Thomas van Aalten

'Der Kalte Krieg hat nur Pause gemacht'

20 juli 2014 | Reacties 0

Ik wilde een scherp polemisch stuk schrijven, maar ontdekte al snel dat het mij niet lukte.

Een van de eerste dingen die ik op Facebook riep na de crash van MH17 was dat we kennelijk nabijheid nodig hebben bij een aanslag om erdoor geraakt te worden; moesten slachtoffers van andere aanslagen soms een juichpak aan voor het ons raakt, schreef ik. Niet alleen een open deur (hoe ‘kennelijk’ is die nabijheid nu overigens), maar ook onnodig kwetsend en ijskoud, vooral toen de eerste ‘via via’-kennissen onder de slachtoffers zich in de tijdlijn openbaarden.

Ja, natuurlijk komt het dan dichtbij. 193 Nederlanders in het vliegtuig kenden gemiddeld per persoon 50 mensen (van familie tot aanhang tot de buurman aan toe), en die kennen weer 50 mensen, en zo kent iedereen in Nederland minstens wel iemand die weer iemand kent die bij de ramp is betrokken.

Ergens op een veld in een spookachtig niemandsland, hier duizenden kilometers vandaan, liggen nu vrienden, collega's, familieleden, buurmannen, kinderen en al hun spullen, of delen ervan. Van Nederlanders, maar ook Maleisiërs, Belgen, Australiërs, Duitsers, Britten, Indonesiërs, Filipijnen, enzovoort. Omdat het zo’n non-descript gebied is, lijkt het lot in handen van beesten en waanzinnigen. Of je je een Rus of een Oekraïner voelt, je bent een universeel slecht mens als je na zo’n aanslag niet met gezond verstand en empathie handelt.

Ik ben zo vreselijk bang dat deze aanslag over een jaar een commissie oplevert, een parlementaire enquête over zeven jaar, een rapport – en excuses van de een aan de ander over 50 jaar. Maar nog veel banger ben ik voor Poetin.

Commando’s sturen, een gewapend konvooi, je hoort er van alles over wat ‘we’ zouden moeten doen. Eensgezind hadden nu in heel Europa alle alarmbellen moeten klinken. Als een politieagent in een grensdorp tussen Nederland en Duitsland twintig mensen per ongeluk zou doden, zou niemand elkaar de schuld geven; men zou zich in eerste instantie ontfermen over die twintig mensen en daarna een klopjacht beginnen op de politieagent. Als het een Duitse agent bleek te zijn, zou de Duitse burgemeester net zo opgelucht zijn dat hij gepakt was.

Poetin niet. Poetin trachtte zijn eigen straatje schoon te vegen en dat maakt hem een universeel slecht mens. 

Nederlanders begrijpen weinig van zo’n slechte infrastructuur rondom het rampgebied, van de monsterachtige situatie waar een rebel met een wapen zwaait om experts op afstand te houden en waar mensen door persoonlijke spullen van overledenen neuzen. Maar laat dit dan in vredesnaam een waarschuwing zijn.

Mijn primaire reactie is dat premier Rutte na dit debacle de deur dicht moet smijten bij Poetin. Je zoekt het maar uit. Met je separatisten. Der Spiegel schreef het mooi gisteren: ‘Der Kalte Krieg hat nur Pause gemacht.’ Het is nu geen kwestie van de rug recht houden, maar in eerste een rug maken, een sterke internationale – bijvoorbeeld Europese – rug.

Maar wat weet ik ervan? Wat heb ik te schrijven? Je zou het als een gebrek aan engagement kunnen noemen, maar ik ben niet de aangewezen persoon in dezen.

Het verdrietigste ervan is dat niemand zich dat voelt, omdat het zo’n absurde daad van moord is. Nabestaanden allerminst. Wat zullen die nu vinden van Poetin?

We moeten maar trots zijn dat wij hier vooralsnog geen vliegtuigen uit de lucht schieten, met opzet of per abuis. Goedbeschouwd ben ik een bewonderaar van polderen en vergaderen en voel ik me na zo'n bloeddorstige daad - ook na de berichten uit Gaza - alleen nog maar een pacifist.

Pacifisten zijn misschien naïever dan separatisten, maar in elk geval beschaafder.

 

Alle jonge mensen

3 juli 2014 | Reacties 0

Er waren tijden dat ik werken voor geld verschrikkelijk vond.

Op mijn 15e bezorgde ik de Arnhemse Courant, dat ging nog wel. Alleen had ik elke week weer abonnees minder. Toen had niemand het over digitalisering, maar gewoon over slechte bezorgers. Je salaris hing af van het aantal abonnees. Ik heb de vale loonstrookjes van Wegener nog ergens liggen, de oplichters.

