Thomas van Aalten

Is er wat gebeurd?

30 maart 2015 | Reacties 0

Vandaag publiceerde Het Parool (PS) mijn artikel over Theo Eerdmans, 's lands eerste quizmaster. Ik kocht voor de geïnterviewden een stapeltje bij de ene sigarenboer nabij het Weesperplein, en het vijfde exemplaar op de Weteringschans bij de sfeervolle Boekhandel Schimmelpennink.

'Is er wat gebeurd?' vroeg de pijprokende boekverkoper.

'Ik heb iets geschreven,' antwoordde ik.

De man las de cover. 'Seksmassage niet uit te roeien'?

'Nee, dit.' Ik tikte de ankeiler aan over het stuk over Theo Eerdmans, de vergeten BN'er.

'Ach, die Eerdmans. Je hoort er nooit van. Wat is er eigenlijk met hem gebeurd?'

'Juist, dát.' Ik verliet de zaak en groette de tevreden roker. De deur maakte een vogelgeluidje. Het artikel is behalve op papier of online via het Parool (alleen voor abonnees) op Blendle te lezen.

De migratienota van de VVD: er klopt iets niet.

23 maart 2015 | Reacties 0

Ik kan er een heel stuk aan wijden, maar liever doe ik het aan de hand van opmerkingen die ik geplaatst heb in het document van VVD-kamerlid Malik Azmani, de zogenaamde 'migratienota' die gisteren is gepubliceerd.

Het document met mijn opmerkingen treft u hier.

De pragmatische revolutie

10 maart 2015 | Reacties 1

Ik ben een salonanarchist met pragmatische trekjes. Op de Hogeschool van Amsterdam hangt sinds vanochtend een poster die de revolutie ook in de gangen van de hogeschool moet ontketenen: ‘Don’t lower yourself to their level: students and teachers on the same page, fuck hierarchy.’ Iemand, ik vermoed een collega, heeft er met balpen bijgeschreven: “Zinsbouw?” Een roep om democratisering op de Hogeschool lijkt misschien solidair maar doet ook wat onbeholpen aan.

De tijdgeesten van de jaren 60 (inclusief studentenopstanden) van de vorige eeuw en die van de jaren 10 in de 21e eeuw hebben gemeen dat er een argwaan is tegen establishment. Politiek en bestuur zijn mikpunt van spot en hoon in elk deel van de samenleving. De financiële crisis waar we niet om gevraagd hebben, veiligheidsdiensten die niet naar behoren functioneren, publieke instanties die er een potje van maken: niemand achter een loket of met stropdas naast een kantoorplant is nog te vertrouwen. Vaak zijn de verdachtmakingen terecht en het is de taak van waakzame burgers om elke vorm van bestuur door te lichten.

De Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam hebben al jaren eenzelfde bestuur. Sommigen beweren dat de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen als ‘opgelegd’ voelt. Dat is een verwijt dat ik hoor van UvA-collega’s (studentendecanen, hoogleraren, onderzoekers): in de managementlagen wordt van alles besloten en de archetypische ‘gewone man en vrouw’ (in dit geval de universitair docent en student) zijn de dupe. Dus moet er wat veranderen. ReThink. De pers duikt er bovenop en ja, het klinkt en voelt aanvankelijk wel lekker, die aanzet tot revolutie. Maar het lijkt me sterk dat vier leden van het bestuur verantwoordelijk zijn voor het volledige wanbeleid in een organisatie. 

Laat ik duidelijk zijn, ik kan mij vinden in de aard van het grootste verzet onder de demonstranten; een onderwijsinstituut is er voor de geest, niet voor het financieel gewin. De inrichting van het onderwijs laat zich niet dicteren van bovenaf (zie daar het gewraakte rendementsdenken), dat moet vanuit het onderwijs zelf komen.

