Thomas van Aalten

Waarom ik Kurt Cobain haat

26 april 2013 | Reacties 0

Onlangs werd ik geraakt door een interview met Primal Scream-frontman Bobby Gillespie. Binnenkomt komt het nieuwe album van Primal Scream, More Light, uit. De band zal met dit nieuwe album ongetwijfeld geen golf van enthousiasme in Nederland ontketenen, daarvoor is de invloed van deze band in ons land nooit echt groot geweest. Gillespie ‘klaagt’ in dat interview met Drowned in Sound over het gebrek aan ‘politiek’ in de jeugdcultuur. Hij doelt daarmee niet perse op een anti-Thatcher sentiment zoals vorige eeuw in het Verenigd Koninkrijk gebruikelijk was, maar aan een gebrek aan urgentie in popcultuur. Gillespie omschrijft hoe de punkcultuur voor hem een vehikel was om het leven als jongeling door te komen.

Gillespie: ‘There were no love songs with punk. It was anti-love almost. But at the same time it was also quite romantic. Johnny Rotten was a romantic, Joe Strummer was a romantic. They believed in a better world. I really do believe that. As much as I was a fifteen year old kid who was angry at the time; you have that thing as an adolescent where you think the world is full of shit, that everybody's against you. […] It's a lonely road that you know, just kind of being out there on your own. An outsider. I was talking to Douglas Hart last week who used to be in the Jesus & Mary Chain, and he said when we were younger we took the position of the outsider and stuck to it. And I think punk was romantic in that sense. It was music for outsiders. I certainly saw it as that. It was about striving for a better world. And that's really what romantics are.’

Nu kun je discussies voeren over wat punk dan allemaal wel niet is, en elke generatie zeikt weer over de vorige generatie en de generatie die erop volgt, maar ik begreep wel een beetje wat Gillespie bedoelde over het gebrek aan noodzaak in de popmuziek. Ik ben geen aanhanger van het ‘Pop is dood’-adagium, maar ik heb wel problemen met de tot monster verworden vrijblijvendheid in de muziekcultuur. Ik snap heus dat muziek ons niet hoeft aan te zetten om de barricaden op te gaan, muziek moet vooral goed klinken. Maar ik denk dat, ironisch genoeg, uitgerekend Kurt Cobain die lont ooit in het vat heeft gestoken. Hij is van grotere invloed geweest op de leegte, het gebrek aan boodschap in muziekland, meer dan welke uitzending van The Voice, X-factor of Idols dan ook.

Volgend jaar is het 20 jaar geleden dat Nirvana-frontman Kurt Cobain zich van het leven beroofde. Volgend jaar is het 20 jaar geleden dat ik 16 was. Ik herinner mij dat mijn moeder ’s ochtends aan mijn bed vertelde dat ‘iemand dood was, iemand van een bekende band’. Ik vroeg: ‘Axl Rose?’ maar die was het volgens haar niet. ‘Billy Corgan?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Kurt Cobain?’ ‘Die ja!’. Ik draaide me om en wilde verder slapen.

De jaren 90 vormden een era waar het in de muziek ging om hedonisme en grootsheid. Van de egomanie van Bono tot de ontwikkeling van de house. Ikzelf leed (en lijd nog altijd) aan muzikaal anachronisme; ik hield van muziek die niet perse erg populair was op het schoolplein. The Cure kwam wel op MTV, maar hoorde je verder niet in Suburbia. Het melodramatische Suede was iets dat vanaf de andere kant van de zee galmde, dat bereikte alleen de zolderkamer van mij en een paar vrienden. De shoegaze van The Jesus and Mary Chain zou je niet snel aantreffen op andere walkmans. Natuurlijk vervolmaak je als tiener in dat geval een veelbesproken attitude: als maar niet de rest van de wereld mijn muziek ontdekt, want dan ben ik mijn monopolie-positie kwijt. Tot zover het snobisme.

Uiteraard ken ik de albums van Nirvana, en ook ik was bij het verschijnen van Nevermind onder de indruk. Maar al snel ontdekte ik bij mijzelf een vorm van weerzin, ruim voor zijn dood.

Popmuziek heeft voor mij altijd een gidsende functie gehad. Dat klinkt hoogdravend, omdat het natuurlijk ook te doen is om een goede melodie; maar popmuziek gaat voor mij in wezen om het bieden van antwoorden of het ontwrichten van bestaande kaders. Zeker tijdens je puberteit voel je je soms wanhopig. Met behulp van muziek kun je je ‘erdoorheen slaan’. Zodra muziek slechts die wanhoop bevestigt en verkondigt dat het nooit meer goed komt, haak ik af.

Ik heb een figuur als Marilyn Manson altijd bewonderd (niet als tiener, daarvoor ben ik te oud, en een fan zou ik mijzelf niet noemen), omdat hij de ideale functie vervult van de duistere nar. Ondanks alle fratsen met geschminkte gezichten en flirts met de duivel is Marilyn Manson altijd een man van hoop geweest, zijn voorkomen is van geruststellende aard. Hij maakt gebruik van humor en schrikbeelden (overigens, een hele reeks death- en black metal-artiesten bieden die hoop niet, daarom zou ik er veel problemen mee hebben als mijn dochter zich in 2023 opsluit op haar kamer, gewapend met slechts een bak met gigabytes aan death metal).

Marilyn Manson en Kurt Cobain zijn twee totaal verschillende iconen. Dat weet ik. Maar het gaat mij erom dat Kurt Cobain in menig almanak en encyclopedie wordt genoemd als invloedrijk rockster die de druk van het sterrendom niet aankon; de eeuwige onbegrepen artiest, de romanticus. Dat is allemaal mooi, maar in zijn boodschap – die ons via songteksten en zijn afscheidsbrief bereikte – schuilt slechts destructie.