Later kreeg ik na het behalen van mijn havo-examen (en dus vóór het studeren aan de hogeschool Arnhem en Nijmegen) een baantje bij de Aldi Press, waar ik pakketten tijdschriften voor de middenstand moest sorteren of juist weer uit elkaar halen, dat weet ik niet meer. De zomer van 1996 bracht ik door in een bedompte fabriekshal waar ik uren achtereen die tijdschriftenpakketten in een metalen postkar legde. Tijdens de koffiepauzes vluchtte ik naar buiten, omdat ik niet in de kantine durfde te zitten. Toen schreef ik mijn eerste verhaal voor een literair tijdschrift, en ik fantaseerde dat op een dag mensen in een fabriekshal mijn boeken of artikelen ook zouden opstapelen.

Een paar weken later werkte ik op de Westerbouwing in Renkum, een soort pretpark met één attractie (een stoeltjeslift door de bossen). Ik fietste twee weken lang van Huissen naar Driel en nam daar de pont. De pontvaarder was als de schakende dood uit die film van Ingmar Bergman. Het regende dikwijls. Ik moest bij de Westerbouwing de mechaniek van de lift bedienen (hij draaide op een oude Volkswagenmotor) en op een noodknop drukken als een bejaarde of kind half werd meegesleept zonder dat hij vast zat met een beugel. Aan het einde van de dag diende ik het nummer van één stoel te onthouden, zei de baas. Dan moest ik het hele rondje afwachten tot die stoel weer terug was. Ik moest zeker weten dat niemand meer in de lift zat, want ooit had er een man er een paar uur na sluitingstijd in gezeten. De man had, toen hij eenmaal gered was, uit woede de hele Volkswagenmotor gesloopt, zei de baas.

Ik herinner me een opa met zijn kleinkind die in het stoeltje plaatsnam waar een plas water in lag. ‘Dat is bij de prijs inbegrepen,’ zei ik en zag het tweetal gestaag door het bos hobbelen.  

Tijdens mijn studie in Amsterdam (toen ik niet meer in Nijmegen studeerde) werkte ik als nachtportier in een hotel, ik denk dat ik toen heel wat jaren heb moeten inleveren omdat nachtwerken het slechtste is voor een mens. Met bloeddoorlopen ogen stapte ik dan om acht uur ’s ochtends op de fiets naar Uilenstede waar ik in het felle zonlicht probeerde te slapen terwijl ik eigenlijk bij een college moest zijn. Er werkte een receptionist die me deed denken aan de manager van de Cup-a-soup-reclame. Ik haatte hem zo erg dat ik bedacht dat ik twee dingen kon doen: hem vermoorden of hem in een toekomstig boek een rol laten spelen. Dat laatste heb ik gedaan, bij mijn debuut in 2000.

Zelfs toen ik al twee boeken had gepubliceerd en een studie had afgerond en dacht dat de wereld op me zat te wachten, deed ik nog rotwerk. Al vond ik het overtypen van notariële akten en andere beleidsstukken in een gebouw tegenover het Hilton niet zo erg. De juriste was heel aardig. Wel heb ik doodsverlangen gekend bij een ander advocatenkantoor in Buitenveldert, waar ik onder de vlag van Randstad memo’s moest uittikken van recorders die waren volgeblaat door advocaten met natte krulletjes.

Al die uren die ik heb weggekeken, al die collega’s die ik in mijn fantasie vermorzelde in een hakselmachine of koffie in het gezicht gooide.

Dan kwam ik thuis en dacht na over mijn plannen, die steeds meer contouren kregen. Ik bouwde, verzonken in gedachten, mijn eigen imperium: dit zou ik worden, dat zou ik willen bereiken, die zou ik willen ontmoeten.

Nu ben ik bijna 36. Ik heb werk waarbij ik nooit op een klok kijk, behalve om te zien hoe laat het is.

Twee weken geleden kwamen eerstejaarsstudenten bij me thuis om het jaar af te sluiten. Sommigen blijven ‘meneer’ en ‘u’ zeggen, en dat vind ik geruststellend.

Deze week had ik het fijne sluitstuk van het collegejaar: portfolio’s nakijken van studenten van de minor Creatief Schrijven. Ik kan me geen beter werk voorstellen.

Als er één doel is dat ik zou moeten omschrijven als docent in het hoger onderwijs, is het het bieden van perspectief (bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe kennis, maar hoop mag ook), en soms troost (als iets tegenzit). De fase van jeugd naar wasdom is immers regelmatig doortrokken van twijfels, diepe melancholie en wilde plannen en een vage toekomst.

Ik ben er niet jaloers op.


De prijs van nabijheid

25 juni 2014 | Reacties 0

Zodra een luguber voorval zich voltrekt – een moord, een kind dat vermist is, een verkrachting, ontvoering, een dodelijk ongeluk – dat betrekking heeft op slachtoffers die onze naasten zouden kunnen zijn, wekt het onze interesse.

Twee sympathiek ogende studentes die in een ver land iets onschuldigs doen als vrijwilligerswerk; het zouden onze dochters, buurmeisjes of nichtjes kunnen zijn. We zitten er bovenop als onheil hun deel blijkt. In eerste instantie voelt dat rechtvaardig.

