Thomas van Aalten

Femke

29 juni 2018 | Reacties 0

Toen ik naar Amsterdam kwam, was ik 18 jaar. Schelto Patijn was toen de burgemeester van dienst, en ik meen mij te herinneren – al kan dat voortkomen uit de nevel der fantasie – dat hij alle eerstejaars van de universiteit toesprak in een kerk. Ik moest de stad nog uitvinden. Heel veel verder dan Magna Plaza, het Leidseplein, een kroeg op de Spuistraat en het PC-hoofthuis kwam ik niet. Van een burgemeester verwachtte en wist ik verder niet veel.  

Mijn 19e verjaardag vierde ik in september 1997 in een door tl-balken verlichte keuken in het studentencomplex Uilenstede in Amstelveen, waar ik minstens evenveel kerosinedampen dankzij Schiphol heb geïnhaleerd als een gemiddelde onderhoudsmonteur van KLM.

De eerste keer dat ik mocht stemmen voor de Tweede Kamer, kon dat nog via een elektronisch paneel dat was opgesteld in een zaaltje op loopafstand van de Kalfjeslaan in Amstelveen. Ik stemde GroenLinks (Rosenmöller) en werd een paar jaar later lid van de Socialistische Partij, want ik dacht: je moet links zoveel mogelijk stutten. Lid worden van de een, stemmen op de ander. Toen ik echter om de zoveel tijd gebeld werd met de vraag of ik niet eens ‘in actie’ wilde komen voor de SP, en ik herhaaldelijk de Gauloises sans filtre-tronie van Jan Marijnissen in de katernen van het lijfblad Tribune onzin zag uitkramen, trok ik de rode stekker eruit.

Met de sociaaldemocraten van de PvdA heb ik altijd al een band gehad als die ik met Elton John had. Ik vind hem een groot artiest, maar ik draai het zelden. Ik moet wenen als Yellow Brick Road eens langskomt, maar the Circle of Life vind ik wanstaltig. Den Uyl is mijn Yellow Brick Road. Als hij uit de dood zou herrijzen, werd ik prompt zijn stafmedewerker. Zijn dagboeken, interviews en de biografie van Anet Bleich verslond ik. De danse macabre van de afgelopen jaren werd de ondergang van de PvdA, geheel in lijn met het afbrokkelende sociaaldemocratische bastion in het Europa van de 21e eeuw. De Nivea-smile van Blair was eigenlijk al een omen.

GroenLinks kreeg in mijn volwassen leven pas echt gestalte onder Halsema, en zij en haar team gaven de partij een nieuw élan dat mij vrolijk stemde. Niet de dogmatiek, maar de vrijzinnigheid van weleer voerde de boventoon. De PSP-poster van de naakte vrouw voor de Hollandse koe, maar dan 2.0. Je kon een stropdas dragen en toch vrolijk de anarchie prediken. Van de socialisten was ik inmiddels zover afgedreven; ik was nota bene een dromer over Paars III en bombardeerde me zelf tot een liberaal die GroenLinks stemde. Een liberaal, das war einmal. Mettertijd ben ik eigenlijk steeds linkser geworden. Op zijn best ben ik nu een anarcho-liberaal.  

Femke Halsema was als partijleider geen pragmatisch technocraat, maar een intellectueel visionair met karakter. Het is nogal eens verward met arrogantie. Ze vertrok uit de nationale politiek, een rommelig proces over haar opvolging volgde; ik zegde mijn lidmaatschap op (dat zijn de ergste). Ik heb altijd trouw GroenLinks gestemd omdat het partijprogramma nu eenmaal aansluit op mijn eigen ratio en rede.

Onder fractievoorzitter Rutger Groot Wassink (en anderen) werd de partij de laatste jaren groot in Amsterdam. GroenLinks is inmiddels vrij modieus en staat nu te boek als volkspartij-in-de-dop (inclusief landelijke partijleider die ook bij Koffietijd aanschuift en Guus Meeuwis-fan schijnt te zijn).

Helemaal onlogisch dat er in Amsterdam een GroenLinks-burgemeester zou komen, was het niet. Toen de naam van kandidaat Femke Halsema uitlekte, hoorde je de mensen om je heen al de noodklok luiden: wat vonden we nu ook alweer van Halsema? Wat kán ze nu werkelijk? Als ze maar niet denkt dat. Als zij burgemeester wordt, dan. Spasme van de onderbuik ging duidelijk vóór het voordeel van de twijfel.

En wat dacht ik?

Sinds december 1999 ben ik officieel inwoner van Amsterdam (ik verhuisde van Uilenstede naar een gehorige en tochtige etage in de Czaar Peterstraat).

