Thomas van Aalten

Zeik niet zo over de jeugd, zorg voor meer boeken

28 oktober 2020 | Reacties 0

Als u in een Parijse metro zit, zult u meer lezers van papieren boeken aantreffen dan in een Amsterdamse metro (u kunt het helaas nu even niet controleren). ‘Meer’ is niet zo moeilijk. Ik denk dat er maar weinig mensen als vlot tijdverdrijf tussendoor een boek pakken. Degeneratie! Devaluatie! We vinden dat we boeken en het geschreven woord moeten koesteren. Dat is van alle tijden. Wil je lezen hoger op de agenda krijgen dan moeten er nu eenmaal boeken zichtbaar zijn in het publieke domein.

Wat zie je het eerste als je een school binnenwandelt? De kantine. Niet een bibliotheek. Natuurlijk, er is een verschil tussen boeken en leescultuur. In Nederland zijn we dol op mascottes die de leescultuur moeten bevorderen, tot aan het tragische voorbeeld Famke Louise aan toe: ze mocht bij talkshow M aanschuiven als gezicht van Stichting Lezen om de gewraakte ontlezing onder jongeren in Nederland te bestrijden. Dat is Nederland: battles en challenges. Weet ik ook een leuke weddenschap. Als ik in de metro een groep schoolgaande jongeren de keuze voorleg: 20 euro aan gefrituurde kip of 20 euro aan boeken, wedden dat ze dan het eerste kiezen? Veel, vet, herkenbaar.

Mag ik dan eerst even vragen waarom we lezen toch zo belangrijk vinden, en waarom de discussie steeds oplaait? Al vanaf de tweede helft van de 20e eeuw horen en zien we onheilsberichten over ontlezing. Begin jaren 90 luidde de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond de noodklok dat lezen steeds meer iets van een elite werd. ‘Tussen hen en de mensen die niet lezen dreigt een echte cultuurkloof te ontstaan. Van de jongeren tussen twaalf en negentien jaar vindt nog maar 7 procent het lezen van boeken een acceptabele tijdsbesteding,’ aldus de Volkskrant op 28 juni 1993.

Recentere resultaten van het Sociaal en Cultureel Planbureau: ‘Het aantal tieners dat wekelijks minstens 10 minuten aaneengesloten leest is enorm gedaald […]. In 2006 las nog 65 procent thuis af en toe een boek. In 2016 was dat 40 procent.’

Met een beetje ironie en nattevingerwerk zou je kunnen zeggen dat de jongeren uit de jaren 90 wel meer lazen, maar het alsnog geen acceptabele tijdsbesteding vonden.

Het Limburgsch Dagblad publiceerde op 5 maart 1970 resultaten van een onderzoek naar tijdsbesteding van jongeren in Heerlen anno 1970: een derde las helemaal niet, 6,4 procent van de ondervraagden las zeer veel (meerdere boeken per week).

De hoogbejaarde (en in 2005 overleden) Veluwse schrijver Jacob Overeem probeerde ooit de jeugd ‘van de straat te houden’, met verschrikkelijke boeken tot gevolg. ‘Het moet thuis zo gezellig zijn dat de jongelui geen behoefte hebben om naar de disco te gaan,’ vertelde hij op 11 september 1993 tegen het Reformatisch Dagblad. ‘lemand die niet leest, is net een koe in de wei: die vreet alleen maar gras en doet verder niets. Maar als ik dan halverwege zo’n boek over homoseksualiteit en dat soort dingen lees, sla ik het boek dicht.’

(Ik zou trouwens toen (en nu) liever een liberaler kind hebben gehad dat nooit las en veel naar ‘de disco’ ging.)

Zien lezen doet lezen. Pomp veel subsidie in bibliotheken, opnieuw op te richten en aan te bouwen als vleugel van een middelbare school, bijvoorbeeld (wist u trouwens dat boekhandels de bibliotheek in de jaren 70 als bedreiging zagen? Doodsbang dat de verkoop van romans zou haperen. In 1975 werd immers dankzij het kabinet Den Uyl de Nieuwe Wet op het Openbare Bibliotheekwerk ingevoerd: de bibliotheek werd gezien als een basisvoorziening, iedereen moest er gebruik van kunnen maken.). Waarom fysiek, en niet digitaal? Nou, zoals ik al zei: zien lezen doet lezen. En als het aanbod van literatuur even zichtbaar is als de energietoevoer van het schoolpand, dan wordt het nog een hele opgave.

