Thomas van Aalten

Je suIstanbul

29 juni 2016 | Reacties 0

Leed kent geen gradaties, maar wel voorrang. Een aanslag op het vliegveld in Istanbul, bijna mythisch op de Noord-Anatolische breuk, op de grens van Europa en Azië. Je ziet voorzichtig de eerste verplichte steunbetuigingen voor nabestaanden op de sociale kanalen, maar verder blijft het vrij rustig.

Ik weet niet hoe dat komt, of eigenlijk weet ik het heus maar wil ik het niet weten. Het past niet in de conservatieve frame, een aanslag van het ultieme kwaad in een gebied van een andere vijand: Erdogan. Min plus min is toch positief, leerden we bij de exacte vakken. 

Dat het de bloeddorstige hoeders van het schuim der aarde menens is, weten we allang. Maar dit weet niet iedereen: het beste medicijn tegen de bloeddorst van de duivelse leegte is niets dan warme, hete, ja verstikkende liefde. Tomeloze lust voor mijn part, slemppartijen, verbroedering, open armen. Hoe harder iemand de deksel op mijn neus slaat, hoe harder ik het deksel open zet. Hoe meer bommen, hoe meer open grenzen.

De hippie had illusies, die heb ik niet. Dat maakt het juist zo rustgevend om te aanvaarden: méér liefde voor lotgenoten als probaat middel, tegen beter weten in.

Op een dag zijn het misschien mijn beenderen die aan stukken worden gereten. 

 

The English disease

25 juni 2016 | Reacties 0

[Noot vooraf: Boris Johnson, een van de hoofdrolspelers van Brexit, de man die zich opwierp als de wajangpop van het theater, was ooit gestationeerd als journalist in Brussel voor The Daily Telegraph.

Bij de opening van de Kanaaltunnel was hij al op zijn hoede als het om Europa ging. ‘We zullen proberen de tunnel te negeren. Wij willen blijven voelen dat we een eiland zijn,’ zei hij toen. Volgens een NRC-artikel van 30 april ‘94 kreeg hij na zijn periode als journalist in Brussel heimwee naar het dwarsliggende Verenigd Koninkrijk. Hij wilde weer genieten van maaltijden in het restauratierijtuig van British Rail, verlangde naar schone taxi's, het interieur van Westminster Abbey en de aanwezigheid van "het enige interessante parlement ter wereld".]

Ik was in diezelfde periode als scholier in Leeds voor een uitwisselingsproject van de middelbare school. Ik werd ondergebracht bij een alleenstaande vader en diens zoon Ben. In een logeerkamer met bloemrijk motief op de wanden moest ik slapen. De ruimte was slecht geventileerd. Er hing een weeïge lucht van natte aarde.

Toen ik ’s ochtends ontwaakte, ontdekte ik dat de vader al naar zijn werk was en Ben naar school. Het huis was stil. Er was geen ontbijt; ik haalde bij een Pakistaanse supermarkt een Mars. Ik moest een dag op stage. Het regende in de verlaten buitenwijken. Veel klanten had de handel in muziekinstrumenten niet. Ik mocht als klusje de drumsleutels tellen, maar de eigenaar liet me ook een keyboard zien. Daar mocht ik best op spelen, als ik dat wilde.  

Een dag later gingen we op excursie naar de school van Ben, waar we mee mochten kijken bij een Natuurkundeles die nog saaier was dan de Natuurkundeles in Nederland.

Op vrijdagavond sloten we de week af in een pub. Ben dronk liters bier. Ik dronk niets. ‘Drink dan cider,’ zei Ben in de overvolle pub. Ik dronk een glas cider om de lucht te klaren. Een uur later braakte Ben op de vloer van de pub. Ik moest hem begeleiden naar huis. We stapten in de verkeerde bus.

Na de terugtocht met de ferry van Hull naar Hoek van Holland probeerde ik de week Leeds uit te leggen aan mijn ouders, maar ik kwam eigenlijk niet verder dan de slecht geventileerde kamer met wanden vol bloemrijke motieven.


(De afbeelding is een schilderij van Vera West. Deze column droeg ik voor op vrijdagnacht 24 juni in het VPRO Radio 1-programma Nooit Meer Slapen)

 

Amfibievoertuig

24 juni 2016 | Reacties 0

De Derkinderenstraat in Amsterdam stond blank. Ik stond haast tot aan mijn enkels in het water voor de basisschool van mijn dochters. ‘Daar moet je voorzichtig doorheen rijden,’ zo berichtte mijn broer. Ik moest denken aan het amfibievoertuig bij het Looveer in Huissen, halverwege de jaren tachtig.