Inmiddels durf ik te zeggen dat ik de stad kan lezen. Ik vind er wat van, de stad. Twintig jaar na mijn aantreden als eerstejaarsstudent heb ik ook wat te melden. Van der Laan liet als burgemeester een haast onvervulbare krater achter: empathie, humor, relativering, bestuurlijke daadkracht. Ga er maar aan staan.

Ik weet zeker dat Femke Halsema een turbulente periode – zowel privé als professioneel – tegemoet gaat. Als zij twee ambtstermijnen doorstaat, bereikt mijn dochter de leeftijd die ik had toen ik hier kwam wonen. Ik hield gister het Parool omhoog, met daarop Femkes portret. ‘Zul je het onthouden?’ zei ik. ‘Pas over acht jaar weten we of ze een goede burgemeester is.’ Ze keek me glazig aan. Ik moest haar misschien niet teveel indoctrineren. 

Maar ik denk wel dat Femke Halsema het goed gaat doen.

Waarom? Onderbuikgevoel.

Welkom in je eigen stad, Femke. Breng de vrijzinigheid en de vrolijke anarchie mee.

 

Boekenweekgate. En hier staat Thomas van Aalten

18 juni 2018 | Reacties 0

Zodra een menigte met een mening zich roert, ben ik op mijn qui-vive. Moet ik tegenwoordig iets ondertekenen voor een hoger doel, dan wil ik met een stofkam door alle materie om zeker te weten waar ik mijn naam onder zet. Ik loop niet mee in marsen en bal in groepsverband zelden de vuist. In het verleden heb ik dat heus wel gedaan; ik heb zelfs ook wel eens een petitie geïnitieerd om bijvoorbeeld Zwart Piet als figuur te verbannen bij de publieke omroep. Afijn.

Ik ben niet gevraagd of benaderd om te tekenen voor de open brief vandaag in NRC die CPNB tot de orde roept vanwege de recente rel rondom de schrijvers van het Boekenweekgeschenk en het Boekenweekessay én het boekenweekthema ‘Moeder, de vrouw’. Ik zou me nu alsnog bij de sympathisanten kunnen scharen - ik ben het voor een groot deel met ze eens - maar er kleeft iets aan wat ik onprettig vind.

Ik heb het literaire landschap en haar gebruiken zien veranderen. Dit jaar kwam mijn schrijverschap officieel tot wasdom. Achttien jaar publicerend auteur, negen boeken gemaakt, vele uitgevers versleten. Elke rimpeling in de letterenvijver bezie ik vanaf mijn eigen post. Ik hoor lekker nergens bij, of het moet mijn fijne uitgeverij Nieuw Amsterdam zijn. Ik vind niet dat er meer boeken zus of minder boeken zo, en dat mannen eens wat minder en vrouwen eens wat meer – dergelijke geluiden komen en gaan altijd weer. Ik vind vooral dat auteurs goede boeken moeten schrijven.

Al enige jaren werk ik alleen maar met vrouwen. De uitgever, de redacteur, de bureauredacteur, de vertegenwoordiger, de persafdeling. Blader ik door de recente aanbiedingscatalogus, dan zie ik een bonte verzameling van mannen en vrouwen, jong en oud, wit en gekleurd, fictie en non-fictie.

Waarom slaan we nu zo aan op het Boekenweekthema 'Moeder, de Vrouw’?  Die hele Boekenweek is natuurlijk een beetje rare folklore (met als dieptepunt auteurs die als NS-conducteurs fungeren). Ja, ik vind dat je met zo'n thema een vrouw moet vragen.

Punt.

Wat me niet zint, is die geur van het warme staal: de geslepen messen. Het thema van een Boekenweek is toch iets anders dan een stelling? De gedachtepolitie draait al volle diensten. Murat Isik, schrijver van het essay, werd op Facebook al tot de orde geroepen. Foto’s van hoofden van CPNB-directieleden werden geplaatst.

Nu willen de brievenschrijvers in NRC het volgende: ‘We doen twee aanbevelingen voor de Boekenweek 2019: Ten eerste dat u – naast het reeds geplande geschenk en essay – gratis een bundel aanbiedt, waarin vrouwen en mannen in essays, gedichten en romanfragmenten aan het woord komen over moeders en moederschap. U zou, ten tweede, ook kunnen overwegen twee essays te laten schrijven over het gedicht ‘Moeder’ van Vasalis, één door een vrouwelijke en één door een mannelijke auteur.’

Lieve deugd. Ze vinden er wel wat van, met z’n allen. Ja, ik vind Jan Siebelink een saaie schrijver, maar niet omdát het een man is - gewoon omdat hij vreselijk schrijft. Ik vond Mensje van Keulen ook een veel betere keuze. Maar omdat ze beter schrijft, niet omdat ze een vrouw is.