Is er verschil tussen het Het nihilisme van Cobains ‘I hate myself and i wanna die’ en de regel van The Cure’s Robert Smiths ‘What does it matter if we all die?’ van het album Pornography uit 1983? Op het eerste gehoor misschien niet, maar Robert Smith stelde de vraag vanuit weltschmertz, ernst; Kurt Cobain bedoelde de regels volgens een interview met Rolling Stone in 1993 ‘als grap’. Neem het vooral niet te serieus. Jezelf haten en de wens uitspreken te sterven, als grap? En dan later jezelf wel van kant maken? Wat betekent dat?

Het funny stijltje van Kurt Cobain was er een waar ik giftig van werd. Het zette bovendien de deur open naar een horde slecht geklede vrijbuiters die dankzij Kurt Cobain dachten ook de muziek in te gaan. ‘Kijk, hij ziet er ook uit alsof hij de muur komt stuken, dan kunnen wij het ook.’ Ook nu nog. Niet alleen hipsters maar ook mompelende douchebags als Passenger en zelfs Nick en Simon hebben bestaansrecht dankzij Kurt Cobain; de boerenlul als muzikant. Ik wilde als zestienjarige verdomme geen stukadoor met een ironische doodswens als popidool, ik wilde een onaantastbare inspirator.

Andrew Eldritch van de door mij bewonderde The Sisters of Mercy heeft iets tegen het verschijnsel ‘postmodernisme’: 'Post-modernism is born of culture which is at best a mere representation of another, which has lost ambition for itself and the world. It has no sense of the future and cannot make sense of the past. It's born of an ignorance of the past which prevents it from having any sense of the future, so it looks (blindly) backwards and ends up in that permanent now-ness which is so gratefully embraced by those in need of an excuse. […] Post-modernism celebrates a lack of belief.’

En ook Eldritch heeft iets tegen ironie van de verkeerde soort: ‘Ours is an irony born of love and respect, allusive rather than illusive, and its keen (I hope) edge is derived from wanting things, believing that those things can be achieved and that the struggle is worthwhile.’

The struggle is worthwile. Dát vat al die iconen van mijn tienerkamer samen. En Kurt Cobain liet het tegenovergestelde zien. Overigens is hij uiteraard niet de enige die vroeg heenging: Jim Morrisson, Ian Curtis, allemaal figuren waar ik als jongeling met een boog omheen liep. Sorry makker, jouw muziek zal mij niet verder kunnen helpen, hoezeer iedereen je bewondert.

We moeten Kurt Cobain en zijn toenmalige boodschap wellicht verklaren vanuit een ziekte (depressie) en een reactie op een conservatieve Amerikaanse context. En over de doden niets dan goeds. En Cobain was zeker niet de eerste boerenlul met een gitaar; overschatte figuren als Steve Albini legden die bom al veel eerder. Maar Kurt Cobain toonde de ultieme lege handen door zichzelf van kant te maken en ons op te zadelen met een valse historie. Had de man nu geleefd, dan speelde hij nu ergens vermoedelijk voor een halfvol zaaltje gare elektronica op een laptop.

Ik had dan meer respect voor hem gehad.

Ik zie uit naar de nieuwe Primal Scream. Met de boodschap zit het alvast goed: 'It's alright, it's ok'.

 

Eenvoudig staatslied voor het volk

23 april 2013 | Reacties 0

Vandaag vindt Maarten de Pourcq, universitair docent cultuurwetenschappen en klassieke talen aan de Radboud Universiteit Nijmegen in de Volkskrant ook iets van John Ewbank en het Koningslied. De publieke ruimte is volgens Maarten de Pourcq ‘veranderd van een theater in een arena, waar de gladiatoren blootstaan aan wat het publiek van hen vindt: elimineren of laten overleven.’ Ik zie het zelf eerder als een teken dat ‘het publiek’ (voor wat het waard is) geen genoegen meer neemt met gladgestreken bullshit waar bn’ers op afroep beschikbaar zijn voor de nationale trots. Er is juist een schreeuwende behoefte aan een oprecht, eenvoudig staatslied voor het volk.

Laat ik maar duidelijk zijn: mij kon dat hele Koningslied, en de soap erna, gestolen worden. Waar ging de hele heisa nu werkelijk over? Waren het niet vooral de verstokt republikeinen die zich opwonden?

Of was het toch een typische Nederlandse reflex: áls je dan een nationale hymne wil maken dat door alle tongen gezongen diende te worden, doe het dan een beetje in stijl. Ik veronderstel toch, al is het in enige mate, dat laatste. Dat je dan ook kritiek moet kunnen geven in stijl: allemaal waar. Dat maakt ons niet gelijk tot een liefhebber van het muzikale oeuvre van Nico Dijkshoorn (één van de bekendere tegenstanders van de compositie van Ewbank), maar ik ben ergens juist opgelucht dat een menigte van zich heeft laten horen. Even juist afstand nemen van die eeuwige leverworst op kamertemperatuur, het siermarmer, het kunstleder en de brocante van de Intratuin.

Professor de Pourcq lijkt dat de woedende massa nu kwalijk te nemen. ‘Allereerst spreekt hieruit het verlangen naar een snel tribunaal zonder genuanceerde oordeelsvorming: meteen elimineren, geen gedoe met maandenlange processen. In het concrete geval van Ewbank zien we bovendien hoe, eveneens naar aloude traditie, persoon en werk volledig met elkaar worden geïdentificeerd.’ Ik weet niet of alle criticasters Ewbank zelve verantwoordelijk hielden, maar een tegengeluid laten horen is helemaal niet verkeerd. Toen mijn eerste dochter in 2007 werd geboren kreeg ik een cd opgestuurd met daarop een nummer van Ewbank (‘Hallo Wereld’, als ik het mij goed herinner), een ideetje van toenmalig minister voor Jeugd en gezin André Rouvoet. Ik heb het kwaad retour gestuurd. Dat is namelijk zó niet mijn Nederland. John Ewbank is de man achter Gordons eerste grote succes, wat doet zo’n lor van een cd ongevraagd in mijn postbus?

En ja, zelfs bij zoiets volstrekt infantiels als een nationaal Koningslied, voelen wij ons vernederd als niet een tekstdichter in de traditie van wijlen Annie MG Schmidt (de ware Eeuwige Koningin van Nederland) of desnoods het schrijversteam van Sesamstraat achter zo’n lied zit, maar John Ewbank, Daphne Deckers (!) en nog een horde grootgrutters in leegte.