Terug naar Frankrijk, dat overigens helemaal geen wetgeving kent met betrekking tot openbare bibliotheken. De cijfers van de boekverkoop in Frankrijk zijn de laatste vijf jaar stabiel en zit met 430 miljoen boeken per jaar op ongeveer hetzelfde niveau als in 2004, schrijft Martin de Haan op 25 april jl in de Volkskrant. Waarom? Literatuur heeft daar nu eenmaal een ander aanzien dan hier, diepgeworteld in de cultuur, net als de nationale keuken. Wij hebben het hier maar te doen met de nawee van Honig en Maggi. 

Lezen zou in Nederland een wezenlijk onderdeel kunnen zijn van het dagelijks leven, ook al zien jongeren niet gelijk ‘het nut’ ervan. Een vrachtwagen op straat heeft op het eerste gezicht ook geen nut, tot hij de basis voor de gefrituurde kip blijkt te transporten. Zo is het met lezen ook, maar dat hebben ze pas later door: lezen leert hen gedachten ordenen, leert andere werelden begrijpen, leert beter uitdrukken. Een fysieke bibliotheek is daardoor een cruciale life line, juist voor kinderen uit gezinnen waar lezen (nog) geen wezenlijk onderdeel is.

Een rijk en breed aanbod van boeken dus. De tijd zal uitwijzen of de doelen, genoemd in de Kamerbrief over het Leesoffensief, begin deze maand gelanceerd, effect hebben. Misschien kunnen we het tij keren. Daar hebben we overigens geen influencers (of gefrituurde kip) in ons blikveld voor nodig, maar vooral veel boeken.

Een vrouw van de wereld ligt nu in de winkel

5 oktober 2020 | Reacties 0

 

Over Ruimte van Walter van den Berg

21 september 2020 | Reacties 0

 

Het was de generale repetitie van de laatste zomeravond, morgen kan het nog een keer, als ik de voorspellingen mag geloven. Ik liep terug van de Slotermeerlaan naar mijn huis, niet ver van de Sloterplas. Ik had gegeten bij een van die tentjes aan de laan. De eigenaar verstond nog niet de taak van het ondernemen, hij scheen niet te springen om klandizie of fooi. Misschien gebeurt dat wel nooit. Ik las in het Parool een reportage over de afgebrande kringloopwinkel Rataplan, aan het August Allebéplein. Ik durfde zelf nog niet te kijken naar de restanten van wat voor  omwonenden een functie van IKEA, boekwinkel, Bijenkorf én clubhuis vormde. Ik had net een uurtje Ruimte van Walter van den Berg uit.

Onze beide romans komen toevallig rond deze tijd uit, en beide boeken spelen (deels) in dit stadsdeel: Amsterdam Nieuw West. Dit stuk gaat niet over mijn boek, maar over het zijne. Walter en ik hebben een band met de buurt, maar onze band kent tegengestelde aanhechtingen. Hij groeide hier op tussen semi-hoogbouw en winderige pleinen, terwijl ik er juist als vader neerstreek. Hij woont nu aan de andere kant van het land tussen dijken en rivieren, een landschap dat ik als geboren Huissenaar maar al te goed ken.

Opvallend veel jonge mensen strijken neer in dit rurale gebied. Verrassender dan Osdorp, ongepolijster dan de Baarsjes. Dezelfde kringlooptrui die de Canta-bestuurder heeft omdat hij niet veel meer kan besteden, wordt hier (al dan niet ironisch) ook gedragen door de genderfluide ZZP'er met zijn/haar guerilla moestuin. Urban chic, heet dat geloof ik. Soms vind ik het lijken op onderklassesafari, je moet daar mee uitkijken. (Ik houd oprecht van de Lidl zónder erom te lachen, dat is iets anders, vind ik).

Over Ruimte dus. Tijdens mijn wandeling naar huis moest ik denken aan het nummer Wide Open Space van Mansun, een band uit Chester waar ik fan van raakte toen de koek bij Suede opraakte tegen het einde van het decennium (inmiddels is dat ook weer omgedraaid). Het gevoel dat de tekst van het nummer opriep – diepgevroren cynisme om mee te zingen – is hetzelfde gevoel dat Ruimte bij mij oproept.

I could be back at my house, for I care
They do not hear me, it's the same old case

Niet dat Walter een cynische schrijver is, of dat je het een cynisch boek kunt noemen. Laat het me uitleggen.