Ik gun iedereen veel wijsheid, maar van een ondertekening in een krant (die overigens geen mens jonger dan 30 leest), komt geen revolutie. Schrijf boeken zoals je ze zelf wilt lezen en schrijven. Over honderd jaar kan niemand het meer navertellen.

En wat de Boekenweek, het Boekenbal en het CPNB betreft heb ik een oproep aan alle heren ondertekenaars: geef uw boekenbalkaartje van 2019 per ommegaande aan mij, ik ken vele vrouwen die mee willen. Of, zoals Saskia Noort terecht opteerde: neem allen uw moeder mee.  

 

Starik Staat Weer

8 mei 2018 | Reacties 1


Je stierf toen de vorst er nog eens overheen ging, maar vandaag was het broeierig heet toen het huis leeg moest. Ik was nog nooit in je Kabinet der Rariteiten in de Staatsliedenbuurt geweest, maar wat ik aantrof verraste me niets. Vrouwkje had het meeste voorwerk gedaan, ik had om een taak gevraagd die niet teveel denkwerk vroeg, liefst iets slopen of sjouwen. Het werd een combinatie van de twee.

O, jij F. toch. Veel collega's hadden vandaag ook het loodje gelegd als ze deden wat wij vandaag deden. Bezweet en met rood hoofd sjouwden we de prullaria van de trappen. Eerst naar de kringloop. Ze namen het gedwee in ontvangst, want Vrouwkje had al aardig wat kostuums er naartoe gebracht. De man had juist die middag een cassettedeck geweigerd. We zeiden: man, alles komt terug. Dus nam hij de cassettebandjes ook maar. Crucifixen. Vele crucifixen. Een van de twee kringloopmedewerkers had een fonkelend nieuw gebit. We vroegen waar het afvalpunt was. Aan de Seineweg, zei het gebit. Ik probeerde nog gewiekst de Amsterdammer uit te hangen: 'Heb u weleens aan de Seine geseten?' en wees naar zijn collega.

Ik propte de auto vol met de nog vochtige douchewanden, een vette barbecue met kattenharen, een meubelstuk ter verfraaiiing van de natte cel.

O, jij F. toch. Wat bewaarde je veel. Je keukenkastjes volgeplakt met krantenberichten. Een fitnessapparaat waarvan ik niet begreep waar het toe diende. Reclamecheques met de tekst GEFELICITEERD F. STARIK!!! Vele houten panelen met de omvang van een decorstuk, daarop poëtische teksten en foto's. Ik heb de triplex platen zover kromgebogen tot ze stukklapten met zo'n diep geluid in het trappenhuis. Het klonk als granaten, ik genoot van de decibellen. Pats, daar weer een. Knal. Prijsschieten in Stariks vagevuur.

De winkel in huishoudelijke artikelen op de hoek prees ventilatoren aan. Je zou er bijna een van kopen. Bij het afvalpunt wist Driek je postcode niet, terwijl ik het voor hem had opgeschreven (de bijrijdersstoel was al bezet door een fixeerbak voor de hobbyfotograaf). Hij had geroepen tegen de bediende achter de slagboom: 'Het is van de stadsdichter op de Van Beuningenstraat.' Het was al goed, hij mocht doorrijden.

Tommy heeft eerder al het immense bureau van je overgenomen. Het Franse balkon moest er voor worden verwijderd, vertelde Vrouwkje. Een oudere dame van de literaire salon Perdu kwam nog langs om te grasduinen voor de archieven. Ik zat op de stoep uit te hijgen. 'Mag ik hier mijn fiets neerzetten?' Ze dacht dat ik een van de bouwvakkers was die bij een bouwkeet in de weer waren. Ik zei dat het mocht. De voordeur stond open, maar toch inspecteerde ze het bellenpaneel. 'Ga maar op het rumoer af.' Ze stiefelde naar binnen. Het huis werd leger maar je fantoom was nog voelbaar.

Ik nam een bureaustoel van je mee (ja, Tommy het bureau zelf, baas boven baas), en een streng zelfportret uit vervlogen tijden. Die gaat op het plankje boven de schrijftafel. Starik Staat Weer.

Laatst lag ik in bed en ik luisterde een nummer van Echo & The Bunnymen uit mijn eerste jaar in Amsterdam (eind jaren negentig heette het al een comeback, en twintig jaar later heet het dan nog steeds) en de tranen kwamen.

Het was niet alleen het wegvallen van jou, F., en kunstbroer Menno Wigman, het was het besef van een veranderend decor. Ik kwam als kind naar de stad vanwege jullie soort, en nu moeten we het allemaal zelf doen.