De Pourcq schrijft: ‘Het kan niet anders dat veel talent zich daarom weghoudt van die arena, waardoor de publieke cultuur verarmt. Ik kan me voorstellen dat politieke partijen en mediabedrijven voor hun talenten een keuze maken: x blijft achter de schermen, y wordt het uithangbord. Anders gezegd: x doet aan inhoud, y aan mediatraining.’ Wat een onzin schrijft deze geleerde hier! Het is juist het tegenovergestelde. Nederland heeft schoon genoeg van gelikte non-boodschappen en infantiele uitingen, zoals ‘drie vingers in de lucht’.

Er is juist een schreeuwende behoefte aan een oprecht, eenvoudig staatslied voor het volk. Een arrangement van Henk Temmink of Henny Vrienten, of wie er verstand van heeft. Bij voorkeur gezongen door Loes Luca of Willem Nijholt.

Ik denk dat Willem-Alexander, ware hij reeds Koning, wenen zou van zo'n kleinood.

Over onderwijs

3 april 2013 | Reacties 0

Tegenwoordig schrijf ik onregelmatig (ik probeer wekelijks) hier stukken over onderwijs.

Lofzang op Amsterdam Nieuw-West

8 maart 2013 | Reacties 6

Ik heb een hekel aan reizen. Ik ben wat dat betreft hypocriet, want een ander zou me voor kosmopoliet houden, maar het angstzweet breekt me uit zodra ik op vliegvelden op zoek moet naar een gate. Als ik reis, dan het liefst in Europa. Ik houd van Franse steden en van eigenlijk heel Italië, ik houd van Berlijn en ik heb een zwak voor Azië, maar daar ben ik op Maleisië na (voor een reportage) nooit geweest. Ik ben als de dood voor alles ten oosten van Duitsland, ik heb angst voor struikrovers en bulderende schurken die mij naakt en beroofd achterlaten in tochtige schuren in een dorp waarvan ik de naam niet kan uitspreken.

Ik ben in het buitenland op mijn best op een terras met uitzicht op zee, en dan kijk ik zo’n beetje met mijn wapperende blouse in de milde wind uit over dat azuurblauw terwijl mijn kinderen in de nabijheid zijn, of eigenlijk liever iedereen die ik ken want ik word doorgaans werkelijk tot op het kinderlijke af verteerd door, heel banaal, heimwee.

Ik kan maximaal twee weken naar het buitenland, en dan moet ik terug. Ik ben geen grootsteedse arrogante blater die zeikt op alles buiten de ring A10 rondom Amsterdam. Ik kan mijzelf een groot plezier doen door Nederland te doorkruisen. De provincie, dat ben ik. Fietsen langs de Linge of een bezoek aan het kleinste planetarium van de wereld in Franeker. De ANWB Kampioen is voor mij gemaakt.

Maar het meeste houd ik van het 'Rotterdam van Amsterdam': Amsterdam Nieuw-West.

Fiets over de Cornelis Lelylaan richting Osdorp, en neem het pad tegenover het Fashion Hotel, en rijd zo naar beneden langs het Rembrandtpark. Kijk eens rond, met de klok mee: links het Fashion Hotel en het aanpalende Andreas Ensemble, daarachter het kleurloze Bastion Hotel, dan de Ring A10, dan de hoge rode Mazars Torens met hun groene daken aan de rand van het World Fashion Centre. Rechts het Rembrandtpark met aan de rand de torenflats aan de Staalmeesters- en Nachtwachtlaan. Daartussen het bizarre Ringpark-gebouw.

 

Fiets onder het ringviaduct door en je komt op de Derkinderenstraat.

De ringweg A10 werd in 1962 gebouwd. Het westelijk gedeelte werd in 1975 voltooid. Het World Fashion Centre heette toen nog het Confectiecentrum. Als je ’s avonds uit het Vondelpark komt fietsen, aan de kant van de Amstelveenseweg, kom je via het Jacob Marisplein zo uit bij het Andreas Ensemble. Als je dan over het water uitkijkt, zie je de torens nabij het World Fashion Centre in verschillende kleuren oplichten.

Wanneer ik wel eens naast het Bastion Hotel met mijn auto voor het stoplicht sta, kijk ik naar die mysterieuze Mazars Torens. Meer dan de helft van de kantoren in de torens staat leeg. Bij Mazars werken accountants, belastingadviseurs en management consultants. Anita de Casparis werkt volgens de site van Mazars als specialist op het gebied van internationale fiscaliteit en sociale verzekeringsproblematiek inzake grensoverschreidende arbeid. Zowel voor expatriate werknemers als voor immigranten en emigranten. Ik vraag me af wat ze ziet als ze uit haar kantoorraam kijkt. Ziet ze dan de A10? Is ze gelukkig?

Als ik vervolgens vanuit zuidelijke richting naar de Coentunnel rijd, kan ik me niet voorstellen dat er ooit iemand voor zijn plezier op een van de balkons van de flats aan de Staalmeesterslaan of de Nachtwachtlaan zit. Daar, het Ramada Hotel. Vroeger was dit het GAK-gebouw. Het figureerde ook in de VPRO-serie Toren C.

Fotograaf Nico Bick heeft in 2003 in opdracht van het Amsterdams Fonds voor de Kunsten een zwerversplek onder de A10 bij de Nachtwachtlaan gefotografeerd. Hier komt alles samen: de snelheid van de auto’s, ambities in de Mazars torens, de non-existentiële zone van de zwervers.

Richting de wijk Bos en Lommer (West, geen Nieuw-West!) is het nog erger. De balkons van de Max Havelaarflats hangen bijna boven de vluchtstrook. 

En toch houd ik hier van.

