Thomas van Aalten

David Bowie: iedereen zijn eigen ster

11 januari 2016 | Reacties 0

Deze titel hierboven is niet van mijzelf. Hij is afkomstig uit de essaybundel ‘Het IK-Tijdperk’ (een special van de Haagse Post destijds) uit 1979, verzorgd door John Jansen van Galen. De essays plaatsen de jaren zeventig in een retrospectief, en dat doet Jansen van Galen voortreffelijk. ‘In plaats van de christelijk naastenliefde werd een nieuw geloof afgekondigd, waarvan het enige dogma luidde: kom op voor jezelf.’ In zekere zin was David Bowie een boegbeeld van het nieuwe hedonisme en individualisme, laverend tussen soul, rock ‘n’ roll én avant-garde. Een koning die met zijn eigen ego vrijde.

Net als Warhol wist Bowie een brug te slaan tussen de massa en de subculturen. Op zowel de muziekafdeling van de Bijenkorf als op de kunstacademies heeft men al die jaren altijd vol bewondering over hem gesproken. John Jansen van Galen tekent eind jaren 70 op uit de mond van ene Guus Boers (‘van de voormalige punkgroep Flying Spiderz kortweg en de zanger Phoney and the Hardcore’): ‘Bowie bevrijdde het individu.’ Zijn act als Ziggy Stardust of The Thin White Duke plaatste Bowie in het centrum als een egomane narcist, door Henk van der Meijden van De Telegraaf na een optreden in Ahoy’ destijds liederlijk omschreven als: ‘David Bowie: monster of clown?’ waarna bands uit de punkgolf hard riepen dat ze de kitsch en de decadentie het minst nodig hadden.

(Maar uitgerekend de punk werd een beweging waarbij de uiterlijkheden, mede in gang gezet door het oranje haar van Ziggy, zo in het publieke geheugen werden gegrift. Een oma uit een buitenwijk van een provinciestad kon geen liedje van The Strangles, The Damned of Sex Pistols meefluiten, maar ze kon een punker blind omschrijven: die had een hanenkam, een lederen jack met opruiende opdrukken en veiligheidsspelden door het oor. Jansen van Galen: ‘Er kwamen verzilverde veiligheidsspelden aan hangertjes en in elke trendy boetiek hingen alras ‘originele’ punkkleren te koop.’)

Ik maakte kennis met Bowie toen ik een jaar of twaalf was, eind jaren tachtig. Daarvoor kende ik hem vooral van de unheimische clip van Ashes to Ashes die ik, al meekijkend met mijn oudere zus, ooit had gezien in een popprogramma op televisie.

Op zondagavond, uren nadat ik het bed van mijn suburbane slaapkamer had opgezocht, luisterde ik stiekem op mijn radio naar een programma – ik gok iets van de bevoogdende KRO – waar ‘Heroes’ van Bowie werd gedraaid. Het blikkige geluid van bewerkte gitaren, de wat lijzige en arrogante stem van Bowie die stelde dat hij een koning zou zijn en als een dolfijn zou zwemmen met zijn geliefde, helden voor niet langer dan een dag. Ik ga er vanuit dat ik de tekst op die leeftijd niet geheel doorgrondde, maar er ging een opwinding van uit die me aanzette tot het houden van een spreekbeurt op school over David Bowie.

In de Openbare Bibliotheek in Huissen haalde ik behalve OOR’s Eerste Popencyclopedie ook een ander boek, alleen maar over Bowie. Een foto van hem als pantomime-artiest. Een citaat dat hij als tiener eens een jongen naar zijn kamer nam en hem vol op de mond zoende. Toen Bowie niet veel later op zou treden in Nijmegen, niet ver van mijn geboortedorp Huissen, dacht ik dat het een complot was van boven. De man waar ik als tiener een fascinatie voor ontwikkelde, zou neerdalen op mijn territorium.

Op de middelbare school ging de fascinatie voor Bowie gestaag verder. Ik ontdekte dat vrijwel alle muziek (The Cure, Suede) die ik goed vond op een of andere wijze een lijntje scheen te hebben met Bowie. Eigenlijk zijn al mijn favoriete albums van Bowie uitgerekend de albums waar het organische geluid van akoestische gitaren is verbannen. De proto-industrial van Low en Scary Monsters, het anonieme metaal van Station to Station, de hese cokesoul van Young Americans, het volvette Let’s Dance (volgens de onderbuiken van critici het minst geliefde album, maar ik vind het geweldig) maar ook in latere albums als Heathen (2002) en The Next Day (2014): steeds voel ik bewondering voor de rare blend van tekstuele cut-ups, geleende geluiden gesmeed tot originele melodieën en een frisse productie die tot de typische Bowie-sound leidt.