Maar waar houdt maatschappelijke onrust en noodzakelijke nieuwsgaring eigenlijk op, en begint na een vermeende ontknoping een zeer ongepast voyeurisme en procedé van afstandelijke termen in nieuwskoppen als ‘resten’ en ‘botten’?

Uiteindelijk betaalt de familie van slachtoffers de prijs van nabijheid. Als slachtoffers zo dicht bij ons lijken te staan, trekken we het ons extra aan. Journalisten en redacteuren geven er een draai aan, zodat we nog iets verder worden meegezogen. Of er kwade opzet in het spel is, weet ik niet, maar ik twijfel wel eens over hun motieven. ‘Er is behoefte aan’, ‘dit moeten we gewoon doen’, zijn natuurlijk geen argumenten.

Alsof het een tv-serie met cliffhanger betreft maken we graag een 'overzicht' van zo'n vermissing met ernstige afloop. Minutieus doen we het, maar eigenlijk zijn het varianten op elkaars stukken. Zelfs Geenstijl doet mee. Doorgaans zou je zoiets eerder verwachten bij de verslaggeving van een zware kabinetsformatie of ingewikkelde oorlogsvoering.

Ik snap dat de familie van slachtoffers foto’s in eerste instantie vrijgeeft wanneer het om vermissingen gaat. Maar steeds maar weer de portretten die zo contrasteren met de ‘resten’ en ‘botten’ - wie is daar nu nog mee geholpen?

Er is overigens niks nieuws aan. Vanaf de jaren zestig laaien dergelijke discussies op en verstommen ze weer net zo snel. Steeds is er weer het gesprek met ‘respect’ aan de ene zijde en ‘nieuwsgaring kent geen emotie’ aan de andere zijde.

Maar die voorkeur voor nabijheid maakt het wel zeer wrang. Niet alleen voor de familie van slachtoffers die ongevraagd onderdeel zijn van een nationaal nieuwsfeit. Ook voor familieleden van slachtoffers die minder dichtbij staan.

Wat te denken van de Iraanse asielzoeker Mostafa Talaia, die een jaar geleden vermoord werd in Oisterwijk. Hij werd neergestoken op weg naar het asielzoekerscentrum. Hij haalde Opsporing Verzocht en wat lokale media, maar hij haalde slechts twee keer Nu.nl: waarvan één keer de kop luidde: ‘Moord op een asielzoeker’. Als plaatje een stockfoto van een politieauto. Een condoleanceregister voor Talaia ben ik nog niet toegekomen. De zaak is inmiddels gesloten.

De ene zaak is de andere niet, ook niet voor journalisten.

 

Onze kinderen zijn data

20 juni 2014 | Reacties 1

De vakantietijd breekt aan. Althans, voor vele ouders die ook deel uitmaken van mijn facebookwall. Ik voorzie weer een reprise van de geïnstagramde werkelijkheid, sfeervol gefilterde foto's van lommerrijke campings, een branding, de grote steden die we bezochten, de kampvuurtaferelen of misschien een muziekfestival in een Hollandse duinpan.

Na het lezen van dit scherpe stuk van Margriet Oostveen (dat qua inhoud niet zoveel te maken heeft met de volgende boodschap) wil ik jullie wijzen op de vervagende grens tussen het aloude plakboek dat nog veilig verborgen stond in de Lundia-kast en de 'cloud' vol vakantiekiekjes met vuile kindersnoeten waar we nu met z'n allen in zitten te loeren.

Dat u de instellingen op Facebook op 'privé' hebt ingesteld is een schijnwerkelijkheid. Vaak zie ik vrienden van vrienden van toch al niet zo bekende collega's ineens opduiken met hun foto's van dagjes uit met kinderen die vliegers vasthouden, hengels uitwerpen of dansjes doen. Zij hebben geen idee wie ik ben. Het zijn mijn zaken niet. U nodigt mij ook niet uit bij de eindmusical, de familiereünie of het afzwemmen.

Wees terughoudend met delen van de tronies van uw kroost. Ik heb een keer foto's van mijn dochters op Facebook gezet. Met een hoes van een David Bowie-plaat voor hun gezicht, of een jutezak van Sinterklaas over hun kop. En één keer een foto van veraf, op het strand. Ik mag graag anekdotes vertellen, maar nooit noem ik hun namen (hoewel ik zelf inderdaad jaren geleden bij de geboorte van mijn jongste dochter dat ook vrolijk vertelde op Facebook - sadder but wiser, zullen we maar zeggen).

Het gaat mij er niet om dat jullie mijn kinderen niet mogen zien of dat ik niet vrolijk word van jullie instagrams, video's en andere beeldplaten; ik vind het freaky dat Facebook gelijk een framepje op het kinderhoofd plaatst. Zo worden kinderen nu al geïndexeerd, belanden in een databank. Of uw instellingen nu op privé staan of niet.