We volgen in Ruimte de jonge Wesley, die, min of meer ten prooi gevallen aan de onhandige keuzes van zijn onoplettende moeder, steeds lege ruimtes moet opvullen. De leegte die zijn overleden vader achterliet. De leegte die de foute vrienden achterlaten. Geld dat er niet is. Tijdelijke huizen. Wesley en Dimphy zijn nomaden en eigenlijk zijn er maar weinig plekken waar ze hun hoofd kunnen laten rusten. Voor je het weet staat ex Erik weer voor de deur, al dan niet in een caravan op de parkeerplaats. Om die leegte het hoofd te bieden, is Wesley het kraakbeen tussen de wereld van zijn moeder en de wereld daarbuiten.

Parallel aan de gebeurtenissen van de jonge Wesley lezen we over het leven van de volwassen Wesley. Hij is inmiddels succesvol in het creëren van ruimtes die niet tastbaar zijn; Wesley schrijft code voor computerspellen. En Wesley schreef een zelfhulpboek waarin hij predikt weer de ruimte op te eisen. Hele zalen vol onzekere jongens spreekt hij toe, maar zijn neergang zet in na een ongemakkelijk moment op de nationale televisie in het programma Mr. Daily. (Laten we zeggen, een variant op De Wereld Draait Door).

Als in Don Delillo’s Cosmopolis brengt de volwassen Wesley pagina’s lang door op de achterbank van een taxi die de stad doorkruist, terwijl hij zijn eigen ondergang digitaal volgt op de smartphone. Waarom de ondergang is ingezet, zal ik hier nu niet verklappen.

Walter van den Berg heeft met Ruimte een vervolg geschreven op zijn roman Van dode mannen win je niet, al moet ik bekennen dat ik dat boek niet las. Ik begreep uit een interview dat ik de boeken prima los van elkaar kan lezen. Het zal bij de lezer die onbekend is met een van de boeken, ongetwijfeld een aanzuigende werking hebben op de andere titel.

Walters schrijfstijl is zoals de straten van Slotervaart, daar kan geen Land van Maas en Waal tegenop. Staccato, zonder opsmuk, wat koud maar duidelijk. En in al zijn tragiek en teleurstelling roept hij bij mij ook ontroering op.

Achterin het boek richt de schrijver zich tot de lezer middels een disclaimer; als je nadenkt over zelfmoord, zoek dan hulp. Alleen daarom is Van den Berg geen cynische schrijver, en het boek is evenmin cynisch – de wereld die erin beschreven staat, is dat absoluut, tot op het nihilistische af.

I'm in a wide open space, I'm staring
There's something quite bizarre I cannot see.

Ruimte verschijnt deze maand bij Hollands Diep.


Je zal maar doodgaan en nooit een Gretsch hebben gehad. Was getekend, Allard J.J

14 september 2020 | Reacties 0

In februari 2020, een paar weken voor de Corona-crisis (wat haat ik dit om op te moeten schrijven, vermoeiend steeds), spreek ik Allard Jolles, afdelingshoofd bij het Rijksvastgoedbedrijf en in een vorig leven actief als muzikant. Althans, daar ging ik vanuit. Ik ben dan al driekwart jaar spaarzame vrije uren aan het volplannen met interviews voor mijn boek over The Fatal Flowers, (dat in april 2021 verschijnt bij JEA Publishers). Allard was de eerste drummer en medeoprichter van stadgenoten Claw Boys Claw, en later gitarist-zanger bij L’Attentat. Dankzij Jolles’ vrij goede geheugen heb ik veel aan zijn bespiegelingen van de muziekindustrie in de tweede helft van de jaren tachtig. Bijzonder is dat hij ook zijn eigen muzikale carrière nogmaals laat oplaaien. Niet zonder reden.


Als ik Allard ontmoet op die druilerige vrijdag in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam, zijn we de eerste en enige bezoekers. Een dame haalt nog een vaatdoek over de tafeltjes, wij moeten nog even wachten tot de grote glazen deur open gaat. Aken en ponten schuiven op de achtergrond langzaam voorbij. Allards schedeldak is grijs en zacht, donsachtig. Ik vermoed aanvankelijk dat een loopbaan bij het Rijksvastgoedbedrijf hem de wilde haren moet hebben ontfutseld en hem in een kleurloos ambtenarenuniform heeft gedwongen. Niets blijkt minder waar. Ik zeg dat mijn vriend en collega Robert Lagendijk hem ooit de godfather van de Amsterdamse rock ‘n’ roll noemde. ‘Zegt hij dat? Hij mag mijn ring kussen.’ Hij trekt zijn leren jack uit en legt hem over de stoel.