Bestuurslid Dymph van der Boom, nota bene de eerste vrouwelijke rector aan een universiteit in Nederland, vertelde eens tegen het Parool: ‘Ik heb ongeveer het hele onderwijssysteem doorlopen. Eerst de ulo gedaan, toen de kweekschool en toen de universiteit […]. Als de groepen diverser worden, moet je je aanpassen en de diverse groepen bieden wat ze nodig hebben. Wat betreft studieaanbod, maar ook begeleiding. […] Dus als je studiesucces wilt verbeteren, moet je maatwerk leveren."

Een paar jaar geleden sprak ik bij het Grote UvA/HvA-dictee met Huib de Jong, ook lid van het huidige College van Bestuur. Ook hij kwam van ver: ooit was hij zelfs op het LBO (of een voorloper, daar wil ik van af zijn) begonnen. De mogelijkheden die het onderwijssysteem boden, hadden hem gebracht op de plek waar hij was. Ik had bewondering voor zijn verhaal.

Het bestuur wordt door ReThink een regenteske houding verweten:  Daarbij hanteert de UvA een bestuursstijl die uitgesproken top-down is, waarin transparantie en accountability alleen van de lagere niveaus wordt gevraagd, er wel een decentralisatie van problemen is, maar geen goede informatievoorziening, geen inspraak, laat staan beslissingsbevoegdheid. Discussies over huisvestingsbeleid, sluiting van bepaalde studierichtingen of andere bezuinigingen laten zich nauwelijks voeren, omdat er geen transparantie is over inkomsten, uitgaven en allocatie. De UvA zegt kritische studenten en toegewijde wetenschappers te waarderen, maar stelt ze niet in staat mee te denken over het bestuur van hun eigen universiteit…’ aldus de betrokkenen van ReThink in een brief aan de minister en het College van Bestuur.

Ik heb zo het bange vermoeden dat dit probleem verankerd ligt in een langere traditie van de UvA, waarvan de oorsprong niet per definitie bij het huidige CvB ligt. Zij zijn misschien op papier verantwoordelijk, maar het probleem zit dieper. En misschien liggen die wortels dichterbij 1969 (De 'eerste bezetting' van het Maagdenhuis) dan we zouden vermoeden. 

Ik zou de HvA als organisatie in elk geval verre van ‘verziekt’ of ‘fascistoïde’ noemen. Die laatste term gebruikte een UvA-medewerker wel voor de UvA. Inmiddels is er van het bestuur een open brief met tien punten en suggesties tot verandering. Het is zeker tijd om die onvrede aan te horen en er naar te handelen, maar het is te makkelijk om alleen een herziening te eisen van alleen de bovenlaag.

Wie alleen de aannemer vervangt, ziet de vochtplekken in de kelder misschien over het hoofd. En die zitten er ook genoeg in het personeelsbestand, en ja, ook in de collegebanken.

Welke revolutie of tienpuntenplan laat je daar dan op los?

 

Het Drielandenpunt en The Opposites

3 maart 2015 | Reacties 0

Ik was een week in een oord in Beieren, nabij het drielandenpunt Oostenrijk-Tsjechië-Duitsland. Langs een bergpad stuitte ik op een kapel met prenten van onder meer omgekomen lokale Waffen-SS-soldaten die postuum geëerd werden.

De bewoners van deze streek waren zonder meer vriendelijk (‘Grüss Gott’ klonk het overal monter) en ordentelijk (‘Werp alleen tussen 8 en 20 uur glas in deze bak. Wijs uw buren er op!’). De gezichten waren pafferig en grauw, vermoedelijk door de hoge consumptie van varkensvlees en liters bier. Een paar kilometer verderop, bij een klein treinstation aan de Tjechische grens, runde een Vietnamees een schimmige geschenkenwinkel vol wapentuig en drank (zijn Vietnamezen de enige allochtonen in deze grensregio? Een nawee van het communistisch tijdperk?).

Nergens was wifi. De kou en de sneeuw wierpen nog extra isolatiemateriaal op. Het enige medium dat hier een rol speelde was een wijkkrantje vol advertenties voor dotterklinieken. Het moderne leven kende men hier niet.