Ik zeg niet dat ik u blokkeer of ontvriend of dat ik me erger aan de simulacron van het vrolijke gezin, ik zeg dat u er voorzichtig mee moet zijn. Volwassenen nemen het zelf zoals het is (een foto van mijn papkop op café vind ik geen probleem, net als een foto van een lezing waar ik voordraag uit eigen werk), maar (te) kleine kinderen hebben niet gevraagd om die digitale opslag.

Genade van het zachte licht

31 mei 2014 | Reacties 0

Er zijn mensen die ik ervan verdenk dat zij in oorlogstijd mij het graf in zouden schieten en moeiteloos een gaskraan zouden bedienen of tot andere foltering kunnen overgaan. Vaak zijn dit mensen die zich bedienen van luid, aapachtig gebrul zonder dat iemand daar om vraagt, mensen die troep op straat gooien en mensen die asociaal verkeersgedrag vertonen en hierbij de schouders ophalen als je hen wijst op de redelijke aanwezigheid van slachtoffers.

Een groep studenten of Young professionals op vier hoog in de flat naast ons hield tot zeven uur in de ochtend, jawel zeven uur in de ochtend, een luid feest met muziek die klonk als een oppotmachine met synthesizers, trance van het soort dat je vindt in een uitzoekbak bij de Blokker. Wanneer zij een vrijstaande loods in een leeg weiland als feestlocatie zouden kiezen kon het mij niets schelen, maar midden in een woonwijk tot zeven uur in de ochtend is niet meer het vieren van jeugdigheid, maar het opdringen van slechtheid, het wapperen met de vlag waarop staat dat de wereld mag sterven, en het eerste uitwasemen van een dodelijk gas. Wij zijn hier, en u bent daar, maar wij hebben zwaarder geschut.

Omdat het een andere unit is dan de onze, heb ik geen toegang tot dat complex. Al had ik daar in mijn boxershort op de stoep gestaan, dan had men meesmuilend naar beneden gekeken en waarschijnlijk een fles gegooid, begeleid door kleinerende bewoordingen. De stoep lag bezaaid met peuken die zij van het balkon wierpen, nog een teken van wanbeschaving.

Ik hoopte op de assertiviteit van hun directe buren, maar wellicht dat expats – daar wonen meer expats, vraag me niet waarom – het lot in zo’n geval dragen en de doppen dieper in de oren duwen. Als slang in hun paradijs belde ik tot tweemaal de politie, maar toen zelfs om half acht in de ochtend nog steeds het geluid klonk van een dodenmars op hoge snelheid, vergezeld door het roekeloos gebral op hun balkon, wantrouwde ik het politieapparaat in al zijn facetten. Ter afleiding luisterde ik naar prachtige troostrijke reportages op radio 1, en ook luisterde ik naar een aflevering van Klasgenoten met Gerard Reve. Het was natuurlijk ooit een televisieprogramma, maar ik luisterde alleen naar het geluid van die uitzending op YouTube omdat ik zo mijn eigen beelden kon scheppen. Geen schrijver geeft zoveel genade in tijden van weerzin en angst als Gerard Reve. Reve vertelde over dat het licht in Amsterdam vroeger zachter was, ‘er zat wat meer oker in’, en dat hij niets meer begreep van die stad.

Ik zag mij liggen in mijn bed, als een paria uit een schilderij van Edvard Munch of Francis Bacon, en ik maalde en dacht: hij heeft gelijk, uiteindelijk ligt ons lot op dit moment in de handen van de demonen. Mijn kinderen waren ondergedoken in de geluidsarme vleugel van het huis, maar dat is misschien nog het ergste; als vader tot gekte is gedreven, zijn kinderen kansloos.

Toen ik om elf uur in de ochtend in de auto stapte voor een bezoek aan een boekwinkel in Enschede om te signeren, geteisterd door vermoeidheid maar gekleed in mijn pak met das, zag ik plots de bewalde ogen, petjes en de sigaretten tussen de gebarsten lippen van twee klaplopers op de gewraakte vierde verdieping. Ik sprak hen aan, gebruikte ferme taal. De schouders werden opgehaald. Beneden op straat en later op de dag in de lift, sprak ik  met vermoeide medebewoners. Ik was niet alleen geweest, zo zaten we toch met z’n allen in het verzet.

De A1 van Amsterdam naar Enschede lag in een prachtig zacht licht, zelfs met een beetje oker. Het groen aan weerszijden en de paar auto’s op de asfaltstroken maakten de rit geruststellend sympathiek. Ik hoorde schrijver Donald Nolet op de radio, hij had de Gouden Strop gewonnen en hij moest van Frits Spits kiezen wie hij van de Grote Drie het meest bewonderde, en hij koos Mulisch. Daarom zette ik de radio maar weer uit.

In Enschede waren de boekverkopers en klanten zachtaardig en welwillend en langzaam veranderde het bloeddorstig tafereel in mijn hoofd waar ik die nacht mee kampte in een schilderij vol zacht licht met veel oker. Het was een schilderij van Edward Hopper, toen ik in de lage zon aan het eind van de middag terugreed.