Als producer is Allard Jolles eind jaren tachtig actief voor Belgische bands als Paranoiacs en The Slumbers, in Amsterdam produceert hij The Rumble Cats en zijn ‘eigen’ Claw Boys Claw: het album Hit Killers had Allard achter de schuiven. En dan is er na al die jaren een album, Uncovered, waarop Allard zelf zingt en speelt als Allard J.J. Nummers van pakweg 3 minuten, niet te ingewikkelde akkoordenschema’s, een beat als de cadans van een Newyorkse metro en een wat nasale stem die teksten voordraagt die teruggrijpen op het afgelopen jaar, zoals het nummer 'IV Bag' (Infuuszak). Allard is ziek.

'Hoe het nu gaat? Tja. Ik moet niet te vroeg beginnen en niet te lang doorwerken. Soms denk ik: waar zit ik nou weer over te praten? Dus dan slik ik maar braaf die pillen en probeer zo leuk mogelijk de dag door te komen. Ik ging maar eens slide-oefeningen voor gitaar op YouTube opzoeken. Ik ben nog eens mijn oude teksten gaan lezen en ben zo weer nieuwe dingen gaan schrijven.’

In mei 2020 hebben we weer contact; de medicijnen slaan gelukkig goed aan. De lockdown werpt vooralsnog geen barrieres op. Zijn muziek brengt Allard uiteindelijk in augustus uit op zijn eigen label. Zelfs een vinyl-editie van Uncovered zit eraan te komen. Het is een wrange bijkomstigheid, de ziekte die hem de creativiteit heeft (terug)gebracht. Hoogtepunt op het album is het nummer ‘Novelty Value’, wat door zijn glamrock-geluid niet zou misstaan in het oeuvre van Hello (van wie het aanstekelijke ‘New York Groove’ vaak wordt toegekend aan Kiss-gitarist Ace Frehley, dit terzijde).

Van de 14 nummers heeft het soms een wat hoog gehalte ‘ribs, beer & burgers’ qua bluesrock, maar op zijn best heeft het die prettig chaotische riot city blues en dat morsige ZZ Top-geluid waar je je cool kunt behouden, ongeacht het type carrosserie waarmee je je voortbeweegt op de rijkssnelweg. De teksten zijn soms reflectief en volwassen, maar de rechttoe-rechtaanrijm is zelden ver weg:

Feeling good while in transition

Feeling good while walking around

Feeling good while in this city

Feeling good without a sound, oh yeah

Een imaginair tochtje door New York vanuit het (ziek)bed? Allard J.J. leidt u de weg in 'Urban Groove'.

Het eerder genoemde ‘IV Bag’ en ook single ‘Pelicans’ doorstaan de lakmoesproef: geen tragische stuiptrekking van de grijsaard die zo nodig nog eens rockmuziek moet maken, maar een schoolvoorbeeld die de tieners en twintigers in de garage laat zien hoe het moet. ‘Je zal maar doodgaan en nooit een Gretsch-gitaar hebben gehad! Ik heb er direct twee gekocht. Een zo’n Mississippi-ding en een rockabilly-model.’

De smeerolie moet in je oren zitten, waar het zich vermengt met bloed. Dan heb je het goed gedaan. Allard J.J. deed het goed met Uncovered met hulp van Frans Hagenaars, John Cameron, Jeroen Kleijn, Hans ten Velden, Paul Geelen en anderen. Luister hier naar Allard J.J.

Oktober 2020

16 juni 2020 | Reacties 0

Mijn nieuwe roman Een vrouw van de wereld verschijnt oktober 2020 bij Uitgeverij Podium.

Dansen op de vulkaan

18 maart 2020 | Reacties 0

Zo maak je nog eens wat mee: omdat studenten kennelijk koudwatervrees hebben om hun verhalen in te zenden, hier vast een voorproefje uit eigen werk - een roman die dit najaar verschijnt (titel nog nader te bepalen).

Context: Leonie Espen woont begin jaren 70 met haar man Dick, directeur van een reisbureau, aan de Amsterdamse Burgemeester Eliasstraat in Slotermeer.

Dansen op de vulkaan: schrijfwedstrijd voor studenten

15 maart 2020 | Reacties 0

Omdat het Corona-virus driftig om zich heen grijpt, heb ik voor studenten (hbo en wo) in Nederland en België een interessante uitdaging. Om de tijd te doden en de wijsheid te voeden heb ik een oproep voor schrijf- en leesgierigen: stuur uw verhalen. 