Het amfibievoertuig was een boot met wielen, en ik weet niet waarom het ding voer – of wat doet het ding eigenlijk? – maar we gingen er naar kijken bij hoog water, als uitje. Mij interesseerde dat voertuig helemaal niet, maar mijn oudere broer, die sowieso meer technisch onderlegd is en geduld heeft met techniek en ervoor geleerd heeft bovendien, vond het een fenomeen. Het voertuig moet op zondag gereden hebben (ja, of gevaren, ik weet het) want op andere dagen dan zondag kwamen we zelden in het oude deel van Huissen. Wij woonden dicht tegen Arnhem aan, we spraken zonder accent, vierden geen carnaval en gingen niet naar de kermis. Maar we gingen wel naar het amfibievoertuig kijken.

Hoog water was een fenomeen in het door dijken omringde Huissen. Als de Rijn buiten de oevers trad, had de krant weer iets om over te schrijven en keken de inwoners nieuwsgierig toe. Als het water na een tijd weer ging zakken, waren we teleurgesteld. Nooit zette een ramp eens door. De korte opwinding en deceptie waren dezelfde als bij een stroomuitval na een blikseminslag in de centrale. Als het licht na uren weer aanfloepte en de koelkast weer zoemde, vervielen we weer in onze patronen.

Toen de school van mijn dochters uit was, was al het water in de Derkinderenstraat volledig verdampt.


(De afbeelding is een schilderij van Vera West. Deze column droeg ik voor op donderdagnacht 23 juni in het VPRO Radio 1-programma Nooit Meer Slapen)

Volksopera Europa

23 juni 2016 | Reacties 0

Aanslagplegers, kandidaten van talentenjachten en aandachtshongerige politici hebben twee belangrijke dingen gemeen: de obsessie om de ander te overtreffen en de wil om steeds in beeld te komen en te blijven.

We spelen in een absurde Volksopera, waarbij we laveren tussen het lekkere, het lelijke en de leugen, en die laatste twee het liefst van de ander.

Morgen weten we wat de Brit kiest, maar de Brit weet zelf amper wat hij kiest. Hij denkt te kiezen tussen FIFA of IS, Rooney of Cameron, Bargain Hunt of Britain’s Got Talent.

In de krantenarchieven las ik vandaag dat veertig jaar geleden een Britse vrouw wilde scheiden, omdat haar man al negen jaar niet zijn nagels knipte. Ook werden er voetbalploegen in de kolommen besproken, waarvan de een weer wel en de ander weer niet succesvol was. Volgens het Reformatorisch Dagblad was het moderne leven niets dan zedenbederf.

Boris Johnson en Brexit zijn straks ook niet meer dan zoektermen in een archief. Wij, en anders wel de anderen, zullen hossen op weer een sporttoernooi, en we zullen luider brullen – en er is vast wel iets lekkers, iets lelijks en een leugen waar we voor of tegen zijn.

De geest is uit de fles. De kurk moeten we opnieuw vinden, maar die is duurder dan de geest. De geest neemt alle vormen aan, danst vlug om de moraal en de mildheid heen. Dit is het dramatisch lot in onze Volksopera: de obsessie om de ander te overtreffen, de wil om steeds in beeld te komen én te blijven.


(De foto is van Robert Lagendijk. Deze column droeg ik voor op woensdagnacht 22 juni in het VPRO Radio 1-programma Nooit Meer Slapen)

 

De autobiografie van H.J.A.

22 juni 2016 | Reacties 0

(Ter herinnering aan Henk Hofland, 1927-2016)

Die ochtend was het H.J.A. al opgevallen dat de stad zo rustig leek, terwijl het een doordeweekse dag was.

Hij liep de trap af om de krant te pakken, zoals elke dag, maar er lag niets op de deurmat. Weer boven hoorde hij water druppelen; de elektriciteit leek uitgevallen en de vriezer was aan het smelten. Waarom gaf zijn telefoon geen signaal?

Er hing een serene stilte in de straten. Geen trams, geen taxi’s, scooters. H.J.A. klopte op de deuren, maar hij zag slechts verlaten woningen en winkels toen hij door de ruiten naarbinnen gluurde. Alles in de stad was er, behalve de inwoners.

Het was natuurlijk een aanslag, een nucleaire ramp, een epidemie. Alle bewoners zouden zijn gevlucht; hij had misschien een alarm gemist. In zijn werkkamer lag nog een radiootje op batterijen: het apparaat werkte, maar gaf slechts ruis.