Ik merkte zaterdag op de terugweg hoezeer ik gewend was aan dynamiek. Ik vind mezelf een vrij brave en rustige snuiter maar spontaan begon ik The Opposites te waarderen, die mijn vriendin op de te lange terugreis via haar telefoon liet horen over de speakers van de auto. Ik weet vrijwel niets van rap en hiphop, maar ik wist wat me aantrok in de muziek en teksten: de reuring, de heibel, het bijdehante van de randen van de stad.

Ik kon de verleiding niet weerstaan om om half tien 's avonds even naar de Albert Heijn op het August Allebéplein te gaan. De jongen achter me in de rij mompelde tegen zijn vriend over een ander die voorbijkwam: 'De laatste keer was hij met zijn Canta hier rondjes aan het spinnen op het plein.'

Ik was weer thuis.

 

Kopenhagen: eten van de Europese kaart

16 februari 2015 | Reacties 0

'Ober Geert, ober Geert, hebt u het gerecht van de sluiting van moskeeën en verbod op hoofddoekjes nog, dat hier op de kaart staat?'
'Uiteraard mijnheer!'
'Ober Geert, ober Geert, dat tussengerecht van jihadisten opjagen, hebt u die nog extra mild geprijsd?'
'Ja, mijnheer, zeer goedkoop maar lekker pittig, extra goed doorgekookt, maar het kost niet veel.'
'Ober Geert, ober Geert, hoe had de actie in Kopenhagen voorkomen kunnen worden? Hebt u daar in dit eetcafé ook een gerecht voor?'
(Ober Geert stamelt even voor hij iets op de blocnote schrijft) 'Mijnheer, helaas, u kunt hier alleen van déze kaart eten.'

 

Die rauwe en ongecensureerde Rob Oudkerk toch

3 februari 2015 | Reacties 0

Een paar jaar geleden had Prem Radhakishun in de middag een radioprogramma (Premtime) waarvan de opzet mij wel kon bekoren: hij reed in een bus het land rond om vanaf die locatie onderwerpen te bespreken die, logisch, vaak ook met de locatie van doen hadden. Soms ging het nergens over – wat is toch Prems obsessie met Rob de Nijs? – maar hij was als radiomaker een stuk beter dan de gelegenheidsdemon die op tv is. Ondertussen is het concept van de mobiele studio een paar keer aangepast en nu overgeheveld naar de avond: 1 op straat (‘het nieuws van de straat, rauw en ongecensureerd’ ronkt men bij aanvang), waarvan Rob Oudkerk een van de presentatoren is. Oudkerk probeert vandaag in Volkskrant een lans te breken voor ‘zijn’ radio 1 en hoe het omging met de berichtgeving over de gijzeling bij de NOS vorige week. 

Ik ben een groot liefhebber van Kunststof op Radio 1, maar als dat om acht uur is afgelopen zoek ik dekking; de rondreizende studio van Oudkerk en Marianne Leeflang (voormalig politica van Leefbaar Rotterdam) brengt een half uur lang met 1 op Straat onheilstijding, onderbuikspek en vakbondstaal. Kan de radio niet zachter of uit, dan is alleen Rennie een probaat middel.

Het is ongetwijfeld een poging om nieuws van ‘om de hoek’ te brengen, ‘vanuit de samenleving’, als was het een auditieve pendant van tv-programma’s als Hart van Nederland. We moeten de burger weer aan ons binden. Dat zal de beleidsmakers leren! 

Ik vroeg vorige week donderdagavond rond achten via Whatsapp aan mijn vader waar ik in godsnaam een lampje voor mijn Prius kon kopen (hij rijdt ook een Prius), omdat de bouwmarkt alleen universele gloeilampjes voor andere auto's leek te verkopen. Mijn vader antwoordde: ‘Geen idee, maar het Achtuurjournaal is op zwart. Een gewapende man eist zendtijd op.’