Zonet las ik op het balkon in de laatste zonnestralen de eerste pagina’s van Monte Carlo van Peter Terrin, een cadeau van de boekhandelaar (omdat ik, eerlijk toegeven, Horizon City van Jaap Scholten al had), en nu al ben ik liefhebber. Op de achterkant prijkt het auteursportret van een intelligent mens. Beneden deelden de kinderen uit de buurt hun zakje zonnebloempitten met mijn oudste dochter en ze ruimden de schilletjes zelf op. De dag eindigde zo alsnog in genade.

 

Uitval

27 mei 2014 | Reacties 0

De stroom was uitgevallen in een groot deel van Amsterdam West en Nieuw-West. Er bestaat ongetwijfeld een socioloog die ooit heeft beweerd dat je bent hoe je je in het verkeer gedraagt, en ik denk dat je ware aard ook naar boven komt bij een stroomstoring als deze.

In het verkeer zie ik in Amsterdam vaak te assertieve fietsers die miskend hun hand op de motorkap van een auto slaan, of een toerist uitblaffen onder begeleiding van een luide bel. ‘Kejjenieuitkijkeklautzak’. Ook onlangs nog gezien: een vader met een kind achter hem, staand op de bagagedrager, die langs een bakfietsmoeder suist en keihard ‘Pas op, kut!’ roept. Mooi blijft ook de nonchalante ijskoningin of –koning met koptelefoon die even voor een tram schiet en geen krimp geeft als de tram een doodstop maakt.

Ik ben iemand die niet doorheeft dat hij per ongeluk iemand genadeloos afsnijdt en ga dan mijn excuses aanbieden. Of ik rem vlak voor een zebrapad zodat die dame toch over kan steken, maar de fietsers achter mij knallen op mijn spatbord. De gehaaste mens zit vol haat.

Het was rond half zes toen de stroom uitviel. Twitter is altijd sneller is dan de beheerder van Liander kan vermoeden, dus het was een dankbare informatiebron (mijn 3G verbinding werkte immers nog).  In onze flat zaten mensen in de lift vast, in het donker. De man van Otis Liften was er snel bij om ze uit de benarde positie te bevrijden.

Dan viel het bij mij nog wel mee, hoewel ik elektrisch kook. De kolen waren op, anders had ik de barbecue op het balkon nog wel voor de rosbief opgestookt. Er zat niets anders op dan wachten en het lot accepteren.

Zo'n stroomuitval verbroedert, op de een of andere manier. We zijn gewend dat elke dag ons leven in een mal wordt gegoten, dat het gaat zoals de voorschriften het aangeven. Niets en niemand kan zo slecht improviseren en relativeren als een volk van protocollen en procedures. Maar als de protocollen wegvallen, praten we ineens met de buurman en proberen we elkaar te helpen. We ontzien elkaar iets meer.

’s Avonds traden The Manic Street Preachers op in Paradiso. Het nieuwe album heet Futurology, een album over de vergankelijkheid van Europa. Een interessant interview met bassist Nicky Wire over moderne kunst en muziek als performance leest u hier. (Overigens draagt mijn boek Leeuwenstrijd een motto van The Manics en Bowie, en gisteren opende de band met een nummer van Bowie als intro, dus de cirkel is rond). The Manics was de eerste act in het Castro-tijdperk die jaren terug voor een uitzinnige menigte in Cuba speelde. Luider dan oorlog, noemde Castro het optreden destijds.

In Paradiso was de zaal gevuld met fans, maar met evenveel passanten die de kwaliteit van polyester survivaltenten bespraken of een zeker percentage op een loonstrook in twijfel trokken. In t-shirts, met kale kruinen en met hoog opgetrokken spijkerbroeken. Sommigen zaten onderuitgezakt op het balkon naar hun telefoon te kijken, geen minieme knik met de kin. De aanwezigheid van een band die met zowel hoge kunst als stadionrock flirt ontging hen, leek wel. Drie bier en een treinkaartje, koffie toe en dan naar bed, dat idee. Menig Cubaan zou hebben geruild.

Je moet het leven altijd leiden met een gevoel van noodzaak en toewijding. Nooit op de protocollen en procedures vertrouwen. Aanvaard de anarchie die van de een op het andere moment kan uitbreken, anders word je een ondraaglijk vlak mens dat op motorkappen van auto’s slaat, anderen uitscheldt bij een kruispunt, door anderen heen praat wanneer het niet nodig is en zijn mond houdt wanneer je zou moeten krijsen.

In tijden van rampspoed, stroomstoringen en uitval sluit je achter aan in de rij van de verschoppelingen, gehuld in lompen, met kwijl uit de mondhoeken.

 

The Sisters of Mercy in de Melkweg 2014: vier sterren voor de machine

26 mei 2014 | Reacties 2

Een paar weken geleden bezocht ik een concert van Echo & The Bunnymen in de 'oude' Tivoli, daarover schreef ik toen dat het mij niets meer deed. Ik werd moe van het ouwe-jongens-krentenbroodgehalte dat om dat concert heen hing. Door die kater durfde ik gewoon niet meer naar The Sisters of Mercy, gisteren in de Melkweg. Ik zag me alweer staan tussen de kale kruinen en Clan of Xymox-shirts van systeembeheerders.