'I want it now
I want it now
Don't tell me that my ship is coming in
Nothing comes to those who wait
Time's running out the door you're running in'

 

Nog Nooit

28 maart 2018 | Reacties 0

Nog Nooit




Nog nooit stak ik vuurwerk af

Nog nooit zat ik op een sport



Nog nooit zag ik The Godfather

Nog nooit cement gestort







Nog nooit kreeg ik een flink pak slaag

Nog nooit snoof ik een gram coke



Nog nooit bezocht ik een voetbalwedstrijd

Nog nooit benieuwd naar ook







Nog nooit vree ik met drie vrouwen

Nog nooit hoorde ik erbij



Nog nooit bezocht ik gelagkamers

Nog nooit maakte ik stampij







Nog nooit reed ik chevrolets

Nog nooit reed ik ze in de prak



Nog nooit een bezwaarbrief geschreven

Nog nooit een vriend in de bak







Nog nooit ben ik afgewezen

Nog nooit besmeurden ze mijn naam



Nog nooit gehangen in de lampen

Nog nooit trof mij enige blaam







Nog nooit een verhaal kunnen publiceren

Nog nooit erkend door de pers



Nog nooit eens lekker van bil gegaan

Nog nooit schreef ik iets pervers







Nog nooit van een slok wijn genoten

Nog nooit ging ik over de schreef



Nog nooit een beste vriend gehad

Nog nooit gebeld waar hij bleef







Nog nooit een kind van een vrouw gekregen

Nog nooit gewerkt voor geld



Nog nooit Jort Kelder voorbij horen komen

Nog nooit door de VPRO gebeld







Nog nooit geslapen op mijn kamer

Nog nooit geweten waar die was



Nog nooit geschuifeld met een dame

Nog nooit geëindigd op een matras







Nog nooit gelogen tegen vreemden

Nog nooit geschreeuwd tegen een loket



Nog nooit iets gejat van minder bedeelden

Nog nooit gestemd op Thierry Baudet







Nog nooit gedroomd van wat ik nooit was

Nog nooit iets geschreven om te huilen



Nog nooit een drama gevoeld in de zomer

Nog nooit een jurk hoeven ruilen







Nog nooit iets kunnen begrijpen van de schone kunst

Nog nooit het graf van een dichter bezocht



Nog nooit getekend voor een petitie

Nog nooit een vuurwerkpakket gekocht

 

(Voorgelezen in de nacht van 27 op 28 maart 2018 op NPO Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen)

Weten dat ik godverdomde gelukkig was: F. Starik 1958-2018

18 maart 2018 | Reacties 1

‘Langs de Kostverlorenvaart / zag ik het schip Ambitie varen.’

Wanneer was dat, dat ik mijn vrienden vertelde dat ik een krankzinnige vogel had gezien?

Twintig jaar geleden misschien. Hij noemde zichzelf Starik, of F Punt Starik. Hij had een sik als een sater, zijn haren waren de hoorns. Deze Starik had het in zijn voordracht herhaaldelijk over een simpele ziel. Als Starik voordroeg, was het of je eerst een matig geolied scharnier hoorde piepen, om daarna loos te gaan als een loeiende misthoorn. Dat lichaam van een bidsprinkhaan.

Veel te bidden viel er niet.

Die kostuums met markante dessins, de puntige schoenen, de choker: als je niet beter wist, speelde hij de grote trom in een optocht van Fellini. Dat is natuurlijk fraai voor het publiek, maar het ontroerende was dat daar een zachtaardig heerschap in school, geen krijsende aandachtspatiënt of pierrot met een te lange gebruiksaanwijzing. Wie de poseur Starik afpelde, vond de Frank – maar ze hoorden bij elkaar zoals Iggy Pop bij James Osterberg hoort.

De eerste keer dat we elkaar ontmoetten, moet in Utrecht op een festival zijn geweest. Het was een evenement met literatuur en popcultuur; ik speelde in een band, Starik ook, of hij las voor – ik weet de samenstelling niet geheel meer. Wel weet ik dat Zwagerman ook zou komen, maar die kwam niet. ‘Zal ik hem bedreigen?’ vroeg een collega, wiens naam ongenoemd blijft, in alle ernst.

We troffen elkaar vaker toen we bij hetzelfde fonds belandden van Uitgeverij Nieuw Amsterdam. We hebben beiden menig directeur en redacteur overleefd, maar bleven zitten. We deelden de zorgen, maar wisten ook: hier stonden we in het veld, elders zaten we op de bank. De afgelopen jaren waren we allebei zeer tevreden met uitgever Janneke Louman en haar discipelen. 