Hoe hij dat wist? Zijn telefoon zoemde onophoudelijk dankzij de vele alerts van nieuwsdiensten. Ik reed van de bouwmarkt naar een onbemande pomp en zette radio 1 aan. Want ik wist: die rondreizende bus, dát was het geheime wapen. Juist nu, gestrand ergens in Noordeloos, konden zij ver buiten Hilversum de natie op de hoogte houden.

Nee hoor, een man praatte onophoudelijk over mestproductie. Rob Oudkerk deed zijn beste imitatie van ‘Voor het hek’, de sketch van Van Kooten en de Bie over een vermeend assertieve radiojournalist die zich solidair waant met de staker van een tandenborstelfabriek en door het hek van de fabriek een strijdlustig gesprek voert. 

Radiomaker Oudkerk meent vandaag in de Volkskrant dat hem geen blaam treft; immers, om acht uur ging de tv-zender weliswaar plat maar na een half uur was de radio erbij! Hij neemt in zijn opinie zijn eenkoppige redactie in bescherming, omdat niemand hem of haar op de hoogte zou hebben gehouden. Dat is een merkwaardige conclusie, want als redacteur van een nieuwszender houd je jezelf toch op de hoogte, ook als je alleen bent? Mijn vader en talloze anderen hoorden ervan, dan moet je als redacteur op een van je schermpjes in je mobiele studio iets opvangen? Je hebt toch een twitterfeed, ook voor de reacties van luisteraars?

Dat radio vaak een betere nieuwsbron is dan de televisie, daar heeft Oudkerk gelijk in. Onze actualiteitenzender is met name in de (late) avond een sterk en geloofwaardig instituut. Wie iets van de wereld wil begrijpen, wordt vaak op zijn wenken bediend met Bureau Buitenland en Met Het Oog op Morgen. Maar hier liet Oudkerk toch echt een steek vallen; hij had de gijzeling kunnen melden en desnoods daarna verder kunnen gaan met de mededeling dat ‘bij verdere ontwikkelingen’ de uitzending aangepast zou worden. Nu bracht de radiozender een beschamend half uur non-nieuws over mestoverschotten.

Het had Rob Oudkerks finest hour kunnen zijn op Radio 1. Het is niet gelukt, dat is allemaal niet zo erg. Maar zijn vier ‘leerpunten’ aan het slot van zijn stuk komen nogal belegen over. ‘…dus geen badinerende stukjes in kranten of makkelijke conclusies achteraf.’

Goed, mijnheer Oudkerk. Dat rauwe en ongecensureerde van 1 op straat zullen we voortaan ook maar op een andere manier interpreteren.

 

Ik heb als schrijver geen agent of manager en dat is fantastisch

29 januari 2015 | Reacties 0

Vandaag las ik op muzieksite Noisey een interessant artikel over de verregaande rol van pr-adviseurs en marketingmanagers in de muziekindustrie, en dan met name wat dat betekent voor de media-aandacht. Toen ik dat las, was ik opgelucht: wat ben ik blij dat ik als schrijver (oké, geen muzikant) zo min mogelijk te maken heb met mensen die bepalen wat voor mij goed of nuttig is. Ik bepaal als schrijver liever zelf met wie ik communiceer en waar ik met een boog omheen loop.

Ik heb eigenlijk maar een communicatie-adviseur. Hoewel, dat klinkt alsof ik hem persoonlijk ken. Laat ik hem liever ‘communicatie-voorbeeld’ noemen. Namelijk Bill Murray, de Amerikaanse acteur. De legende wil dat zijn mobiele nummer rondzwerft in bepaalde kringen. Je moet je vraag of voorstel bij hem inspreken en als hij enthousiast is belt of sms’t hij terug, zonder tussenkomst van een agent of advocaat.  