En, niet onbelangrijk detail, ik zag ze al acht keer in tien jaar. Ik wist dus min of meer wat er ging gebeuren; een clown op een tuba of een reggae-combo zou nooit het podium bestijgen naast Andrew Eldritch. Wéér 'Alice', wéér 'First and Last and Always', alles voortgestuwd door de mechanische drums uit de computer en twee metalgitaren. Een collega had een kaartje over, maar dat had ik na het Echo-debacle afgeslagen. Om half zeven zat ik in de zon op het balkon en toen dacht ik: zou ze het kaartje al kwijt zijn?

Dat bleek niet het geval.

Het is komisch als mensen zeggen: ‘toen en toen zag ik ze en toen waren ze beter.’ Mensen bedoelen niet een band, maar zanger Andrew Eldritch. 23 jaar geleden stonden The Sisters in een andere samenstelling in de Jaap Edenhal. 11 jaar geleden stonden ze in de Heineken Music Hall. De huidige gitaristen, Ben Christo en Chris Catalyst, zaten toen nog op school. Je zou zeggen dat een setje jeugdige metalheads uit Leeds een pijnlijke neergang van een mythische act symboliseren. Bij het verschijnen van de eerste Sisters-EP’s aten zij nog Olvarit. En nu stonden The Sisters in een Melkweg waarvan het bovenste balkon gesloten was.  Eldritch brengt al jaren geen nieuwe muziek officieel uit, maar schrijft nog wel; de setlist wordt tegenwoordig opgesierd met deze nieuwe industriële metalrocknummers.

Eldritch lijkt qua uiterlijk tegenwoordig op het Walter H. White uit Breaking Bad, en toch behoudt hij zijn ongrijpbare charisma. Zal nooit roepen: ‘Hebben we er ZIN in?’. Op Pukkelpop (2001) was de Sisters-compound op het terrein nog afgeplakt met zwart doek, hingen overal 'No Press'-posters. Lang waren fotografen en journalisten de zondebokken voor Eldritch, een gebruik dat we later ook zagen bij Rammstein.

Het is de afstand die hij bewaart en hem conserveert – zoals ook Daft Punk gebruikmaakt van de anonimiteit. Met zonnebril op in de rook van de machine. Ik heb hem gezien in matige toestand (2006, tijdens hun 25-jarig jubileum) in Berlijn, waarbij je hem niet kon verstaan en de zaal één grote galmbak bleek. Ik heb hem met goede zin gezien op Belgische festivals op een stadsplein, inclusief cover van Gary Glitter en Motörhead. Maar steeds zag ik vooral de gereserveerdheid van een frontman, zodat je een volgende keer toch weer ging omdat je benieuwd was of hij nu iets communicatiever zou zijn. En toch hoeft dat ook weer niet. Als JD Salinger ineens met een big smile in de Margriet had gestaan, zou dat ook als verraad voelen.

De rook van de machine is als het vierde bandlid. Als mensen verontwaardigd zijn dat er wel meer van de act uit een machine komt (de drums, de bas), ben ik verbaasd; bij hiphop- of dance-acts maakt het toch ook niet uit dat er geluiden uit samplers of laptops komen? Bovendien heb ik genoeg slappe drummers gehoord, waarbij ik smeekte dat zij vervangen zouden worden door een drummachine.

Gisteravond, na de instrumentale intro van de cultsong Afterhours, zagen we weer een act uit vele machines, maar in tegenstelling tot wat ik dus eerder concludeerde bij Echo & The Bunnymen, was het geen ach-ja-mooi-was-die-tijd-ik-heb-ze-nog-gezien-toen-Wayne Hussey-er-nog-bij-speelde-sfeertje.

Het geluid was hard, de gitaren speedy, Eldritch goed verstaanbaar (al krijgt zijn gegrom af en toe iets van Leonard Cohen die Marilyn Manson nadoet), de drummachine mechanisch en meedogenloos. En dan ook na tig keer The Sisters-shows te hebben gezien, blijkt het te werken. Je weet wat je krijgt en toch ben je nog verrast. Het heeft niets te maken met oude wave in nieuwe zakken. In een handomdraai veranderde de Melkweg The Max, gelegen achter godbetert het Leidseplein, epicentrum van banaliteit, in een stripclub uit Mad Max. Van het vintage ‘Kiss The Carpet’ tot het volvette Hitradio Veronica-fähige ‘When You Don’t See Me’, tot het militante maar melodieuze ‘Arms’. En het Sisters-publiek – waar ik deel van uitmaakte - omarmde deze machine. En heel misschien baalde Eldritch zelf ook dat ‘Lucretia, My Reflection’ zo geprogrammeerd was dat er niet nóg een loopje bij kon.