H.J.A. dwaalde langs het Rijksmuseum. Passeerde woningen van vrienden. Plekken die hem herinnerden aan het verleden. Kijk, daar zag hij Theo van Gogh voor het laatst. Zijn honger stilde hij door de schappen van de onverlichte supermarkt te plunderen.

De volgende dagen was er niets veranderd. Hij moest zich wassen met koud water en om de schimmel op het fruit heen eten. H.J.A. plande wandelexpedities door de uitgestorven stad.

En elke avond nam H.J.A. plaats achter zijn bureau en rolde een wit vel in zijn schrijfmachine om aan zijn meesterwerk te schrijven.

( Vrij naar de ‘the autobiography of JGB’ van JG Ballard in de The New Yorker van 11 mei 2009. De afbeelding is een schilderij van Vera West. Deze column droeg ik voor op dinsdagnacht 21 juni in het VPRO- Radio 1-programma Nooit Meer Slapen)

 

Lieve Virginia

21 juni 2016 | Reacties 0

Virginia Raggi, foto: EPA

 

Lieve Virginia,

De mensen met wie we vroeger knikkerden, die we moesten toejuichen op de playbackshow of waar we heimelijk verliefd op waren terwijl de zomers waren begonnen en er een ondefinieerbare vruchtbare geur boven de plantsoenen van onze geboortedorpen hing, zij maken nu de wereld.

Wij, Virginia, we maken de wereld. De oude stad ligt nu in je handen.

Ook jij, Virginia, was nog maar een kind toen de felste kaderleden van de vakbond halverwege de jaren tachtig in de straten van je stad marcheerden, fulminerend tegen de mechanica die de werknemers van Fiat het werk zou afnemen.

En nu moet jij het doen. Je bent burgemeester van Rome. Ik zie je briljante foto die door Fellini geënsceneerd had kunnen zijn: tussen de donkere muren licht de warme, oranje beeltenis op van een vrouw die voor het laatst haar emoties durft te tonen.

Je stad brokkelt af, er zit graffiti op de klassieke beelden, de fonteinen zijn troebel, de rijen voor de loketten te lang, de gaten in de weg te diep: je moet aan het werk, Virginia. De stad wacht.

Ik ken je stad, maar alleen als amalgaam van herinneringen. Ik ken je stad van horen zeggen, maar weet bij elke maaltijd die ik bestel nog niet of ik word opgelicht of beloond. Jij moet het gaan maken, de corruptie bestrijden, de onmin wegnemen, de kartonnen dozen opvouwen waar de zigeunerkinderen stilletjes hun onderkoelde dromen wegsnuiven met de taaie, industriële lijm.

Er zijn maar weinig momenten dat ik terugdeins, maar dit is zo’n moment waarop ik het zou laten afweten.

(Deze column las ik voor op maandagnacht 20 juni 2016 in het VPRO Radio 1-programma Nooit Meer Slapen).

 

Geloof in het jaar 2500

13 juni 2016 | Reacties 0

In het jaar 2500 loopt een kleuter met zijn vader door een stad.

'Vandaag leer ik je wat Het Geloof is. Ik denk dat je er nu klaar voor bent.'

‘Wat is dat voor een gebouw?’

‘Dat is een humanistische synamoskerk-tempel.’

‘Wat gaan we daar doen?’

‘Ik laat het je zien.’

In het grote gebouw zitten mensen tegenover elkaar. Ze eten en drinken. Vader en kind gaan zitten. Ze krijgen een menukaart. Naast de vele gerechten staat er één tekst in vele talen:

“Beste wereldburger,

Er is geen hoger doel dan simpelweg een leven te leiden waarbij u het neemt zoals het is: een absurde ketenreeks van compromissen, genot, wensen en teleurstellingen. Van die vier is het genot het meest te benijden, zolang een ander er maar geen last van heeft. Kunnen genieten is soms moeilijk, dat zijn we met u eens.

Wat ‘last’ is, daar kunnen we over praten. Echter, slechte raadgevers zijn altijd afgunst, wraak, agressie en hebzucht.

Eet smakelijk.

Vriendelijke groet,

De rest van de wereld.”

Vader wenkt de ober en plaatst de bestelling. 'Tot zover Het Geloof. Een paar honderd jaar geleden had je daar nog veel voor nodig, maar net als zoveel in het leven hebben we het ons een stuk makkelijker gemaakt.'

Het kind knikt begrijpend.