Ik ben nu zo’n 15 jaar schrijver en heb alle facetten van een carrière doorgemaakt: van quasibrutale twintiger in het pre-socialemedia-tijdperk via de aanbeveling ‘aanstormend talent’ en 'te negeren' naar ‘bescheiden gearriveerd’ met nominaties en bijzondere vermeldingen van boekenpanels. Ik kreeg zowel aanprijzingen als afstraffingen van NRC Handelsblad, Vrij Nederland, De Groene en de afgelopen jaren talloze blogs. Ik versleet vier uitgeverijen en vijf redacteuren. Er waren tijden dat ik van een bepaalde titel amper een paar honderd stuks verkocht en ik beleefde een derde druk (midprice van Leeuwenstrijd), ook nog eens voorafgegaan door posters met mijn naam die in drie grote steden hingen.

Ik ken de verwachtingen en de teleurstellingen. Inmiddels beschouw ik mezelf met zeven romans op de rol als een ervaren middenvelder die de bondscoach af en toe opstelt voor het nationale elftal. Geen ijdele spits of topscoorder, maar ook geen tragische bankzitter (nog niet, althans). 

Acteur Huub Stapel zei vandaag in de Volkskrant over het huwelijk dat je niet bezig moet zijn met het 'residu van gisteren' of de verwachting van morgen. Je moet bezig zijn met het nu. Met een schrijverscarrière is dat niet anders. Dan kun je het best zelf de touwtjes in handen hebben.

Er zijn genoeg mensen die dingen doen voor de schrijver en zijn/haar boek: de redacteur adviseert over verhaallijn, karakter en plots, de bureauredacteur redigeert, de tekstcorrector zet de puntjes op de i, de marketingmedewerker bedenkt strategieën (hoe het boek in de markt te plaatsen), de verantwoordelijke voor de pr onderhoudt perscontacten, er is nog een hele verkoopafdeling, een vertegenwoordiger voor het contact met de winkeliers, en dan heb ik de webredacteuren nog niet meegeteld en zie ik vermoedelijk nog een paar schakels in de keten over het hoofd (sorry, geliefde uitgeverij).

Waarom moet ik dan in gódsnaam nog een agent of manager in de arm nemen? Ik snap het principe wel. Die doen zaken. Ze zijn als literaire makelaars: ‘Jij hoeft de gesprekken niet te voeren’. Dat klinkt allemaal mooi, en ja, ik heb ook wel eens met zo’n agent gesproken, maar zo’n man of vrouw kost ook geld. Net als bij de financiële sector geldt hier: elke tussenpersoon is een extra kostenpost.

Ik hoef heus niet alles zelf te doen. De recensie-exemplaren stuurt de uitgeverij, het eerste contact met ‘de pers’ onderhouden ze daar ook. Posters ga ik ook niet zelf ophangen. Ik hoef ook niet zelf de boekwinkel op te bellen om te vragen of ze wel mijn boek inkopen. En Stichting Schrijver, School en Samenleving kan prima optredens voor mij regelen. Verder doe ik graag veel zelf.

Onderhandelingen over voorschotten? De catalogustekst? Welke ideeën voor een marketingplan? Wat ik precies in die bibliotheek ga voordragen, waar en wanneer ik dat interview geef? Ik bepaal het allemaal zelf. De uitgeverij geeft mijn nummer, klaar. Ik moet er niet aan denken dat iemand anders dan ik mijn belangen behartigt.

Nu barst ik ook niet uit mijn voegen en krijg ik geen dagelijkse verzoeken tot deals over verfilmingen of aanbiedingen van buitenlandse uitgevers. Wie dan leeft, wie dan zorgt.

Maar als aardige middenvelder lukt het voorlopig prima.