In 2004 hád ik Bowie kunnen zien in de ArenA Boulevard, godbetert op het terrein waar een verwaaide Febo, een kantoor van de Deutsche Bank, een elektronicagrootgrutter en een meubelboulevard het decor vormen. Ik had twee kaartjes, maar ook een verbroken relatie met een meisje dat later naar Berlijn vertrok om er kunstfotografe te worden. Melodramatisch bood ik haar de kaartjes aan, met de mededeling: ‘Ga jij alsjeblieft en maak er een mooie avond van.’ Ze had ze verkocht. Ik denk dat het mijn bewondering voor Bowie alleen maar heeft aangewakkerd. Een vriend die er wel was geweest, stelde nuchter: ‘Delen van het stadion waren afgedekt met zwarte doeken omdat het niet was uitverkocht.’

Als Bowie nu terug zou keren, zou hij vijf keer de ArenA uitverkopen. Het is het wrange lot van de onvermijdelijke gevallen en opnieuw herrezen ster. Hij is de enige die nu nog mythisch kan blijven. Mijn oudste dochter, aan wie ik het nieuws vanochtend op de fiets naar school vertelde (waarom weet ik niet, behalve dan dat ze wel eens met volledige verbijstering naar de clip van 'Starman' had gekeken op YouTube): ‘Maar zijn muziek is nog niet dood.’

Daar zei ze als achtjarige in een zin vermoedelijk wat nu heel veel mensen (waaronder ik) zullen vertellen dit jaar. Iedereen zijn eigen Bowie. En ik ben heel eerlijk als ik zeg dat ik meer sympathie voel voor de kapster uit Oostvoorne die Let's Dance meefluit met Radio Veronica, dan de goedesmaakpolizei die zich zal verdringen om de Ware Bowie op te eisen.

(Het knipsel dat ik gebruikte als illustratie bij dit artikel is afkomstig uit de Telegraaf van 26 juni '89 en gaat over Tin Machine)

 

Henry! in het echt

30 december 2015 | Reacties 0

Het zal u als wellicht niet ontgaan zijn; de voorbereidingen voor de lancering van mijn nieuwe roman Henry! zijn in volle gang. Vandaag kwam de tijdschriftdummy van de persen rollen (binnenkort als gratis promomateriaal verkrijgbaar bij uw boekhandel); op 19 februari vindt de bonte presentatie plaats in Amsterdam. Houd dus de website van Henry! in de gaten voor updates (en bekijkt u ook gerust de trailer daar).

Hyperrelativeren

24 november 2015 | Reacties 0

Na de aanslagen in Parijs op 13 november en vanwege de huidige spanning in Brussel merk ik dat in mijn virtuele kennissenkring (lees: Facebook en Twitter) een tweedeling ontstaat. Nee, geen polarisatie in de sfeer van PVV-sympathisanten versus moslimfundamentalisten, maar een tweedeling tussen angstige of wantrouwende mensen en ‘hyperrelativeerders’. De laatste groep is soms nodig, maar klinkt de laatste tijd wel ergerlijk luid (de kans is overigens groot dat ik af en toe ook tot die groep behoor).

Het zijn de mensen die, als je net je grote teen tegen een scherpe rots hebt gestoten, roepen dat je nagelriem vermoedelijk niet beschadigd is en dat hun neef in ’87 een veel grotere blessure had. Mensen die bij elke file roepen dat ze een keer in India vier uur over twee meter hebben gedaan. Het zijn mensen die in allerijl uit de archieven allerlei berichten opdiepen om aan te tonen dat de RAF of een Molukse splintergroepering veel actiever was in Nederland dan IS/Daesh tot nu toe.

Absoluut, relativeren is mooi en broodnodig. Maar het wordt pathetisch als je als hoogopgeleide dertigminner (liefst met een ZZP-klusje bij een quasidiepzinnig online platform) permanent de ene na de andere infographic uit de mouw schudt om maar aan te tonen dat de doden in Parijs ‘écht heel erg zijn hoor, maar in vergelijking met…’ Het superioriteitsgevoel van deze betweters wiens wereld niet groter is dan de reeks updates van het rijtje Huffington Post, Guardian en blogs met veel te veel tekst, maakt me cynisch. Hyperrelativeren, noem ik dat. Met je wijsvingertje veel te moeilijke essays retweeten, eigenlijk uit angst omdat je het eigenlijk ook niet weet.