Stadsdeel Nieuw-West heeft misschien wel de lelijkste architectuur van Amsterdam (op een paar monsterlijke bouwsels in Noord na), maar vanwege de diversiteit in de architectuur heeft het juist iets verrassends. Nieuw-West heet pas sinds 2010 officieel zo; daarvoor bestond het gebied uit de stadsdelen Slotervaart, Osdorp en Geuzenveld/Slotermeer. De hiertoe behorende 'Westelijke Tuinsteden', een idee van architect Cornelis van Eesteren, werden in de jaren 50 en 60 van de 20e eeuw gebouwd. Van Eesteren staat bekend om zijn functionaliteitsprincipe: hij koos de architectonische vorm naar aanleiding van een geformuleerd probleem. Inmiddels lijkt het de omgekeerde wereld. De veelal ‘sociale’ woningbouw maakte tot voor kort een doffe indruk waar weinig sociaals aan was.

Maili Blauw heeft in 2005 een mooi boekje gemaakt over ontstaan en ontwikkeling van het (toen nog een stadsdeel) Slotervaart: De stad is nooit af. Daarin staan ook archieffoto's van de architectuur in Slotervaart uit de vroege jaren zestig, die in zwartwit science fictionachtig aandoen. Je herkent in de bouwstijl een grootsheid, een optimisme, een geloof in opbouw en groei.

Er wordt momenteel flink gerenoveerd in de buurt. Het stadsdeel is, zoals dat liederlijk heet, 'in opkomst'. Ik voel mij op mijn best als ik op een zaterdag of zondag aan het strand van Ijmuiden heb doorgebracht met mijn twee dochters, en dan nog even met ze naar de winkels aan het August Allebéplein loop om boodschappen te doen. Het is het plein waar PvdA-politicus Ahmed Marcouch ooit voor een draaiende televisiecamera een straatschoffie tot de orde riep. Een eindje verderop, nabij de kringloopwinkel dat aan het onbemande Argos Oil tankstation vastzit, zit VLLA. Een obscure maar prettige broedplaats met horecagelegenheid dat door bevlogen kunstenaars wordt bestierd.

Ik loop eerst nog langs de uitermate goede viswinkel Pescado aan de Derkinderenstraat, gerund door Marokkanen die hun vis wekelijks van de Parijse vroegmarkt Rungis halen. Een paar deuren verderop zit de Turkse bakker, die op zondag de Chinese kerkgangers van de Immanuelkerk voorziet van broodjes Döner.

Aan het August Allebéplein zit een nieuwbouwmoskee, El Oumma, die uit het begin van de jaren 90 stamt. Onlangs is er een nieuw stuk aangebouwd omdat de moskee te klein werd. Bebaarde figuren in jurken lopen er af en aan.

De moskee vervult een socialiserende rol voor de gemeenschap, zoals de kerk die rol ook lang vervulde. Regelmatig komt de moskee met ideeën op de proppen om overlast van de jeugd aan te pakken. Op de site waaromislam.nl staat een van die plannen toegelicht. 'Moskee El Ouma aan het August Allebéplein streeft met het peerproject naar een overlastvrije wijk in anderhalf jaar tijd. Groepjes Marokkaanse jongeren die een opleiding volgen of werken gaan ’s avonds in Slotervaart de straat op om rondhangende jeugd aan te spreken.’

In een voormalige hifi-zaak aan het August Allebéplein zit nu een grote supermarkt en een halal slager. De gevel met de logo's van Philips en Panasonic is nog intact. De fontein op het plein is een sobere broer van de grote fontein die hier in de jaren 60 was, getuige de foto's uit de beeldbank van het Amsterdams Stadsarchief.

Ik houd van de chaos, van de groepen mannen en vrouwen die bij de speeltoestellen samenscholen terwijl hun kinderen elkaar achterna jagen. Ik houd van de anarchie van de bouwput waar ooit een Chinees zat. De obese autochtoon in haar scootmobiel, de Polen en de Roemenen die halveliterblikken bier bij de Lidl kopen, de straatjeugd op mountainbikes en scooters.

Het plein ‘40-’45 in Slotermeer-Geuzenveld, met als fraaie eyecatcher het voormalige nvv-/ fnv-gebouw waar nu het stadsdeelkantoor zit, heeft mijn hart gestolen. Vanaf de tiende verdieping van Het Tuinstadhuis, zoals het nu heet, kijk je uit over de Sloterplas.

Bij helder weer zie je de bedrijvigheid van Tata Steel, voorheen Hoogovens. Het schijnt dat op deze verdieping Wim Kok zijn vergaderingen leidde.

Met Sint Maarten staan kinderen op Plein '40-'45 ’s avonds bijeen te zingen met hun lampions terwijl het modernistisch Carillon Caribische klanken produceert, begeleid door een drumband.

 

Maar o, ware parel van Der Neue Westen: de Tanger Markt. Alle wereldkeukens komen samen in deze overdekte markt, waarvan de keuze van het assortiment ondoorgrondelijk lijkt: je holle Bucatini spaghetti no 9 van Barilla kun je hier vinden, maar een blik gepelde tomaten dan weer niet. Een echt Nieuw-West-maal is er één van de kleine portemonnee: je pasta bak je op met knoflook en peper, en erbij neem je een struik rucola van de middenstand, opgesierd door een vis van Pescado. Klaar voor rond de vijf euro. Meer heeft een kosmopoliet niet nodig. (Als je dan toch meer nodig hebt, omdat je nu eenmaal ook wel eens bezoek ontvangt, dan niet dat gezeik met boodschappen in de fietstas of een parkeergarage in de binnenstad met bizar hoge uurtarieven, nee, rol je auto gewoon in de buik van de AH-parkeergarage in Amsterdam Osdorp, een paar minuten verderop. Gratis).

Langs het plein loopt de Slotermeerlaan met de prachtige Mondriaan-achtige woningen. Aan de Slotermeerlaan zit het prima grillrestaurant Meram, waar je op een zomeravond op het terras nog in mediterrane sferen van espresso kunt genieten tussen luidruchtige families. Hoeveel meer dierbaar is me dit dan die vre-se-lijke antieke binnenstad met haar modieuze cafés die bijna bezwijken onder de hoeveelheid natte krulletjes van pafferige praatjesmakers of de ironische blikken van hipsters.