We scheelden weliswaar twintig jaar, maar Starik was meer geboeid door het heden dan dat hij zich op de kippenborst roffelde om te tonen wie hier nu al decennialang de bohémien was. Zijn kracht zat in het vooruitkijken en het relativeren, niet in het gekweld omzien. ‘Ach ja, de Maximalen,’ (de dichtersgroep waar hij ooit toe behoorde) ‘moeten we het daar nu over hebben? Nee, dan liever het nieuwe werk, mensen.’

Ik ben als liefhebbende collega ingestapt in dat nieuwe werk. Hoewel Stariks werk misschien het best tot zijn recht komt wanneer het voorgedragen wordt door de nachtpredikant zelf, was ‘De Gastspeler’ (2009) mijn eerste officiële kennismaking met zijn werk dat ik als lezer in plaats van toehoorder tot me nam. Geestig, lichtvoetig maar melancholisch proza waarbij de protagonist zich beweegt tussen kamer met teevee en een winkel in huishoudelijke artikelen.

Die observaties zag je eveneens gefilterd terug in zijn Facebookupdates. Bij Starik geen communiceren met vlammenwerper of pijporgel. Stariks woorden gingen nooit uit de bocht, en anders was er altijd wel weer een sussende opmerking over een kleefpasta, ringmap of aquarium. Letterkundige professoren kunnen hun hart ophalen als ze het verdoemde Facebookplatform uitpluizen: het is een tijdmachine, daar zijn de doden nog in gesprek.

Op het Nieuw Amsterdam-jubileumfeest afgelopen zomer zag hij er frisser en vitaler uit. De tabaksinname scheen drastisch teruggebracht, het alcoholpromillage evenzo. Hij sprak over zijn zoon, ‘Majoor’ Boris. Hij had bij een afstudeerpresentatie gezeten en wat had die kritische docent van hem een grote bek. ‘Dat is toch niet normaal, Thomas?’

Nee, dat was ook niet normaal. Maar dat een paar maanden later de kaarten er zo bij lagen, nog minder.

MAJOOR

Mocht ik morgen doodgaan
of nog vandaag, weet dan
dat ik godverdomde gelukkig was
met jou, mijn zoon, mijn lief
mijn katten en mijn vissen
met mijn planten, met het loodzware bureau
vol lampen en de vaas met gevangeniswater erop
waarin ik dingen heb geschreven
en dit schrijf, voor de boekenkast gezeten
weet dan dat ik godverdomde gelukkig was
dat ik mocht zijn
wie ik ben geweest
straks
zal ik op de bank gaan liggen
en de ouwe beer Bukowski lezen
die in zijn laatste bundel
uitgebreid en op zijn gemak uit sterven gaat
veel ouder dan je op grond
van zijn levensstijl zou verwachten
en ook ik tartte mijn lot
maar wat mijn lot ook moge wezen
straks
zal ik op de bank gaan liggen
weten dat ik godverdomde gelukkig was.

Vannacht droomde ik iets maar ik weet niet meer precies wat –
het hield het midden tussen droom en herinnering: en het mooiste is
het kan me niet schelen of het nog terugkomt of dat dit het was.

Ik weet nog, Thomas, dat mijn Majoor geboren werd
dat ik hem voor het eerst – in tranen – zag
en wist dat hij de mijne was.

En tegelijk de verschrikkelijke gedachte
dat hij net zo ongelukkig zou zijn
als ik heel lang was, hoeveel werk het ook voor hem zou wezen
om te leren in vrede te leven met wie je bent en wie je was.
En ik weet nog dat ik geen idee had
wat ik met dat ventje aan moest, ik begreep niet
waarom hij huilde, ik wist alleen dat er geen troost is.

En ik wist
dat ik geen vader wilde zijn
van het soort
waarvan je je levenslang zult moeten bevrijden
omdat hij zichzelf niet was
en jij
jij
niet mocht zijn.

F. Starik

Afkomstig uit de bundel ‘Staat’ (2014), Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Het is geen ijdelheid dat hierboven de naam Thomas valt: die naam keert steeds terug in die bundel en scharen we onder het verschijnsel toeval.

TIP: Menno Wigman en F. Starik samen geportretteerd (ook video) op de website van fotograaf Klaas Koppe.

Kunstbroeder Menno Wigman

1 februari 2018 | Reacties 3

Ik was geen vriend van Menno. Vrienden worden gebeld bij overlijden, vrienden weten dat het menens is omdat hij op de Intensive Care ligt, vrienden spreken elkaar wat vaker dan nu en dan in het publieke domein. Laten we onszelf dan in godsnaam Kunstbroeders noemen, hoewel ik me eerder de domme August waande. Menno was de echte artiest.