Gitaristen Ben Christo en Chris Catalyst versplinterden hun instrumenten haast dankzij hun speeldrift en enthousiasme bij de de cover 'Misirlou' van Dick Dale, onder andere bekend van Pulp Fiction.

Eigenlijk heb ik de machine nog nooit zo in vorm gezien.

Het gaat er niet om of je Eldritch nu wel of niet altijd goed hoort en of de drumpatterns sinds de jaren ’00 niet zijn vernieuwd. Het is niet alleen de door modernistische elektrorock opgesierde setlist waar je voor naar The Sisters gaat, het is ook de toevoeging van licht, rook – veel rook – en pose.

Het is wel de vraag of Eldritch op zijn 55e nog nieuwe fans krijgt, of dat het steeds dezelfde horde liefhebbers is die terugkeert maar ook weer afkalft (zie de steeds kleinere zalen die de band aandoet). Wat mij betreft is de houdbaarheidsdatum van The Sisters nog lang niet verstreken, maar ik heb het bange vermoeden dat die nooit zal verstrijken. In 2114 staat er nog steeds ergens een machine te palpiteren in een decor van autowrakken en gesloopte computers; een eruptie van licht, geluid waar bewonderaars hun armen voor in de lucht zwaaien.

 

Vlugtelingen

23 mei 2014 | Reacties 3

Ik was in maart in de nieuwe bibliotheek in Amsterdam Slotermeer als schrijver te gast, samen met collega’s Hugo Hoes en Cathelijn Schilder. We lazen voor uit eigen werk, en de avond werd aaneengepraat door Abdelkader Benali. We mochten ook een foto van de lelijkste en de mooiste plek uit Nieuw-West uitkiezen. Ik koos als lelijkste plek het Delflandplein, en met de mooiste plek had ik gesteggeld, want het was niet de mooiste maar wel een onbekende plek, de Hodenpijlkade. Het is een straat zonder doorgaand verkeer, ligt in de schaduw van de ring A10, maar er staan huizen van een miljoen.

Aan het einde van die avond vroeg Abdelkader of iemand uit het publiek nog iets wilde zeggen. Er stond een man met een paardenstaart en oriëntaals uiterlijk op, Richard, die onze aandacht vroeg. Op 22 mei zou er een bonte avond in broedplaats De Vlugt zijn, aan de Burgemeester De Vlugtlaan, naast het tankstation en het Van Eesteren museum. West Sound Story zou de avond heten. Of wij ook daar wilden voordragen. Het zou een avond worden waar de multiculturele kracht en de diversiteit van Nieuw-West werd gevierd, beloofde hij. Abdelkader riep: ‘Dat is een deal.’ 

We kregen kort daarop een mail, maar die had ik over het hoofd gezien. Hugo had niks gekregen. Af en toe polste ik bij mijn collega’s: ‘Hebben jullie iets van The Blue Diamond gehoord?’ The Blue Diamond, daarmee bedoelde ik Richard. Het was mijn geuzennaam voor hem. Een beetje fout. Een paar weken later stuurde Richard weer een mail met de vraag of we de bevestiging hadden doorgekregen. We hoorden dat er ook een Ottomaanse percussie- en zanggroep zou komen, een Surinaamse band, Zuid-Soedanese hiphop en Turkse dans.

Ik heb een haat-liefde-verhouding met voorleesavonden. Ik stond een paar weken geleden nog in een lege fabriekshal in Haarlem voor zes man. Sympathiek is het altijd wel, en ik zeg bijna altijd toe, maar het gaat meestal gepaard met afzeggingen van andere auteurs, een gering aantal drankbonnen en slecht werkende microfoons.

Toen ik gisteren om half negen ‘s avonds aankwam in De Vlugt, was het al aardig druk. Alle artiesten hadden hun aanhang meegenomen. De schrijvers (Cathelijn Schilder, Hugo Hoes en ik) hadden elkaar. Er werd onder het systeemplafond met discobol Fernandez en Heineken geschonken. Een dj draaide al wat wereldse muziek. We werden welkom geheten door een tengere donkere dame die als achternaam Blackman had. Ze vroeg of ‘we’ er zin in hadden.

De avond was nu eens niet een voorspelbare aangelegenheid vol verantwoorde acts met overwegend blank publiek. Het was gewoon een gezellig zooitje, inclusief niet-werkende microfoons en piepende speakers, maar ook dans, muziek en uitheemse zang. Honderd man, publiek en performers door elkaar (waaronder rastamannen, vrouwen met hoofddoek, een man in een maillot en vrouwenschoenen) in die broedplaats naast het tankstation. Iggy Pop zou zingen: Out on the edges, they're mixin' the colors.

Cathelijn las over een skibaan uit haar boek Eerst een huis, Hugo las een verhaal over kamperen uit zijn boek Fijne familie en ik las een column van deze site voor, en ook nog wat uit Leeuwenstrijd. Een scène over een Turkse gastarbeider in 1970, die een discussie aangaat met Eduard, een docent Maatschappijleer. De Turk uit Izmir snapt niet waar Eduard moeilijk over doet: hoezo stakingen organiseren, hoezo je verheffen? Een miljoen balkons in de zon in Marmaris, dát wil de arbeider. De mensen in de zaal gniffelden.