In Hotel Slotania nam de VPRO ooit het muziekprogramma Hotel Suburbia op, waarin new wave-helden als Fad Gadget optraden. Op Youtube staat een fragment van deze vergeten show, met een jonge Michiel Romeyn als receptionist. Aan de Burgemeester de Vlugtlaan zit het Van Eesteren Museum, zodat je nog eens kunt uitzoeken hoe dit wonderlijke stadsdeel ooit is ontstaan.

Ik lach die malloten in het Centrum alleen maar uit. Ver? Elke dag fiets ik naar mijn werk via de Derkinderenstraat, langs het Andreas Ensemble, door het Vondelpark, door de PC Hooftstraat, over de Stadhouderskade, over de Amstel naar mijn werk aan de Wibautstraat. Twintig minuten fietsen! Boekhandel Hoogstins, infuus voor uw intellectuele waren, zit op de Kinkerstraat in Oud-West. 10 minuten fietsen vanaf de Derkinderenstraat.

Wie zich de ware kosmopoliet waant, woont in Amsterdam Nieuw-West. (En bovendien minder dan een half uur rijden naar het strand van IJmuiden).

 

Mythen over hbo-studenten anno 2013

14 februari 2013 | Reacties 2

Nu ik vier jaar bij de Hogeschool van Amsterdam werk, kan ik in elk geval vanuit het gewraakte ‘werkveld’ een indruk geven van de attitude en het ‘kennisniveau’ van hbo-studenten. 

Wat dat betreft is een mea culpa van ons, onderwijsmedewerkers, op zijn plaats. De banken- zorg- en vastgoedsector wordt door het journaille aardig onder de loep genomen en kritisch bejegend vanuit de maatschappij, en het onderwijs heeft er ook van langs gekregen. Zowel het primair, voortgezet als het hoger onderwijs. Van corruptie op managementniveau tot megalomane fusies tot achterhaalde studievolgsystemen (SIS), gelekte Cito-toetsen tot te weinig tentamens in een overvolle collegezaal. Vanuit het Ministerie van Onderwijs druppelen al jaren rapporten en meerjarenplannen door die weer als pdf-bestand belanden op de site van de Rijksoverheid. Ik ben benieuwd naar het aantal pageviews van dergelijke sites. Waarvan akte.

Ondertussen ronken de publiciteitsafdelingen van onderwijsinstellingen: TOP-dit, Bouwen aan zo, Werken aan dat, Focus op zus. Clichés als ‘kwaliteit waarborgen’ en gruwelijke Engelse termen als knowledge sharing doen de rest. Ik noem dat altijd het evangelie van de bange hoop: we smijten vanuit de brede bovenlaag een container aan archetypische glossy folders en onbegrijpelijke websites naar beneden, poetsen onze tanden nog even op de open dag, gestut door holle pr-praat. Een paar jaar later staan die dozen met folders ergens te verstoffen in een gang. Niemand weet hoe die dozen daar komen. Als je er vanaf wil, moet je een nummer bellen, en dan wordt er een ticket of een call aangemaakt en vier weken later komt er iemand in een uniform met V’tje op de borst. Zelf weghalen mag beslist niet, want misschien zitten er wel tentamens in.

Er bestaan nogal wat sentimenten en opvattingen over hbo-studenten. In onderstaand lijstje hoop ik een en ander te ontkrachten of indien nodig te bevestigen. Een klein overzicht.

Hbo-studenten zijn gadgetfreaks.

Dit is slechts gedeeltelijk waar. Ik kijk inderdaad op van de glanzende units en slimme tablets met bijpassende foedralen. Er wordt wat afgeappt en anderszins gesocialmediaad, maar het is schijn. Vraag een student iets te onderzoeken en de zoektocht houdt op na de eerste hit op google (meestal Wikipedia). Browsers op studentenlaptops staan vaak vol met door spyware volgeplempte zoekbalken en weerstations die gesponsord lijken door Red Bull. Want gratis bestaat niet, stupid. Soms krijg ik van studenten wanhopige mails met de vraag hoe Google Drive werkt. ‘Mag ik het niet gewoon op papier bij u inleveren?’ Het idee dat collegezalen vol zitten met Alexander Klöpping-achtige wisecracks is een illusie. Voor een handjevol gamers gaat de wereld nooit snel genoeg, maar die zijn in de minderheid.

Hbo-studenten zijn niet echt kritisch, willen dingen vooral ‘leuk’ vinden.

Bovenstaande stelling impliceert dat er alleen maar optimisten rondhoppen in de gangen van onze onderwijsinstellingen en onder begeleiding van gospelzang elkaar in de armen vliegen. Niet bepaald: zodra er iets op het pad komt dat de student niet zint, daalt de FAIL-stuwdam neer. Dat is het onvermijdelijke gevolg van onze 24/7 economie en niet te stoppen beeld- en deelcultuur. Er is zoveel bagger om ons heen, waarom zou je je bezighouden met iets dat je niet leuk vindt? Zonde van de energie! FAIL!

Soms is het echter goed om iets niet leuk te vinden. Het slijpt de geest. Vraag jezelf af waarom je iets niet leuk vindt, in plaats van lethargisch de wang op de tas te leggen en te smeken om het einde van een college of FAIL te roepen op Twitter. Ook een mogelijkheid: zeg er eens wat van tegen de verantwoordelijke. Treed in discussie. Zet het op de agenda. Zo zijn revoluties begonnen. Google maar eens op ‘Maagdenhuis’.

Maar liep iedereen eind jaren 60 van de vorige eeuw rond met megafoon en trommel voor de revolutie? Welnee. In de jaren 80 werd ook het oudlinkse karakter van menig opleiding (zoals sociologie of politicologie) aan de UvA weggemasseerd. Laten we niet doen alsof er in de vorige eeuw alleen maar strijdvaardige en hongerige Che Guevara’s in de collegebanken zaten. Toen vond menig student ook iets leuk of niet leuk.