In ’99 werden we samen uitgenodigd op een avond van literair tijdschrift Passionate in Rotterdam. Beiden hadden we gepubliceerd in het genoemde blad en eerder schreven we ook voor literair tijdschrift Zoetermeer. Maar komaan, hij had echt ook een uitgever, hij had bewijs. Ik had slechts een voorgevoel van een uitgever. (Overigens, in zijn gedicht 'Nachttrein' in de laatste editie van Zoetermeer (1997) had een zetfout gestaan: ‘moeder’ stond per abuis als ‘moedeer’ geschreven ('Heeft daar een moedeer in geloofd?'). Ik dacht dat het zo hoorde, een eer die moedig was, want je wist maar nooit met dichters. Het gedicht 'Nachttrein' kwam later - uiteraard correct met 'moeder' - in Wigmans debuutbundel 's Zomers stinken alle steden).

Zijn wijze van voordragen en de onderwerpen waar hij over schreef, zaten in dezelfde hoek als de songs van menig new waveband die ik bewonderde. Menno was zelf niet onverdienstelijk drummer. Hij begon er wel eens over dat we een new waveband moesten vormen. Ha, archaïsten, hikkend tegen de millenniumwende.

Die avond was er ook ene Ward Wamsteker die een ‘performance’ uitvoerde, iets met beweging en audio. Ik weet niet meer of het ter ondersteuning was van Menno’s woorden, die eigenlijk niet dat soort omlijsting nodig hadden. Hoorde je Menno voordragen – of het nu in tochtige zaaltjes of stemmig op de radio was – dan spitste je automatisch de oren.  

We belandden uiteindelijk rozig op de achterbank van deze Ward Wamsteker, want zo zijn kunstbroeders altijd: met de handen verontschuldigend in de lucht roepen dat je geen rijbewijs hebt, en de nachttrein gaat pas over een uur, maar je rijdt gráág mee.

Ik woonde nog in een studentenflat in Amstelveen. Een paar dagen later rinkelde de telefoon op de gang: het was Menno. Hoe het met me ging? En wat een gekke avond het was geweest. Had ik niet toevallig het nummer van mijn blonde studiegenoot die ook mee was in Rotterdam?

We kwamen elkaar tegen op borrels, concerten en partijen. Afspreken deden we nooit. Een dichter van zijn kaliber kwam nogal eens ergens; op Facebook, de postgiroblauwe dorpspomp waar Menno dan weer wel en dan weer niet verscheen, zag ik de afgelopen uren persoonlijke herinneringen en foto’s van mensen die op enige manier iets met hem van doen hadden. Menno Wigman is niet alleen een geliefd dichter, maar ook een innemende, zachtaardige passant. Iemand die altijd even binnen kon komen, het jasje gedragen over de zwarte coltrui, het glas rode wijn bij de hand - hoewel hij dat later noodgedwongen stopte. Ik reken terug: jezus, toen ik hem leerde kennen was hij pas 32 jaar oud. En toen al kon je hem uittekenen in de klassieke snit.

Hij kon het ook vreselijk moeilijk hebben. Een depressie. Angst voor lichamelijk verval, het leven zelve. Zijn lichamelijke conditie. In de zomer van 2016 hadden we nog contact omdat ik meer wilde weten over zijn nooit afgeronde bundel ‘Valse Tongen’, een ‘veldslag van 750 regels’ over Bernward Vesper en de Rote Armee Fraktion. De bundel is ooit aangekondigd, heeft zelfs een ISBN-nummer en staat als fantoom nog op bol.com. Een paar maanden eerder had ik hem weer eens gesproken op een borrel waar ik ook zijn geliefde en talentvolle Diana Scherer ontmoette. We hadden het over de Rote Armee Fraktion en de plannen die ik had voor mijn boek. Ik wilde weten waarom 'Valse Tongen' nooit was verschenen. Menno schreef me later: “’Dichters zijn luie schrijvers', zeggen ze wel eens, en zeker nu moet ik erkennen dat daar iets van een waarheid in zit: hoe hard ik altijd ook gewerkt heb, het is niet te vergelijken met de titanenarbeid van romanciers. Er is na mijn laatste bundel eigenlijk niks fatsoenlijks meer uit m'n handen gekomen. Ik vind poëzie vooral onzin, ja, ik geloof er niet meer in. Dat is verschrikkelijk -- vooral voor mij. Enfin, zo staan de zaken ervoor.’

We vergeten nogal eens ‘bij leven’ te zeggen hoe we iemand waarderen. We raken pas complimenteus bij het omzien en het afscheid, maar ik heb hem meerdere keren hardop en schriftelijk verteld hoezeer ik van zijn werk houd. Poëzie is meestal ook onzin, totdat een dichter zoals hij het opschrijft. Gisteravond bij de uitreiking van de Turing gedichtenwedstrijd in Met Het Oog Op Morgen, roemde de winnaar nog Menno Wigman als inspiratiebron.