Bang zijn hoeft niet altijd, maar twijfel is een gezonde eigenschap. Als men op de wereld af en toe wat meer twijfelde en bedachtzamer reageerde, hadden we een hoop minder ellende. Relatief, dan.

Monsieur de Paris

15 november 2015 | Reacties 0

Er staat een mooi verhaal in een beduimeld boekje ('Comme ci, Comme ça') van Jan Brusse over de beul van Parijs, die tot ver in de 20e eeuw nog actief was. De beul had als bijnaam 'Monsieur de Paris'.

Al speelt Brusses verhaal af in de jaren 50, het geeft inzicht in de onvoorstelbare machinerie van verondersteld goed en kwaad. Over de beul: 'Een rustige, discrete, wat sombere man. Niemand weet waar hij zijn geld mee verdient. Men denkt in zijn straat dat hij rentenier is.'

Dat verhaal bracht mHamida Djandoubi in betere tijdene naar de laatste onthoofde man (vrouwen werden niet meer onthoofd door monsieur de Paris) in Frankrijk, in '77.

Dat was Hamida Djandoubi, een 28-jarige Tunesisch immigrant (en psychopaat die een vrouw eerst tot prostitutie dwong, later verkrachtte, martelde en vermoordde).

Tegenwoordig zou je zeggen: om nieuwe psychopaten te herkennen en te behandelen is het geweld bestrijden met geweld (door bijvoorbeeld onthoofding) niet de oplossing. Eerder investering in fijnmazige netwerken van (geestes-)zorg, onderwijs, wijkagenten, begeleiding van families.

Elma Drayer had misschien in haar VN-opinie (december 2014) gelijk dat jihadi's niet per se 'onze schuld' zijn en je geen mensen moet onthoofden als je even geen stage krijgt, maar het bombarderen van Raqqa na de aanslagen in Parijs van vrijdag de 13e is net zo zinloos als het onthoofden van Djandoubi destijds. En dan was Djandoubi nog wel de dader.

De psychopaten zijn er met de jaren helaas niet minder op geworden.

REVOIR PARIS

14 november 2015 | Reacties 0

I heard the news today, oh boy.

‘… kom er maar in, die of die vanuit Parijs…’

Ik weiger.

Ik weiger het geluid.

Van moraalridders, die over karma en koloniale verledens beginnen.

Van mensen die zeggen dat we nog niks weten en geen conclusies mogen trekken.

 ‘Ja, maar dit gebeurt elke dag in…’

 ‘Ja, loop maar weg.’

 ‘De geheime dienst heeft gefaald.’

‘Meer controles, grenzen dicht.’

Het geluid van kalasjnikovs.

Ik weiger het geluid.

Al zal een zwarte vlag zwaaien, al zal de Eiffeltoren wegsmelten – de zon boven Parijs kun je niet doven.

Ik omarm het geluid van het huilen van mijn kind, dat schijnveilig in haar wieg opschrikt van andere, triviale geluiden: het zoemen van de droogtrommel, mijn ijsberen door de ruimte, een lp van Benjamin Biolay met Trenet-songs.

En ik stel mijzelf gerust: de zon boven Parijs zal je niet kunnen doven.

Revoir, Paris

Recensies: Duran Duran en New Order

5 november 2015 | Reacties 0

Duran Duran – Paper Gods ****

 

 

 

 

 

New Order - Music Complete ***

 

 

 

 

 

Duran Duran volg ik vanaf mijn jeugd. Ergens rond mijn puberjaren ben ik ze kwijtgeraakt (dat hele Wedding Album met de overigens prima single Ordinary World vond ik maar zozo), maar toen ik kort na de millenniumwisseling mijzelf eens schuldig maakte aan het opnemen van muziek, besefte ik weer hoe bizar goed albums als Seven and The Ragged Tiger zijn geproduceerd.

Mijn lievelingsplaat blijft Rio, maar ook het ‘terugkomalbum’ Astronaut (met álle Taylors weer aan boord) en All You Need Is Now uit de nieuwe eeuw kunnen daar gerust aan tippen. Live zag ik ze een keer in de HMH (zo’n tien jaar geleden), en dat maakte niet bijster veel indruk. Zanger Simon LeBon haalde de noten dikwijls nét niet en gedroeg zich als een verveelde prooi voor de inmiddels niet meer zo jeugdige fans uit Dinxperlo en Lunetten, die nog even hungy like the wolf schenen.

