hoger dan de groep van, bijvoorbeeld, de 16.860 verdachte Marokkanen.

In de berichtgeving werd de afgelopen dagen gefocust op het staatje ‘leeftijd 18-25’. Van dat aantal verdachten (53.950) is het aantal niet-Westerse allochtonen 17.540. Dat zijn er veel, dat zal iedereen beamen, maar wel een minderheid. Het deel Marokkaans-Nederlandse jongeren van dat aandeel is weer 5300. Dat komt neer op een krappe 10 procent van het totaal aantal verdachten. Natuurlijk, altijd te veel – maar geen meerderheid.

Laten we ook eens kijken naar cijfers van Bureau Halt, een instantie met interventieprogramma’s voor jonge delinquenten. Het totale aantal jongeren dat in 2013 in aanraking kwam met Bureau Halt is 16.540. Daarvan is het grootste deel autochtoon (10.620). Dat is meer dan 60 procent. Een derde (5760 jongeren) is allochtoon, waarvan weer 1340 verdachten tot de westerse allochtonen kunnen worden gerekend. De rest (niet-westerse allochtonen) wordt gevormd door 4420 verdachten. Daarvan zijn weer 1120 Marokkaans (blijft een beetje raar om dat zo te noemen, omdat ze gewoon hier zijn geboren).

Samengevat: minder dan 7 procent van het aantal jongeren dat bij Bureau Halt loopt, variërend in de leeftijd van 12 tot 17 jaar, is Marokkaans. Laat ik er duidelijk over zijn: dat aantal is veel te groot. Maar dat zijn er mogelijk minder (minder, minder) dan u dacht, of niet?

Journalisten focussen zich graag op thema’s als criminaliteit, omdat bij dergelijke negatieve onderwerpen de persen sneller draaien en de onderbuik van de publieke opinie gaat rommelen. Het leidt af van een probleem dat we niet onder het tapijt moeten schuiven: er is een grote groep sociaal-economisch zwakke jongeren die aangepakt en geholpen moet worden. Het doet, afgaand op bovenstaande resultaten, eigenlijk niet ter zake wat hun afkomst is, laat staan de rol van hun geloof; het is tijd dat we ons herijken en afzien van stereotypen. Dan hoef je ook niet bang te zijn om voor racist uitgemaakt te worden. Een jonge crimineel wordt vaak een volwassen crimineel. Dat is al erg genoeg.

 

Wat vindt de islamitische Blokker-caissiere toch van IS?

29 augustus 2014 | Reacties 1

Wie als volbloed (blanke) Nederlander zich afvraagt hoe de islamitische caissière, studiegenoot, buurman, politicus of winkelier denkt over de daden van IS, wil ik iets voorleggen.

In aanloop naar de Amerikaanse verkiezingen in 1868, waarbij de zwarte bevolking mocht stemmen, werden zo’n 1000 mensen vermoord. Bij de Colfax Massacre en New Orleans Massacre een paar jaar later, vielen honderden doden. De oorzaak was wederom de gang naar de stembus van de zwarte bevolking.

Een grove schatting van de Universiteit van Tuskegee: tussen 1882 en 1968 vielen er ruim 4,500 (!) doden, waarvan de bekendsten het trio (Chaney, Schwerner, Goodman) vormden dat we kennen van de film ‘Mississippi Burning’. Ook burgerrechtenactivist Medgar Evers hoort erbij, een jaar later gevolgd door Viola Luizo, en niet te vergeten Vernon Dahmer. Allemaal gruwelijk vermoord.  In 1979 werden in Greensboro, North Carolina vijf mensen vermoord. Twee jaar later was de 20-jarige zwarte Michael Donald in Mobile, Alabama aan de beurt.

Deze mensen werden vaak doodgeschoten of opgehangen of verbrand – of allemaal. Dan zijn er nog honderden, duizenden mensen mishandeld of gechanteerd, getreiterd.

Mannen, vrouwen, kinderen. 

Door blanke mannen, dikwijls met de hand op de bijbel en in naam van hun god, strijdend voor een ‘zuiver ras’.

De meeste moslims in Nederland hebben vermoedelijk net zoveel sympathie voor IS, zoals de meeste blanke Nederlanders sympathie hebben voor de ideeën van de Ku Klux Klan. Ze zullen er ongetwijfeld zijn, dat soort sympathisanten. Helaas.

Wat zegt uw innerlijke gevoel bij het idee van één blanke natie zonder homo’s en joden: weerzinwekkend? O? Maar probeer eens mee te denken, misschien niet u, maar uw opa of oma, ze zijn al wat ouder. Nee? Echt niet?

Maar wacht: zelfs al zouden uw familieleden of vrienden zo denken, stel hè, dan nog gaan ze niemand ondersteboven aan een boom hangen. Toch?

Als u uw gloeilamp afrekent bij Khadija in de Blokker, de voetbalskills van Özil bewondert of van uw studiegenoot met hoofddoek even de rekenmachine leent en het schiet door uw hoofd hoe ze over de gruwelijke praktijken van IS denken, of – oude koe! – 9/11, denk er dan even aan hoe u zelf – als blanke Nederlander – over de Ku Klux Klan denkt, en hoe u zich verantwoordelijk voelt voor de positie van de zwarte bevolking.

Dat dus. Nou, u mag zich dan een gematigde blanke noemen. Bofkont.

'Zwarte Piet?! Zeik toch niet zo, waar gaat het over!'

26 augustus 2014 | Reacties 2

Mensen die vinden dat Zwarte Piet anno 2014 'niet kan' - en ik behoor daartoe - krijgen vaak te horen dat het om een 'onschuldig kinderfeest' gaat.

Dat je, als je tegen zwarte Piet bent, als een self hating jew bent die teveel zwicht onder de druk van 'zielepieten' en 'multiculticlowns'.

Right.

Begin jaren tachtig. Cees Buddingh, destijds docent Nederlands in Gorinchem, deed onderzoek naar racisme in kinder- en schoolboeken. Hij kwam tot de volgende interessante vondst:

(Afkomstig uit Amigoe di Curacao, weekblad voor de Curacaosche eilanden, 21 augustus 1981)

Dit is godbetert 33 jaar geleden. Het stuk gaat niet over zwarte Piet, maar over andere stereotyperingen die destijds voorkwamen in uitingen van jeugdvermaak.

Nu zou er vandaag een 'interne mail' uitgelekt zijn van HEMA dat Zwarte Piet in de ban zou worden gedaan.

Of nee, toch niet.

Interessant - en huiveringwekkend - vind ik de storm van verontwaardiging die daarna ontstond. Heel de wereld staat in brand, maar Nederland toont zich op zijn smalst. Boycotten, die HEMA. Welja, maak er een hashtag van. Zo kennen we Nederland weer.

'Zwarte Piet?! Zeik toch niet zo, waar gaat het over!'

Nou daar gaat het over: het is racisme.

Good old racism.

Als je dat zelf niet ziet, is dat tot daar aan toe. Als een ander dat wel zo ziet - het subject van het vermeend racisme - wat doe je daar dan mee? Daar gaat het over.

Archief

2014

oktober oktober augustus juli juli mei mei maart maart januari

2013

december december oktober oktober augustus juli mei mei maart maart

2012

december