Ik ga ons sporadisch samenzijn in menig decor missen. Hij was een van de eerste kunstbroeders die ik ontmoette. 'De dood verzint van alles, maar niet dit.' (Menno Wigman, 1966 - 2018).

Menno en zijn geliefde Diana Scherer. De foto is overgenomen van het 'avondlog' van Wim Noordhoek. Ik hoop niet dat Wim een advocaat op mijn dak stuurt. Menno en Diana maakten samen de bundel 'De vrede moe' (2013), gebaseerd op politiefoto’s van lijken uit 'Moord in Rotterdam' (1994) en foto's van de New Yorkse misdaadfotograaf Weegee.

 

Protocol

11 oktober 2017 | Reacties 0

Dit is deel 2 van de dagelijkse bijdrage van het NPO Radio 1-programma Nooit Meer Slapen (VPRO).

‘En dan wil ik nu na het akkoord van de feestcommissie graag naar het volgende agendapunt… En daar heeft Diny volgens mij wat over te vertellen. Diny?’

‘Ja, dat klopt. Ik wil het even hebben over het protocol dat we voeren met betrekking tot de bommeldingen…'

De aanwezigen van de vergaderingen zuchtten na de woorden van Diny Bullenwijk, zorgcoördinator en docente Engels voor de vmbo-t-klassen.

‘Niet weer,’ mompelde Herman Boelekeiler, docent Aardrijkskunde. ‘Daar hebben we vorige week toch al een werksessie aan gewijd? We waren het erover eens dat als een bommelding in de onderbouw werd gedaan, we geen actie zouden ondernemen. Pas bij de bovenbouw gaat de conciërge over tot briefing aan de conrector.’

‘Nee, Herman, dat kun je nu wel zeggen,’ wierp Diny tegen. ‘Maar ik vind toch dat we zorgvuldig met bommelders om moeten gaan. Je kunt ze niet zomaar laten nablijven.’

‘Gezien de tijd,’ sprak rector Wijnand van Dorren. ‘Ik wil de discussie van vorige week niet hier herhalen. Diny, om hoeveel bommeldingen hebben we het, gemiddeld genomen?’

‘Nou, ik heb hier een staatje bijgehouden in Excel… ik zie in dit semester gemiddeld twee keer per week. En dan heb ik het over geregistreerde bommeldingen.’

‘Ja,’ voegde gymdocent Stanley Monsanto toe, ‘want niet alles wordt geregistreerd.’ Hij keek over zijn leesbril naar zijn schuldbewuste collega’s aan de overkant van de tafel in hoefijzeropstelling.

‘Diny,’ zei Van Dorren streng. ‘Wil je nu voor eens en voor altijd de routing duidelijk maken omtrent bommeldingen?’

‘Het protocol is ongewijzigd, maar als er concreet wordt gedreigd, óók in de onderbouw, moeten we er bovenop zitten. Tenzij het onderdeel is van hun schoolexamen, natuurlijk. Dan wil ik wel dat alle medewerkers op de hoogte worden gesteld dat het om een válse bommelding gaat.’

 

De saaie bakker

10 oktober 2017 | Reacties 0

Dit is deel 1 van de dagelijkse bijdrage van het NPO Radio 1-programma Nooit Meer Slapen (VPRO).

De saaie bakker

Bertrand was nog maar jong – 19 jaar, en in de herfst van 1987 werd hij 20 jaar oud. Bertrand had de middelbare technische school doorlopen en zou na de zomervakantie elektrotechnische installaties onderhouden bij middelgrote kantoorbedrijven. Het onderhoud van liften kostte veel tijd en inspanning, maar Bertrand vond het een dankbare klus. In een plaatselijk buurthuis draaide hij als drive in-diskjockey de muziek van the Time Bandits en Duran Duran. Daarnaast hield hij tropische vissen in een aquarium.

Zijn geliefde Katrina was verpleegster. Verpleegster was ook een dankbare klus. Ja, Bertrand had de liften onderhouden in een streekziekenhuis, dus zo kwamen hun werelden samen. Hele families die slecht ter been waren, werden dankzij Katrina en Bertrand geholpen.

Maar op Bertrands 50e verjaardag was de wereld veranderd. Katrina was er na een huwelijk van 25 jaar vandoor gegaan, het elektrotechnisch bedrijf waar hij ooit voor werkte, was failliet. De zuurstofpomp van zijn aquarium had het al in 1992 begeven. Nu werkte hij als ZZP’er; de concurrentie was elke dag alom aanwezig maar zijn oudedagvoorziening even onzeker. En dan had je ook nog de politiek. Je kon al jarenlang niks en niemand meer vertrouwen.