Waarom is Duran Duran interessant als fenomeen? Behalve de zeer gepolijste, innovatieve productie (die vaak is geïnspireerd door hun muzikale helden Bowie, Chic, Japan en Roxy Music) heeft de band ook goed nagedacht over vormgeving en videoclips. Veel ‘ernstige’ muziekliefhebbers hebben Duran Duran ten onrechte versleten voor een veredelde boyband. Wat was het ding met die gillende meiden in die potsierlijke video van The Reflex? En dan die quasi-apocalyptische muziekfilm, Arena! Föhnden ze hun haren niet? Hadden ze niet van die malle schoudervullingen? En waarom moest Simon LeBon zo nodig bijna verdrinken tijdens een zeilwedstrijd – het werd allemaal weggezet als franje bij voorgeprogrammeerde tropisch aandoende maar ondertussen ijskoude feestmuziek.

Duran Duran paste hooguit bij AVRO’s TopPop, niet bij de  muziekcollectie in de VPRO-spelonken. Zelfs niet bij iemand als popjournalist Paul Morley: ‘But I hated them, in the 80s. I hated them from the point of view of a rock critic taking pop seriously, even when it was just for fun. They fancied themselves as not so much the made-up boy band they clearly were – the pretty one, the chubby one, the moody one, possibly the talented one, etc – but as Peel-listening pop conceptualists mixing the Sex Pistols with Chic.Zegt de man die zelf nota bene figureerde in een clip van ABC en verantwoordelijk was voor Moments in Love van Art of Noise. Niks mis mee, maar dat plaatst een en ander in perspectief.

En toch heeft Duran Duran altijd haar pappenheimers gekend. Ze zijn niet op de tekentafel van een platenmaatschappij ontworpen, maar hebben zelf vanaf de eerste geluidsopname nagedacht over het ‘concept’ Duran Duran. Dat daar af en toe rare uitspattingen tussen zaten, is hen vergeven.

Jaja, interessant allemaal. Kun je daar anno 2015, meer dan 30 jaar na de opzwepende clip van Girls on Film (geregisseerd door Godley & Creme) nog mee aankomen? Wel, Simon LeBon is 57. En vanaf het eerste nummer op Paper Gods constateer je dat hij nog steeds hetzelfde stemgeluid en dezelfde ambitie lijkt te hebben als, ja, 34 jaar geleden. Dat is aan de ene kant verontrustend (moet een man van bijna zestig nog steeds kwelen over dansvloeren en vampieren in limousines?), aan de andere kant bewonderenswaardig – als de kwaliteit hoog is. En dat is-ie. Ik weet niet welke audio-botox er in de studio aan toe is gevoegd, maar de hele band klinkt nog even vitaal als in de hoogtijdagen.

Paper Gods heeft ook rare momenten: de tweede track Last Night In The City is kitschtrance voor een gevallen Europese Unie (en toch heeft het wat) met gastvocalen van de 26-jarige Canadese zangeres Kiesza. What are the Chances met John Frusciante op gitaar is een draak. Single Pressure Off met Nile Rodgers en zangeres Janelle Monáe is daarentegen weer erg sterk. Het allerbeste is Change The Skyline, met een gastbijdrage van de Deense Jonas Bjerre (van de band Mew), dat zich uitspint als een Abba-achtige anthem.

Dus ja, ik ben weer (of nog steeds) fan van Duran Duran, juist anno 2015.

Dan is er een andere band met wortels in de jaren tachtig waar ik grote bewondering voor heb: New Order. Ik ben een van de weinige muziekliefhebbers, zo niet de enige, die New Order altijd beter heeft gevonden dan Joy Division. Hoewel je ze niet met elkaar mag vergelijken, ik weet het. Maar toen Ian Curtis stierf, zijn de achtergebleven leden een andere weg ingeslagen en begonnen ze te experimenteren met elektronica, met als wapenfeit een van de oer-dansnummers Blue Monday. Zo’n nummer dat velen kennen zonder dat ze doorhebben dat het van New Order is.

Het typische basgeluid van Peter Hook is regelmatig geïmiteerd door andere bands – The Cure’s In Between Days is misschien wel het beste voorbeeld. In 2001 kwam de band na een stilte in de jaren 90 (afgezien van zijprojecten) terug met Get Ready, een paar weken voor 9/11. Primal Screams Bobby Gillespie verzorgde de vocalen op het nummer Rock The Shack, waarvan het uitro al eerder was te horen op het nummer Shoot Speed, Kill Light van Primal Screams album XTRMNTR uit 2000.