Hoe gaan we dat doen?

Mail je verhaal (alleen fictie!) van maximaal 1500 woorden naar t.van.aalten [a] hva.nl.

Uit de dagelijkse inzendingen vis ik het beste verhaal en lees ik het integraal voor. Ik zal ook toelichten waarom ik het verhaal heb uitgekozen en zal ook feedback geven. De link naar de audio plaats ik vervolgens hier op op deze site. Zolang het duurt! De winnaar wordt ook dagelijks via Instagram bekendgemaakt.

Voorwaarden:

-Alleen Nederlandstalige fictie is toegestaan. Geen essays of poëzie;

- Je studeert aan een hogeschool of universiteit in Nederland en/of België;

- Inzendingen moeten als Word-document worden aangeleverd voorzien van naam, leeftijd en onderwijsinstelling en link naar Instagramprofiel (indien gewenst). Liever toch anoniem? Geef dit dan duidelijk aan;

- Verhalen mogen niet elders gepubliceerd zijn (wel op eigen blog);

- Dagelijkse deadline is om 17.00. Afhankelijk van de inzendingen mag je dagelijks een nieuw verhaal aanleveren.

Dit is een particulier initiatief van Thomas van Aalten, schrijver en als docent verbonden aan de opleidingen Creative Business en Communicatie van de Hogeschool van Amsterdam. Volg de auteur op Instagram.

De gewone man en vrouw: gooi ze voor de leeuwen

14 januari 2020 | Reacties 0

Ik stuitte een paar jaar geleden op een relatief nieuw fenomeen bij  studenten: ze wapperden met hun handen hun ogen droog als ze huilden (jongvolwassenen huilen nogal eens, niks nieuws onder de zon). Maar het wapperen met die handen, dat had ik gezien bij kandidaten in realityshows die wilden voorkomen dat hun make-up uitliep voor het oog van de kijkers thuis.

Ik heb geen cijfers van het aantal handenwapperaars wereldwijd, ik probeer ook niet aan te tonen dat het om een gevaarlijke ontwikkeling gaat. Het wapperen is nog onschuldig. Het legde wel iets anders bloot: wat is nog van ons en wat is een residu van eindeloze imitatie?

We zijn een pakket van consensus, pragmatisme en lullige ironie geworden en dat uit zich in onze politiek, het onderwijs, wetenschap, de media, de kunst- en cultuursector – tot aan de financiële sector, winkels en horeca aan toe.

Kunst moet een haakje of een kwinkslag hebben, artiesten een hit, winkels een niche, politici een momentum, onderwijs een canon, cultuur een quotum. U wordt een jij, een vraagteken een uitroepteken. We zijn een maatschappij met antwoorden en stellingen, vragen zijn uit den bozen.

Jonge mensen, aan het begin van hun carrière en levenspad, krijgen steeds vaker te horen: ‘Dat gaat je niet lukken, vergeet het’ of juist: ‘Dit gaat je wel lukken, topper.’ Daarentegen: ‘Geen idee’ of ‘Spannend, probeer maar’ is eigenlijk al niet meer mogelijk in dit land. Je ziet juist de gevaarloze, stupide ideeën in het publieke domein. De clickbait als norm. Wil je dj worden? Er is een opleiding voor. Wil je een pretpark oprichten? Er is een opleiding voor. En als niemand erop zit te wachten, doe je alsof. Dan imiteer je succes. Rank jezelf een weg naar de hemel. Maar wil je hier als vluchteling komen? Vergeet het maar.

Mensen worden heus niet meer minder creatief, eigenzinnig, rebels of authentiek dan voorheen. Maar de instituten (onderwijs, media, politiek, kunst- en cultuursector) hebben er steeds minder ruimte voor. Ze zijn als de dood om ouderwets en star over te komen. Gevolg: er ontstaat een knap staaltje code switching – met de grootste knieval voor de gewone man.

In een dictatuur, zo luidt de stelregel, heeft het onderdrukte volk een gezamenlijke vijand: de dictator. Gemeenschapszin en zorg voor elkaar achter de voordeur zijn niet zelden het gevolg van de onderdrukking daarbuiten (een onsmakelijke metafoor voor hen die zo’n dictatuur ontvluchtten).

Maar hoe vrij is Nederland nog met haar grappig bedoelde slogans, bluffende politici, eindeloze evenementencultus en verering van alles dat riekt naar middelmaat, tenzij het overdreven is zodat het een parodie wordt? Enter Chateau Meiland en fucking schiettentpolitiek. Kritiek is op voorhand zinloos, want een suikerspin van de kermis kent geen slecht jaar. 