Maar toch.

Bertrand stond achter het raam van zijn galerijflat en keek naar buiten. Het regende. In het natte oppervlak van het lege marktplein weerspiegelde de reclameverlichting van de bakker. De regen maakte de tegels een spiegel van beton.

Het schuimgebak van de saaie bakker uit het winkelcentrum smaakte nog hetzelfde als in 1987, 1997 en 2007. Als de saaie bakker zich staande zou houden, dan dit land toch zeker ook.

Patrick Post of de kunst van het gebrek aan rancune

4 september 2017 | Reacties 5

In januari schreef ik dit artikel over Amsterdam Slotervaart. Ik maakte gebruik van een foto die op de website van dagblad Trouw stond. Ik noemde de fotograaf en plaatste de link naar het artikel.

De fotograaf om wie het gaat is Patrick Post. Eergisteren kreeg ik een brief van advocaat Robert Mijnsbergen te Uitgeest. Ik had de foto onrechtmatig bij mijn artikel geplaatst. De brief was, zoals het advocaten betaamt, natuurlijk veel te lang en het kwam er op neer dat ik moest lappen, in elk geval het tarief van de licentierechten (280,-), maar ten eerste moest ik de foto verwijderen. Dat deed ik direct.

Vervolgens stuurde ik Patrick Post een mailtje: Ik snap je, broodwinning et cetera. Mea Culpa. Wat als ik je 280,- betaal en twee romans toezend?

Maar daar had de advocaat geen boodschap aan. Vandaag volgde een lange, veel te lange mail. Moraal van het verhaal: 420,- euro en dan is het nog een koopje. 

Ach ja. Ik heb de afgelopen jaren aan heel wat crowdfund- en goededoelenprojecten gedoneerd en betaald voor artistieke uitingen (ik download uit principe nooit en draag de culturele sector een warm hart toe), dan kunnen Patrick Post en zijn advocaat Robert Mijnsbergen er ook nog wel bij.

Het liefst zou ik de foto van de advocaat toevoegen, hij oogt als een vitalere Fred Teeven met Sting als lievelingsmuziek. Zijn kantoor is in Uitgeest. Ik denk dat je er gratis kunt parkeren.

Vandaag schreef ik dit:

Waarde heer van Mijnsbergen,
 
Het verschuldigde bedrag is overgemaakt via ING internetbankieren.
 
Ik hoop dat u en cliënt nu met een zuinig mondje, trommelend met de vingers op de ellebogen constateren: die Thomas van Aalten, we hebben hem pardoes te pakken! Want inderdaad, dankzij het illegaal plaatsen van de foto op die dekselse website heeft de fotograaf maar mooi een nanoseconde pensioenpremie misgelopen!
 
Om uw gezamenlijke actie tot een goed einde te brengen, zal ik u van harte uitnodigen op mijn boekpresentatie voor alweer mijn nieuwe boek in 2018, al weet ik niet hoe de trein- en autoverbinding vanuit Uitgeest en Monnickendam is
(waar de heren resideren, TvA).
 
Vanzelfsprekend krijgt u evenwel een gesigneerd - en gratis - exemplaar en, als u verschijnt, een groot boeket.
 
Ik wens u veel wijsheid en vooral veel warmte toe,
 
Dhr. van Aalten

Roman over de RAF in de maak

19 juli 2017 | Reacties 0

Op dit moment werk ik aan een roman over de drie voortvluchtige ex-RAF leden Burkhard Garweg, Daniella Klette en Ernst Volker Staub. Een jaar geleden meldden Nederlandse media dat het drietal zich mogelijk ophield in ons land. Ook recent besteedde Opsporing Verzocht weer aandacht aan de zaak.

De afgelopen jaren zijn Garweg, Klette en Staub vermoedelijk betrokken geweest bij meerdere overvallen in Duitsland. Van het trio ontbreekt sinds de jaren 90 elk spoor. Staub, al eerder veroordeeld, schreef in de jaren 80 vanuit de gevangenis vele brieven naar RAF-sympathisanten; deze correspondentie wordt bewaard in het Internationale Instituut voor Geschiedenis in Amsterdam.

Op 18 januari 2017 publiceerde ik een artikel over de drie in Het Parool. Tegelijkertijd opende ik een speciale postbus om in contact te treden met het drietal. Of er tot op heden is gereageerd op die oproep?

In elk geval komt er een onthullende roman, die naar verwachting in 2018 verschijnt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.

Archief

2018

juni mei maart februari

2017

oktober september juli januari