Nattevingerwerk levert het volgende op. Studenten van nu reizen zich het schompes en zijn bereid in een emmer te kakken en yakmelk te drinken in een leemhut, ze worden lid van velerlei vrijwilligersorganisaties en halen geld op voor Serious Request en sluiten zich aan bij G500 van Sywert van Lienden. Er is een toenemend aantal pragmatici dat ‘gewoon gelukkig wil zijn’ (lees: modaal verdienen in Vinexland). Een kleine groep wordt gevormd door hologige casinokapitalisten die ‘keihard bakken met geld’ willen verdienen. Voor die laatste groep geldt: heel aandoenlijk, maar velen met u. Achteraan aansluiten.

Wat je in elk geval moet concluderen, is dat studenten zich niet louter meer verbinden aan één ideologie, stroming of subcultuur. En dat is een heel gezonde situatie.

Hbo-studenten zijn slecht in Nederlands.

Heel vaak gehoord. En wie menig portfolio opent moet inderdaad soms met de ogen knipperen. Er is alleen een maar. We kunnen niet zomaar iets beweren over het ‘niveau’. Ons onderwijs is de afgelopen 50 jaar sterk gedemocratiseerd, en dat is een verworvenheid. Er studeren meer mensen dan ooit. De kinderen van stukadoors uit Anna Palowna volgen nu ook hoger onderwijs. En nee, daar ligt misschien nog niet het verzameld werk van Karel van het Reve of een referaat over intertekstualiteit in de oudpapierbak. In het eerste jaar van de studie zie je met name bij de voormalige havisten en mbo’ers vanuit ‘lager ontwikkelde milieus’ (voor wat het waard is) een zekere taalarmoede. Het verschil is dat die groep nu studeert, en veertig jaar geleden niet. Hetzelfde geldt voor studenten die Nederlands als tweede taal gebruiken.

Een nieuwe klassenstrijd breekt de komende jaren mogelijk aan. Je hebt misschien dezelfde intellectuele capaciteiten als het kind van de advocaat en de dokter uit Amsterdam Zuid, maar je hebt wellicht een gigantische taalachterstand als je ouders geen krant lezen en geen Radio 1 luisteren. Op de middelbare school viel dat misschien niet zo op omdat je elders je gebreken kon compenseren, maar in het hbo is het met al die verslagen, presentaties en evaluaties al met al behoorlijk ‘talig’.

Verder valt het allemaal mee met de taaldrama’s. Niet meer of minder dan andere jaren, als je oude archieven vol scripties en papers doorpluist. Dezelfde fouten werden gemaakt, en dezelfde gratuite opmerkingen van docenten in de kantlijn geplaatst. Ter illustratie: onder zo’n 900 eerstejaars van de studie Media, Informatie en Communicatie was tekstanalyse een onderdeel van het vak Schrijven I. De tekst en de vragen waren op 6VWO-niveau, dus eigenlijk werkten ze boven hun startniveau. Van de vier klassen die ik lesgaf, sloot het leeuwendeel van de studenten dit onderdeel af met positief resultaat.

hbo-studenten krijgen straks geen baan.

Deze generatie studenten krijgt het zwaar. Ben je straks afgestudeerd, is de kans op een baan nihil. Wat is de waarde van een hbo-diploma dan nog? Hier ligt een taak voor de onderwijsinstellingen: stop met de gebakken lucht. Beste opleidingen die blits klinken en een leuke kantine hebben en te gekke meetings met goeroes en professionals hebben: de tijd van de bullshitbingo ligt definitief achter ons. Het klinkt misschien wat fascistisch, maar als je niet inzichtelijk kunt maken waar je studenten voor opleidt, scherper geformuleerd: voor welke beroepspraktijk (hé, je biedt een beroepsopleiding aan!) je studenten klaarstoomt, dan moet je gaan schrappen in je onderwijs.

Het grootste gevaar is al te veel meegaan met de trend. Dat klinkt conservatief, maar is het niet. Toen ik begon met lesgeven, bestond er nog geen iPad of andere tablet. Dat is nog geen vier jaar geleden. Had ik toen al mijn onderwijs prompt aangepast op de tabletcultuur, dan richtte ik mij op de techniek, en niet op de inhoud. Een goede reportage of een sterk interview schrijven, vraagt dezelfde vaardigheden als twintig jaar geleden. Bied je onderwijs dan ook zo sober en essentieel mogelijk aan; dan kan het zich voortdurend aanpassen aan de ontwikkelingen.

Natuurlijk, ook ik maakte me er in het verleden schuldig aan. Customer media? Je bedoelt relatiemagazines. Branded content? Je bedoelt gewoon reclame in een leuker jasje. Transmedia? Je bedoelt gewoon een verhaal vertellen via verschillende platforms. Gamification? Je bedoelt: we maken het speels. E-commerce en e-marketing? Je bedoelt gewoon geld verdienen met behulp van enen en nullen. Nou is dit een discussie over de term, dat is tot daar aan toe. Maar werp als onderwijsinstelling geen rookgordijn op met vage minoren en ondoenlijke trajecten waar student en docent gestoord van worden. Je wordt fysiotherapeut, softwareontwikkelaar, manager, diëtist, leraar, journalist, bouwkundig ingenieur met het liefst enkele specialisaties, niet iemand die een berg vage trajecten heeft doorlopen ‘waarmee je mogelijk in de toerismebranche actief kunt worden’. Ho! Vaagheid-alert! Wegwezen!

Dit is het beeld dat bestaat over onderwijsinstellingen, en zeker hogescholen, op menig verjaarspartijtje: er is veel gedonder. Je zal er maar studeren! En dat hebben we vast aan onszelf, medewerkers, te danken. Nogmaals mea culpa. Alles komt in golven, dus ook opvattingen over ideaal onderwijs.

Maar weet je? Werken in het hoger onderwijs is vooral als docent verschrikkelijk leuk. Zo. Nu gaan je toekomstig werkgever, stagebedrijf en godbetert je ouders je niet meer lastigvallen met argwanende vragen. En nu weer aan het werk.