Buiten sprak ik na afloop met Turkse vrouwen. Ik vroeg of ze Nazmiye Oral kenden, en ze bleken les van haar te krijgen. Ik maakte kennis met Godfrey Lado, de Zuid-Soedanese poëet en rapper. Ik vroeg hem wat zijn droom was. ‘Die leef ik nu.’

Richard heeft in Nieuw-West meer mensen bij elkaar gekregen dan menig goedbedoelende literaire of culturele organisatie van binnen de ring A10 ooit probeerde. ‘Ik had jullie namen al op de flyer laten drukken, maar ik wist niet of jullie echt konden,’ gaf hij toe. ‘Abdelkader had wel geroepen dat het een deal was, maar ik dacht nog: wat is de deal dan?’

 

Het evangelie van nulletjes en eentjes

21 mei 2014 | Reacties 0

Voor het platform Digital Publishing Toolkit werd ik geïnterviewd over de voors en tegens van e-publishing. Laat ik zeggen dat ik in audio beter tot mijn recht kom.

De Hollandse Fantoom

21 mei 2014 | Reacties 0

Op een bankje hoorde ik een oude man mopperen: 'Een politieke organisatie is net een stofzuiger. Af en toe gaat er een nieuwe zak in, en daarna zuigt-ie weer lekker alles en iedereen leeg, het voelt als nieuw, maar na een tijdje werkt het niet meer. Het klinkt anders. En de zak is verstopt.'

Ik houd van het stemritueel. Al vanaf mijn achttiende raak ik ontroerd van de vrijwilligers, de koffiekannen en de ernstige blik op het formulier om te controleren of ik ben wie ik ben. De eerste keer dat ik stemde, deed ik dat elektronisch. In Amstelveen, omdat ik toen in het studentencomplex Uilenstede woonde. Ik maakte nog net geen triomfantelijke vuist in de lucht. Elk debat en elke uitslagenavond in de daaropvolgende jaren keek ik zoals een ander naar sportverslaggeving keek.

Door politici vooraf verwoorde idealen keren na de compromissen van een bestuur terug in een versimpelde of aangepaste wet, een verschuiving van het budget en een andere tone of voice in het publieke debat.

Dat laatste vind ik eigenlijk het meest zorgwekkende.

Zo is de afgelopen jaren een imaginaire heimat-cultuur ontstaan, een Hollandse Fantoom: een Nederland dat eigenlijk niet bestaat, maar als je het maar lang genoeg roept, denkt iedereen dat het zo hoort. De Hollandse Fantoom is een vreemd amalgaam van behoudzucht, controledrift en angst. Zelfs clowns als Gerard Joling en Bassie verkondigen in het wild hun politieke standpunten, of sidekicks van radio 538.

Ik ben opgelucht en trots dat ik een stad woon waar de Hollandse Fantoom redelijk ver te zoeken is. Hier goddank nog geen wethouder Veiligheid (een echte fantoomportefeuille. De burgemeester en de politie moeten zich bezighouden met veiligheid. What’s next? Een wethouder Geluk?). Ik had zo getekend voor een links-liberale coalitie, maar niet voor een volledig links bestuur van, zeg, SP, PvdA en GroenLinks (mocht dat al cijfermatig kunnen).

Het zou partijen sieren als zij vaker vóór de verkiezingen met elkaar optrekken, en dat je vervolgens als kiezer aan de knoppen kunt draaien door op een van de samenwerkende partijen te stemmen: ik wil meer groen, meer kunst en cultuur of betere infrastructuur in de stad. Had je dat gedaan, dan zat je niet met de organisatorische bende die het nu is. Geen kiezer snapt deze logica, aldus gisteren opgetekend in Het Parool: ‘De eerder door GroenLinks en D66 gesloten 'hervormingsagenda' moest als basis dienen, aldus de 'verkenners'. In tegenstelling tot GroenLinks omarmden VVD, D66 en SP dat advies.’ En niemand had dit zien aankomen? Zo spring je niet met een kiezer om. Geen hond gaat straks nog stemmen, en dan is de Hollandse Fantoom de politieke leider.

Mijn voorstel is dat politieke partijen voortaan opzichtiger duidelijk maken met wie zij willen besturen, of dit nu op landelijk of regionaal niveau is. Dus kom op met die akkoorden, deals en liefdesverklaringen om de Hollandse Fantoom uit te roeien en een gezonde progressieve, Nederlandse geest opnieuw uit te vinden. Maak je gelijk goede sier in Europa. (maar als je dat zegt dan ben je de elite, begrijp ik, dus ik houd me in).

 

Archief

2014

juli juni mei april maart februari januari

2013

december november oktober september augustus juni mei april maart februari

2012

november augustus