De crash test van Iggy Pop

11 mei 2016 | Reacties 3

Als Iggy Pop met Josh Homme en band op het podium staat, zie je rechts silhouetten op de muur in een reusachtige aura, gevormd door een theaterspot. De schaduwen zijn symbolisch voor de uitwassen van popcultuur, die ooit ontstond dankzij de jeugd: energie, vechtlust, opstand, plezier. Het is om meerdere redenen een monumentale avond. Mokers en spijkers werden tijdens zijn carrière in de gelooide tronie geworpen en ondanks alles bleef Iggy Pop opstaan en doorvechten.

Hey, this looks like success!’ roept Iggy sardonisch als hij de kolkende menigte van de Heineken Music Hall hoort bulderen en joelen, bijna aan het slot van een indrukwekkende show. Waarna de drummer aftikt en de band ‘Success’ inzet, van het album Lust for Life.  Het is of de achtergrondvocalen van deze tovenaarsleerlingen zijn ingegeven door de geest van David Bowie, die sowieso gedurende de gehele show als nevel in de zaal hangt. Bowie, die Iggy volgens de legende uit de drek trok toen die als halfjunk de goten van de zelfkant leegslurpte en meenam naar Berlijn, eind jaren 70.

Alles klopt aan dit optreden. De witte baan in het midden van het podium, die tot het dak reikt; het uitgebalanceerde geluid, de moves van Homme en band, maar vooral de setlist en de vechtlust van Iggy. De ionosfeer vol galm, brommende synthesizers en machinale drums van The Idiot (1977) was ooit het resultaat van Bowie als genadeloze producer en Iggy als apathische sater. Bijna 40 jaar later zoemt en kraakt datzelfde elektrisch geladen geluid. Deze keer dankzij Josh Homme als creative director.

Bij aanvang zorgen de stoelen in de Heineken Music Hall voor enige reserve en twijfel, maar zodra de band begint met ‘Lust for Life’ te hameren, maken de reserve en twijfel plaats voor de beleving van totaaltheater. Post Pop Depression had een vermakelijke maar gemakzuchtige spierballenplaat kunnen worden in de traditie van Skull Ring of Beat ‘em Up, maar het werd dankzij Homme een sluitstuk van wat nu een trilogie vormt met The Idiot en Lust for Life: donker en licht wisselen af, maar de groove houdt nooit op, met als hoogtepunten songs als ‘Gardenia’ en ‘Sunday’.

De sprongen in het publiek zijn indrukwekkend voor een zestiger, maar dat is niet wat de adem beneemt. De lucht wordt pas ijl als de synthesizer van ‘Mass Production’ begint. Eerst als een borrelend moeras vol teer, aan het slot als een luchtalarm. Een streep wit licht zakt over de witte baan in het midden van het podium. Zodra de streep de grond raakt, volgt er een nieuwe streep. Dit blijft zich herhalen als een vastgelopen vhs-band. De lichtspots kleuren alles donkerrood. Nazi-robot Iggy Pop marcheert traag over het podium, terwijl zijn stem nog even diep en gezwollen klinkt als in ’77. Wat we hier zien en horen, is een symbiose van alle flarden uit Iggy’s loopbaan. Van de trailer parks en autofabrieken in Detroit, via de maniakale punkexplosie van The Stooges naar de tijd in West-Berlijn tijdens de artistieke samenwerking met Bowie maar vooral Iggy’s onophoudelijke vechtlust en verzet tegen alles wat hem probeert uit te maken voor shit.

Als je denkt dat je alles gehoord hebt - 'Funtime', 'Baby', 'Some weird Sin', 'The Passenger', 'Night Clubbing' - maken de nieuwe nummers eigenlijk alles af. De crash test verpulvert anderen genadeloos – David, Lou, Lemmy - maar Iggy Pop stapt steeds uit het wrak. En kijk, daar gaat hij door de zaal, terwijl ‘Fall in love with me’ als een eindeloze machine blijft opereren.

Uiteindelijk is dat Iggy’s adagium: blijf lustig doorvechten. Of dat nu als een demonische Iggy is of een rustige 69-jarige James Osterberg op de Kaaimaneilanden.

En terwijl ik nog eens naar die springerige silhouetten op de muur kijk, denk ik aan alle afwijzingen, alle nees, doden, gevaren, ziekten, angsten – je moet er dwars doorheen. Het leidt tot het inzicht dat het leven vol tegenslagen uiteindelijk de bouwstenen vormen voor lust en het succes. Iggy bewijst het met misschien – no, fuck that – met zeker het beste concert dat ik ooit zag.