 

Minimaal 3 boeken voor 1880

3 november 2012 | Reacties 0

Over de boekhoudkundige blik op literatuuronderwijs

Af en toe krijg ik als schrijver curieuze e-mails. Behalve de gangbare berichten van schrijvers in de dop die brutaal de weg naar de uitgever vragen, en de verdwaalde bulkmail van een Belgisch meisje dat handtekeningen verzamelt, zit daar ook wel eens een mail van een scholier tussen. Nu vind ik dit soort mails niet zozeer curieus omdat ze van scholieren afkomstig zijn, integendeel. Wel ben ik verbaasd over de redenen. De scholieren doen het voor een schoolopdracht waarvan de essentie mij dikwijls ontgaat. ‘Voor mijn werkstuk wil ik weten waarom in uw boek alles in de tegenwoordige tijd staat.’ De scholieren neem ik het niet kwalijk, de enkele luiaard uitgezonderd (‘meneer, kunt u mij een samenvatting van uw boek sturen?’, echt meegemaakt).

Literatuur is lastig te toetsen. Je kunt als docent verschillende motieven hebben om die literatuur te willen toetsen. Het praten over een boek bij het gewraakte mondeling was jarenlang binnen het voortgezet onderwijs een karikatuur: het ging over ‘thema’s’, ‘perspectieven’, ‘leidmotief’, ‘locatie’ en ‘flashback’. Menigeen zal het beeld herkennen van de verplicht te noemen passage om ‘aan te tonen dat de hoofdpersoon een moeilijke band met zijn moeder heeft’. Kortom, literatuur als rekentafels: noem de stroming – het naturalisme! – en weet in welk hoofdstuk de hoofdpersoon een Faustiaanse figuur optreedt – hoofdstuk 6! – en de voldoende was binnen. 

Wat willen we meten binnen het literatuuronderwijs? Het is wel duidelijk dat niet iedereen daar het zelfde over denkt, zoals ook niet elke schrijver dezelfde bijdrage wil leveren aan het letterkundig universum. Je hebt de woordkunstenaars die met hun poëtische inborst dagenlang schaven en schrappen tot de essentie, het literair destillaat, overblijft. Je hebt de auteurs die niet meer dan een ‘mooi verhaal’ willen vertellen. Je hebt de auteurs die hun lezers iets willen leren. Als wij schrijvers er al zo verschillend over denken, hoezeer zullen de docenten dan wel niet met de handen in het haar zitten? In 1998 schreef onderwijskundige Tanja Janssen het proefschrift ‘Literatuuronderwijs bij benadering’ en stelde vast dat docenten ieder op hun eigen het literatuuronderwijs benaderen. Grofweg waren er vier verschijningsvormen:  de auteursgerichte benadering, de contextgerichte benadering, de tekstgerichte benadering en de lezersgerichte benadering.

Meer recent, in 2011, is door Weekblad Elsevier onderzoek gedaan naar de uiteenlopende motieven om literatuuronderwijs aan te bieden. Het stimuleren van de taalontwikkeling (67 procent van de docenten van de bovenbouw havo/vwo gaf dit aan in een enquête) staat hoog in het vaandel. Als ik nu advocaat van de duivel speel, zou ik zeggen: tja, dan kan je net zo goed een stapel kranten analyseren. Sterker: of het behandelen van literatuur meer bijdraagt aan de taalontwikkeling dan het lezen van een goed geschreven Tros Kompas of een strak geredigeerd moppenboek, wil ik betwijfelen. Als ik het strikt vanuit mijn functie als literair auteur bekijk, zal het me overigens worst wezen hoe het zit met de taalontwikkeling van mijn lezer. De docent en de (maker van) literatuur raken hierover dus al in conflict met elkaar.

Als we nu eens uitgaan van het aloude verheffingsideaal, en we zouden willen dat onze pupillen meer ontdekten over de wereld om hen heen. Immers, wie meer weet over de wereld, weet meer over zichzelf, is in staat zaken in perspectief te stellen, en kan doordachte beslissingen nemen (je zou bijna denken dat literatuur de wereld kon redden…).  

Wat mij betreft pas literatuuronderwijs meer in een mondiaal perspectief. Literatuur passeert de grenzen van de taalgebieden, zoals bij (kunst)geschiedenis en politiek ook het geval is. Als we filmgeschiedenis zouden beperken tot het  Nederlands taalgebied, zou je de cinematografie tekort doen. Ik snap niet dat niet meer scholen gebruikmaken van de vrijheid om de studielasturen voor literatuur bij de afzonderlijke talen samen te voegen tot één leergang literatuur. Goed, je moet inderdaad wel een professional voor de klas hebben staan, niet een wiskundedocent die er ook wat Nederlands op het naoorlogse kweekschoolniveau bij heeft gedaan.

Maar goed, zelfs al heb je dat bereikt, hoe toets je het dan? Welke ‘score’ geef je dan als beoordeling aan deze leergang?

Al eerder, na de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw, verschoof de aandacht naar de maatschappelijke context waarbinnen een literaire tekst functioneert. Toch vind ik dat meer te prijzen dan de bureaucratische omschrijvingen die we nu bij de eindtermen voor vwo geven in ons literatuuronderwijs:

“De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met een aantal door hem geselecteerde literaire werken. Minimumaantal: havo 8; vwo 12 waarvan minimaal 3 voor 1880.”

Dit soort eindtermen stemmen mij zeer somber. Alsof we ook zouden kunnen bewijzen dat we iets van politiek wisten door tenminste 8 à 12 politici te kennen, waarvan minimaal 3 voor 1880! Literatuur gaat ver dan alleen maar een paar boeken lezen en er over praten.

Maar goed, het blijft dus vanwege staatsbemoeienis boekhouden met dat toetsen van literatuuronderwijs. De toetsing van het literatuuronderwijs in het schoolexamen gebeurt over het algemeen nog altijd mondeling,naar aanleiding van een ‘leesdossier’ (havo/vwo) of ‘fictiedossier’ (vmbo). Als u docent bent, en u moet echt eerlijk zijn, zou u dan nu met ‘ja’ antwoorden als ik u vroeg of u uw leerlingen lastig viel met vragen als: ‘Wat is het thema van De Aanslag?’ of: ‘In welk jaar verscheen dit boek?’?