 

Bij het overlijden van Peter Pontiac

21 januari 2015 | Reacties 0

Lou Reed, getekend door Peter PontiacIn 2000 debuteerde ik met mijn roman Sneeuwbeeld bij Podium, de uitgeverij van Joost Nijsen. Mijn toenmalige redacteur Tom Harmsen wees me op het te verschijnen boek Kraut over zijn vader die ooit de zee in liep en nooit meer terugkeerde, waar Peter Pontiac mee bezig was. Pontiacs tekeningen kende ik vermoedelijk vooral van OOR en de VPRO-Gids, maar in elk geval van de cd-hoes van Val Dood, de verzamelde columns van Herman Brusselmans (van wie ik als tiener groot fan was).

Ooit trok de zelfkant van het leven Pontiac zodanig - o, discipel van Lou Reed! - dat hij aan de heroïne raakte. Ik had als vroegtwintiger geen weet van 's mans geschiedenis met verslavingen (heroïne, alcohol) in de jaren zeventig en tachtig. Ik wist niet beter dan dat het gewoon een uiterst zachtaardige man was die tot grimmige tekeningen in staat was.

In de vermaarde jaren nul luisterde ik evengoed doodleuk naar The Velvet Undergrounds Heroin en las ik Lou Reeds autobiografie vol heroïne-anekdotes. Het waren echografieën uit het verleden, vertekende weergaven waarvan je wist dat het ooit bestaan moest hebben. De Czaar Peterstraat in Amsterdam waar ik toen woonde - decennia ervoor nog een straat vol junkyards! - was allang aan het gentrificatieproces ten prooi gevallen. De yup had de horse in Amsterdam verdreven. 

Toen ik Pontiac in die tijd op een borrel van de uitgeverij sprak (misschien de presentatie van Kraut? Toen al viel me op dat hij niet dronk) suggereerde ik dat hij misschien eens een strip over een van mijn fascinerende idolen uit die tijd, Iggy Pop, moest schrijven. Iggy als superheld, maar bovenal de grootste ex-junk. 'Nou,' zei hij en kuchte. 'Ik weet niet, hoor.' 

Ik heb hem daarna nooit meer in levenden lijve gezien of gesproken. Pontiac werkte de laatste tijd aan zijn boek 'Styx of de zesplankenkoorts'. Hij heeft zijn werk niet kunnen voltooien. Misschien staat hij nu achter op de dood, maar hij heeft in elk geval Lou Reed overleefd. Dat is dan weer een punt voor Pontiac.

Ik denk aan zijn naasten. Ik geloof niet in de hel of de hemel, maar wel in fantasie. We zien hem lopen, vanaf de rug gezien. Puerto Ricaanse schoenen, een grote strooien hoed. 'Until tomorrow, but that's just some other time. I'm waiting for my man... I'm walking home.' De grote stad tegemoet.

De wereld zal niet luisteren

17 januari 2015 | Reacties 0

(Voorgelezen in de nacht van 16 op 17 januari, even na 01.00 op Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen).

Hij was er altijd bij: het concert van The Lull in de OCCI in ’87, de perspresentatie van Jonko Pierewiet in Pakhuis De Zwijger, maar natuurlijk ook het le-gen-darische concert van Bafflo Tribe in 013. Hij zou nog de rolstoel van zijn zieke moe op Marktplaats zetten om aan de japanse vinylpersing van BallaMee and the Foxtrots te komen.

In zijn kast heeft hij een lederen jack liggen uit de tijd van toen hij nog een jonge punker was en in de le-gen-darische band de Vingeraars speelde. De naam De Vingeraars kon je op twee manieren uitleggen: zij die vingerden, of een aars met een vinger erin, en juist die taalgrap had volgens de bassist van de band (tegenwoordig een consultant bij een architectenbureau in Wageningen) een zogenaamde twist. Ze hadden ooit drie democassettes opgestuurd naar de VARA, maar daar had geen van de diskjockeys van Hilversum 3 het opgepikt. Na één legendarisch optreden in een soos in Deventer was het gedaan met de Vingeraars, maar zíjn rock ‘n’ roll hart bonsde nog onvermoeibaar voort. Sindsdien verkoos hij het pad van de muziekjournalistiek – hij zou de wereld wel eens laten weten wat goede smaak was.