 

I should Coco

18 april 2016 | Reacties 0

Ik ken een meisje. Ze heet Coco. Ze is een briljant wezen, dat nogal koddig uit haar ogen kijkt. Haar kreten zijn aandoenlijk, haar enorme jampotglazen maken alles nog aandoenlijker. Geef me een kamer vol Coco’s. Wát, een huis. Haar moeder zal het me afraden, maar toch.

Ze heeft het zeldzame Rett-syndroom. Het is nog exclusiever dan de eerste persing van The Reptile House van The Sisters of Mercy uit de vroege jaren tachtig – maar het is wel een stuk onhandiger om te hebben. Je verkoopt zo’n syndroom niet eenvoudig op Record Store Day. Of je haar nu gehandicapt, minder bedeeld of gewoon Coco noemt, je vált voor haar (zij zal niet zo snel vallen, want ze zit dus af en toe in een rolstoel).

Hoe dan ook. Ze gaat binnenkort naar een speciale school en moet daarvoor vervoerd worden middels een rolstoelauto. Ja, zo’n vreemd hoog ding dat je niet koopt om mee te cruisen over de boulevard, maar Coco – en vooral haar moeder – zal er erg blij mee zijn. Het ding kost wel wat meer dan The Reptile House van The Sisters of Mercy. Veel meer.

18 mille.

Ja.

18 duizend ronde euro’s.

Maar omdat Coco zo’n Pausmobiel verdient, doe ik mijn best om u, trouwe lezer, fan, maar desnoods ook mijn vijand, over te halen tot een donatie. Elke donatie is welkom. Laat u niet afschrikken door de hogere bedragen die reeds gegeven zijn, het is geen wedstrijd. Sla desnoods die Pouilly-Fumé vandaag even over en besteed dat bedrag aan Coco.

Doneren kan hier. Eenvoudig, met iDeal, creditcard, enzovoort.

Dank u.

 

Het fantoomsentiment van de jaren 90

5 april 2016 | Reacties 0

Schrijver en filosoof Jannah Loontjens publiceerde onlangs een ‘ode aan de vrije jaren negentig’ (althans, zo kun je het lezen) met haar boek Roaring Nineties. Ze zet de essaybundel nog even slim in de etalage met een opiniestuk in de Volkskrant van 4 april jl: 'Laten we kiezen voor naïef nineties-optimisme'. Hoewel het onderwerp me als generatiegenoot (we schelen vier jaar) zeer aanspreekt, moet ik helaas constateren dat ze met haar opvattingen over de jaren 90 soms een kijkfout maakt.

Jannah Loontjens baseert haar opvattingen over het decennium van de vorige eeuw grotendeels op haar eigen blik uit die tijd. Dat is een wat ongelukkig vertrekpunt, zeker als je bedenkt dat de schrijfster filosoof Derrida opvoert ‘om de dingen op een andere manier te begrijpen’.  

Grappig. Het ideale ‘wij’ dat Loontjens in haar opiniestuk deze week in de Volkskrant opvoert, geïllustreerd aan de hand van een herinnering aan een studie filosofie in de jaren 90, is het soort idealisme dat je evengoed vandaag in de collegebanken tegenkomt. ‘Een 'wij' […] dat iedereen, ongeacht religieuze of culturele achtergrond, zou kunnen omsluiten.’

Loop een gemiddelde collegezaal binnen en nog steeds zal iedereen dat als ideaal omschrijven. Even verderop schrijft ze: ‘Als iemand ons destijds de huidige polarisatie tussen moslims en niet-moslims had voorspeld, hadden we waarschijnlijk hard moeten lachen. Ook de roep om het redden van de nationale identiteit, het bestendigen van canons van Nederlandse helden, hadden we destijds nogal benepen gevonden. […] Uiteindelijk zouden alle culturen in een vrolijke gekleurde spaghetti met elkaar verweven en verbonden raken.’

Werkelijk, er is geen verschil met de huidige millennials die simultaan de wereld over reizen met een abonnement op Blendle en de Correspondent, elkaar via Facebook veel te lange essays doorsturen en afwisselen met foto’s en memes van aangrijpende gebeurtenissen.