Al jaren weet ik: de gewone man en vrouw zijn mijn grootste vijand. Gooi ze voor de leeuwen! (Ze bestaan toch niet).

 

Thomas van Aalten terug bij uitgeverij Podium

29 november 2019 | Reacties 0

Meer hier.

Basisscholen vormen niet voor niets de basis

26 november 2019 | Reacties 0

Als kind ben ik eens door de lagere school meegetorst naar een demonstratie. We kregen borden om onze nek met 'Deetman door de plee man' (of we riepen het, daar wil ik vanaf zijn). In de brugklas van de middelbare school balde ik de vuist in marsen tegen racisme en discriminatie - Arnhem, begin jaren negentig en we had a ball.

Ik heb een wrange bijsmaak gehouden van demonstraties, barricaden, bezettingen. Zo ruik ik de nevel van onbehagen bij sit-ins waar met trom en potsierlijke vermomming kinderen worden gebruikt ten faveure van volwassen standpunten. Het ene kind van de mileubewuste ouder op mijn Facebookwall deugt nog meer dan de ander. Ik vind dat griezelig. Als een kind van acht wil demonstreren, moet je het net zo serieus nemen als dat het limonade wil verkopen; ga je gang, maar is het dan soms ook gelijk een ondernemer?

Hoewel ik kinderen heb, heeft mijn felle standpunt over de staking in het primair onderwijs daar niets mee van doen. Onderwijs raakt immers vooral de essentie van een natie.

Hoe bestaat het dat we in een land leven waar dagelijks de kantoorflats en industrieterreinen worden gevuld met consultants, analisten, beleidsmedewerkers, adviseurs, wegkwijnend onder systeemplafonds tussen muren van multomappen en led-schermen, de ene zonvakantie na de andere boekend, de ene na de andere lease-auto verpulverend, de ene na de andere Nespresso wegslurpend voor een schandalieg hoog maandbedrag dat soms het dubbele is van de juf of meester die hij of zij ooit had? 

Dat heet de vrije markt. Rodney, Kees, Rachid, Meryem, Storm en Sterre willen soms dat soort banen. Dat mag. Zoals Klaas ooit graag de nationale politiek in wilde. (Klaas incasseert ondanks zijn huidige rol bijvoorbeeld sinds zijn rentree in 2017 in de Kamer elke maand wachtgeld vanwege zijn vorige baan - ik houd niet van afgunst, wel van logica. Ik vind dit niet logisch).

Maar dat mag. Dat heet wetgeving binnen de democratie.

Het zou allemaal niet zo rampzalig zijn als het primair onderwijs royaler werd toebedeeld. Niet alleen met meer geld, maar met minder regels, eisen en kaders. Ons primair onderwijs is immers de bakermat van creativiteit, empathie, samenwerking, kennis en vaardigheden. Waarom springen we daar dan zo slordig mee om?

Gisteren stond een NOS-verslaggever voor het hek van de school van mijn  twee jongste kinderen: scholen in Amsterdam Nieuw West gaan een week dicht. Volgens de directrice van mijn school om een week lang aan een plan te werken om het onderwijs te verbeteren, want met de huidige financiële toezegging van de regering kan deze school de komende jaren niet uit de voeten. Misschien wilde de verslaggever mij likkebaardend voor de voeten werpen dat het vast een probleem zou opleveren, een week onaangekondigd vrij.

Nou, ik kan het juist hebben. Ik werk naast mijn schrijverij in het hoger onderwijs, waar de CAO een stuk beter is geregeld. Ik heb toekomstperspectief, ik kan doorgroeien en word echt enorm goed betaald zonder dat ik tot mijn oren in het werk zit. Als de vakbond voor mij moet opkomen, is het omdat de crèmelaag van mijn espresso donkerder kan. Leve de hogeschool.

Ik steun de basisscholen in deze barre tijden en met mijn onderwijskundige blik (een mastergraad die ik heb behaald dankzij de lerarenbeurs tijdens mijn loopbaan in het hoger onderwijs!) zou ik dan ook willen oproepen tot het beeindigen van de beknelling van onze onderwijzers.

Meer geld en middelen, goede Pabo's, minder hete adem van hogere echelons. Basisscholen vormen niet voor niets de basis - als die niet goed is, dan gaat je land failliet.

Archief

2020

oktober september juni maart januari

2019

november mei