Bij het nieuwe bandje in de bovenzaal staat hij vooraan, duimen in de zakken van zijn jeans en de overige vingers meetappend op de muziek. Bij nog meer enthousiasme beweegt ook zijn kin mee. De frontman van elke band weet dan: vier sterren. Want hij schrijft er een stuk over.

Hij rammelt met zijn plastic consumptiemunten in de rij voor de bierpomp. Opzichtig toont hij zijn fluorescerend polsbandje met het woord PRESS. In de wandelgangen ontmoet hij soortgenoten; die bwgroet hij met een knikje. De baas van dat programma groet hij uitbundig, en de muzikanten omhelst hij. ‘Heb je de Teddy Flux nog gezien beneden? Le-gen-darisch.'  

’s Nachts, een uurtje of half drie, licht aangeschoten, klautert hij de trap op, legt het linnen tasje met nieuw vinyl van de platenmaatschappij in de hoek van de kamer, schopt zijn sneakers uit, trekt zijn hoodie van die of die band uit, en gaat na het tandenpoetsen naast zijn geliefde liggen. ‘Hoe was het, schatje?’ mompelt zij, haar adem ruikt naar slaap. ‘Le-gen-da-risch,' antwoordt hij, maar zij hoort zijn antwoord al niet meer, net zoals de rest van de wereld niet meer luistert.

 

Spot niet met de schipper

16 januari 2015 | Reacties 0

(Voorgelezen in de nacht van 15 op 16 januari, even na 01.00 op Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen).

Je hebt mensen in je vriendenkring met normale of ingewikkelde banen, maar er zijn ook mensen met banen die indruk maken. Ik ken een schipper. Schipper is zo’n beroep dat aan je vast blijft kleven, al word je daarna software-engineer of restauranthouder. Iedereen zal je onthouden als de schipper. Dat heeft hij gemeen met een politieagent. Of een beul. Als je een schipper als vriend hebt, maar zelf ben je leraar, accountant of gitarist, dan is de kans groot dat je de schipper al wat langer kent. Schippers ontmoet je niet ineens, het groeit, tenzij je zelf actief bent in de nautische branche.

Mijn vriend de schipper zit ’s nachts op de brug en kijkt uit over de eindeloze zwarte zee met groene en rode lichtjes. Hij vaart tussen Nederland en Engeland en vervoert vrachtwagens. Als je hem bij thuiskomst vraagt hoe het nou zit met laadvermogen, smokkelwaar, zandbanken, kapers, ontberingen in een storm, de eenzijdige maaltijd, het gemis van vrouw en kinderen – dan vertelt hij je altijd weer dingen die jij niet wist. Jij kunt die verhalen dan weer doorvertellen. Al ben je zelf geen schipper, anekdotes van en over een schipper roepen altijd nieuwsgierigheid en ontzag op bij derden.

Eens tartte ik het lot. We waren vijftien, zestien jaar oud. Drie vrienden in het donker aan de oevers van de Grote Bloem, een plas bij de Angerensedijk. Ik en mijn andere vriend vroegen de schipper, die toen geen schipper was maar een vwo’er die was blijven zitten, om een fles sinas uit de fietstas te halen. Toen hij de fles haalde en aan ons gaf, zei ik om te treiteren: ‘Laat maar, we hoeven toch niet.’ De schipper borg de fles weer op. ‘Of doe toch maar wel,’ zei ik toen hij weer bij ons kwam zitten.

Toen keek de schipper me aan en richtte daarna zijn blik op het water. Hij wierp de fles sinas met een flinke boog in de donkere plas. ‘Ga maar halen,’ zei hij.

Spot niet met de schipper. Zelfs niet – of misschien juist niet – als niemand weet dat hij de schipper is.

Archief

2015

maart februari januari

2014

december november oktober september augustus juli juni mei april maart februari januari

2013

december november oktober september augustus juni mei april