Wat Loontjens vergeet, is dat ze steeds redeneert vanuit de eigen tunnel, in haar geval de tunnel van de hoger opgeleide post-acid kid in de Amsterdamse binnenstad in de jaren 90. Loontjens werkte in de Supperclub (een vrij exclusieve en kunstzinnige bar met veel wit sierleder en waarbij je liggend kon eten, meen ik me te herinneren). Ze voert in haar boek een anekdote op waarbij ze huilend champagne serveert: ‘Ineens moest ik huilen. Waar de tranen zo vandaan kwamen was me niet helemaal duidelijk. Maar ze stopten niet. Huilend serveerde ik, huilend nam ik bestellingen op. De gasten die mijn tranen ontwaarden keken me ongerust aan, gingen zachter praten, een enkeling vroeg me wat er scheelde, een vrouw legde haar hand op mijn schouder. […]  Ik ervoer het als acceptatie van wie ik was. Ik werd niet getroost maar ik werd ook op geen enkele manier veroordeeld.’

De Supperclub, voor mij, een tienerjongen uit een jaren 70-nieuwbouwwijk aan de andere kant van het land was dat zo’n beetje wat nu Dubai is voor een havist uit Dinxperlo: je hoorde ervan, maar wat er gebeurde, kon je niet helemaal duiden. Het waren de tijden van lounge (hoewel ik meer van Suede was), een dode Kurt Cobain, een vermiste Richey Edwards, van Douglas Coupland en Giphart, van Micha Klein en andere digitale potsenmakers.

Toen mijn vriendinnetje op de Rietveld studeerde raakte ook ik steeds meer door dat hoofdstedelijk vacuüm vol twintigers opgeslokt: de feestjes van Vrieshuis Amerika, de Nieuwe Avro op de Keizersgracht en zeg, zat er niet op de 1e Constantijn Huygensstraat niet ook een non-descripte ruimte voor debat en kunst?

Wat me opviel op die blauwe maandagen was dat eenieder zich vooral in een kennelijke staat bevond. ‘Nu heb ik genoeg over mezelf gepraat, praat jij eens over mij.’ Het was in wezen niet veel anders dan een scène van Hadimassa uit de jaren 70. Daar kun je Derrida bij halen, maar is het niet een eigenschap van een zekere kring om je zo te uiten?

In haar Volkskrant-opinie probeert de schrijfster die tijdgeest te verbinden aan de huidige. Alleen is het háár eigen tijdgeest van toen wederom verbonden aan die van haar eigen kring: ‘Er zijn ontelbaar veel immigranten, moslims en niet-moslims, die uitstekend zijn geïntegreerd. Er bestaan naast probleemwijken ook vele geslaagde gemengde buurten - zelf woon ik in zo'n buurt, het hippe Bos en Lommer in Amsterdam - er zijn gemengde huwelijken, vriendschappen en werkrelaties. We leven in een multiculturele samenleving, daar kunnen we niet omheen. Om in deze veelkleurige werkelijkheid zo goed en zo vredig mogelijk samen te leven, moeten we er met z'n allen weer in gaan geloven. Laten we het nineties-optimisme nieuw leven inblazen.’

Ah, flower children, never bore me. “Die uitstekend zijn geïntegreerd” – hallo, zeg je dat ook van een tegelzetter uit Schiedam die is neergestreken in de hoofdstad? Ik ben het eens met Jannah Loontjens als Amsterdam als progressief bolwerk goeddeels geslaagd is in de buitenwijken (we zijn trouwens praktisch buren; ik in Slotervaart, zij in Bos en Lommer), maar dat is niet representatief voor Nederland. De hoeveelheid 'gemengde huwelijken, vriendschappen en werkrelaties' is in Aalten, Heerlen en Roodeschool en Middelburg nog geen procentpunt in de kaartenbak van de statistieken.

De fout van het nineties-optimisme was dat het dikwijls verward is met laissez faire-pragmatisme. Dan kun je de privatisering van voormalige overheidsdiensten (OV, zorg, telecommunicatie), de fluwelen handschoenen bij maatschappelijke problemen en de blunders rondom Dutchbat ook nineties-optimisme noemen.

De schrijfster en ik zijn het in de kern van het verhaal met elkaar eens: dit land heeft een verhaal nodig, en dat is wat mij betreft niet het theater van de haat en angst. De peilingen met de PVV als grootste beweging vormen mijn nachtmerrie. Maar de tijd dat je als doorgegaarde vrijdenker op een matras naar het plafond kon staren en te filosoferen teneinde de wereld te redden, is hoop ik wel voorbij.

Kom, we zijn geen twintig meer.

 

Archief

2016

juni mei april maart februari januari

2015

december november september augustus juni mei maart februari januari

2014

december november oktober september augustus juli