Niet dat ik het u kwalijk neem. En er is hoop. U wordt geïnspireerd door de wetenschap. Op universiteiten heeft men in de afgelopen decennia een gezonde visie op de receptie van letterkunde ontwikkeld. Elke docent Nederlands die met de toetsing van literatuuronderwijs worstelt, moet het boek als Kernthema’s in de literatuur- en cultuurwetenschap (2010) van Joost de Bloois en Esther Peeren, beide verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, lezen. Het boek verscheen bij Boom Lemma in de reeks ‘wetenschapsfilosofie in context’. Zelden las ik zo’n verfrissende analyse.  In de opvatting van De Bloois en Peeren plaatst literatuurwetenschap de literatuur in een bredere, culturele, maatschappelijke en wetenschappelijke context. Volgens mij moeten ambtenaren die behept zijn met het vaststellen van eindtermen voor literatuuronderwijs, met die ogen naar literatuur kijken, en minder met de blik van een accountant.

En zie. Dan ineens gaat er een wereld open. Dan zien we de literaire titels niet meer als papieren, afgebakende objecten (de omschrijving ‘minimum aantal’ impliceert al een geperverteerde haat tegen literatuur, eerder kwam ik ook al de verschrikkelijke term ‘leeslast’ tegen), maar als onderdeel van een groter geheel. Het gaat dan niet meer om de discussie of je al dan niet bijvoorbeeld Kluun ‘mag’ lezen voor school omdat het wel of niet als literatuur mag worden beschouwd; maar hoe je het werk van Kluun moet plaatsen in een tijd van globalisering en postmodernisme.

Immers, de invloed van de populaire cultuur heeft een grote omslag betekent in de literatuur. Zonder er het predicaat goed of fout op te plakken, heeft onze bestsellercultuur een rol gespeeld in onze omschrijving van een boek: meer dan ooit is een boek een vorm van ontspanning en vlucht, getuige de vele smeuïge flapteksten en wervelende aanbevelingen van tv-persoonlijkheden. Het is te vergelijken met onze voedselindustrie waar alles ingeblikt, met doorschijnend plastic omzwachteld of vacuüm gezogen is; we weten amper nog waar het vandaan komt. Literatuur mag wat mij betreft ook wat meer ambitie hebben: het willen schuren, ronken, bijten, zonder dat het perse schijtlollig wordt.

Waar ik mij tegen verzet, is het sentiment dat leerlingen niet enthousiast zijn te maken voor literatuur, althans, ik ben er van overtuigd dat het enthousiasme niet minder aanwezig is. Om het minder eufemistisch te zeggen: het was al nooit een populair verschijnsel bij scholieren, en het zal nog steeds niet automatisch een hit worden, maar het is niet zo dat we het literatuuronderwijs beter aan een groep everzwijnen kunnen proberen te geven.

Maar eerlijk is eerlijk, waar je bij wiskunde nog ‘handig’ bent als je sommen oplost en bij gymnastiek nog sterker kunt zijn dan de rest, ben je bij literatuuronderwijs natuurlijk de lul: niet zelden gaan literaire romans over verval, de schaduwzijden van het leven en met pathos overgoten vragen. Aan een groep meesmuilende adolescenten toegeven dat je literatuur interessant vindt,  is  nu eenmaal niet eenvoudig.

Toch denk ik dat we meer dan ooit alle kanten op kunnen in het literatuuronderwijs, al was het maar omdat ik kansen zie in de mogelijkheden van digitale didactiek. Ik ben benieuwd welke slimme educatieve uitgever voor het eerst komt met een spetterende digitale literatuur-applicatie vol Reve-voordrachten, Hermans-razernijen, het verschil tussen de bewieroking van het decadentisme door Huysmans en de omarming van het absurdisme door Camus, de overeenkomsten tussen de boeken van Kerouac en Wolkers, beelden waaruit blijkt dat 1984 en Brave New World belangrijker zijn dan ooit – dit gaat allemaal over literatuur en dat overstijgt de papieren kaft en de gortdroge eindtermen waarmee we onze docenten en leerlingen nu geselen.

Één ding weet ik dus wel zeker: de liefde voor literatuur kunnen we nu meer aanwakkeren dan ooit, dankzij de middelen die we tot onze beschikking hebben. Als we doorgaan op de weg van die slappe ‘mondelingen’, kunnen we de literatuur beter direct uit het curriculum van het voortgezet onderwijs slopen.

Deze tekst verscheen ook in het handboek van de Dag van het Literatuuronderwijs van 29 november 2012 jl.

 

JG Ballard festival

25 augustus 2012 | Reacties 0

Op 1 september 2012 as. vindt in Melkweg en Paradiso (Amsterdam) het JG Ballard festival plaats. Ondergetekende zal ook een rol vervullen tijdens dit meerdaags festijn. Meer hier.

Tot zover.

28 april 2012 | Reacties 1

Wijze les. Aldoende leert men, Lina.

Over tot de orde van de dag.

Lezing 17 maart as.

15 februari 2012 | Reacties 0

In Boekhandel Venstra in Amstelveen houd ik 's middags 14.00 een lezing. U bent welkom. Amstelveen, daar woonde ik ooit.

Nominatie longlist Libris en nieuwe recensie

3 januari 2012 | Reacties 0

Ooit vielen de namen Ballard en Baudrillard als referenties bij een recensie van De Schuldigen, tegenwoordig klinken zelfs Saskia Noort en Heleen van Royen. Follow the money, recensie op recensieweb.nl (****)

En weer prettig nieuws: De Schuldigen is genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Het compenseert Marjolijn Pouws recensie in Vrij Nederland (**) ruimschoots.

Archief

2013

april maart februari

2012

november augustus april februari januari

2011

november september juli juni mei april maart februari januari

2010

november oktober september augustus juli juni april maart februari

2009

december november oktober september augustus juli juni mei april maart februari januari

2008

december november oktober september augustus juli juni mei april maart januari

2007

december november oktober september april februari januari

2006

december november oktober juni mei maart januari

2005

november oktober september augustus juli juni mei