Waiting for the Siren’s Call uit 2005 bevatte net als Get Ready veel meer gitaren, en Lost Sirens uit 2013 was weer opgebouwd uit archiefopnamen van de jaren ervoor; een plaat als laboratorium. Het was tevens het laatste album waar Peter Hook op mee deed. Het enige minpunt dat New Order heeft, is dat er op elk album nét iets te veel lange nummers en soms zelf overbodige nummers staan. 

En dan is er nu Music Complete. Het is niet leuk voor hem, maar Peter Hook heb ik niet gemist. Je kunt namelijk een batterij aan muzikanten optrommelen die het typische basgeluid evenaren (al is de batterij beperkt gebleven tot één man: Phil Cunningham, die 7 jaar oud was toen New Order debuteerde met Movement in 1981). Openingstrack Restless voelt direct als een warme, nieuwe jas. Het is behaaglijk en vertrouwd; toch ruikt het naar nieuw. Die lijn wordt doorgezet op de eerste helft van het album, met als hoogtepunt de verrassende (en vele Joy Division-fans tot wanhoop drijvende) italo disco van Tutti Frutti (met vocalen van La Roux).

En daarna zakt het iets in. Hoewel Academic een fantastische productie kent, blijft er na het rondje couplet-refrein-couplet-refrein niet veel over; het nummer duurt ruim twee minuten te lang.

Nothing But A Fool heeft een groots Bunnymen-achtig geluid en is weer goed, Unlearn this hated heeft een typische groove die aan het begin nog wat geforceerd overkomt, maar de grootste teleurstellingen zitten aan het slot van dit album. The Game is los zand, een reeks patterns met goedkope geluidseffecten over een middelmatig postpunkgeluid. De grootste sof blijkt echter het duet Superheated met Brandon Flowers (zanger van The Killers). Oh lala, dat is bijna relikitsch uit een Casio-keyboard.

New Order was zo slim om het album op YouTube te plaatsen.

 

Deze tijd vraagt om meer melancholieke mannen

2 november 2015 | Reacties 0

Ik heb drie dochters. Die zin kan ik sinds een half jaartje schrijven, toen de derde zich aandiende. Hoewel ik vaders met enkel dochters van oudsher stelselmatig associeerde met een knorrige man in spencer in zijn luie stoel die amper boven het gekakel uitkomt (ach, mijn opa aan moeders zijde had vijf dochters, dat zal meewerken), zou ik nu niet anders meer willen.

Nog afgezien van het feit dat het hebben van drie dochters geweldig is, valt het niet mee om in deze barre tijden een kleine jongen te zijn. Of misschien was het wel nooit makkelijk, dat zou kunnen.

Visualiseer een meisje van een jaar of zeven in een gemiddeld winkelcentrum in een doorsnee middelgrote Nederlandse stad. Daar staat ze, in het midden. Onder de tl-verlichting. Tussen de sierbeplanting en het speeltoestel met gleuf voor de munt. In de geur van rookworsten en warm brood. Hebt u dat beeld? Inclusief de winkelende mensen om haar heen?

Als ze timide is, is ze een dromerig of een kat-uit-de-boom-kijkend meisje. Als ze veel met roze plastic speelt, is ze een meisje-meisje. Als ze in bomen klimt en graag voetbalt, is ze een stoer meisje. Als ze veel leest en schrijft is ze een ijverig meisje. Als ze veel met jongens speelt is ze een jongensmeisje. Afijn, bedenk al uw varianten maar. Het passerend winkelend publiek haalt de schouders op.

Maar als daar een jongen staat en wat timide is, is het voor veel passanten een vreemde snuiter. Als hij met roze plastic speelt, kijken we lachend om. Als hij niet graag in bomen klimt en geen zier om voetbal geeft, is er iets mis met hem.

Ik zie het elke dag op het schoolplein van mijn dochters: een jongen heeft een minder groot palet aan mogelijkheden dan meisjes. Vreemd genoeg vooral dánkzij andere jongens. Soms zijn die andere jongens dichterbij dan we zouden denken.

Ik herinner me de vader die op een ochtend de crèche binnen kwam wandelen. Zijn zoontje was die dag de enige jongen – mij was het niet eens opgevallen. ‘Zo, als ik je vanavond ophaal, ben je hopelijk geen prinses geworden?’

Brullende hooligans, lallende corpsballen, masculien sloopgraag uitgaanspubliek rond de dorpspomp, de diknekken die inspraakavonden verstoren: ik voel de diepgewortelde weerzin van decennia terug die ik als smalltown boy ook had. Maar niet alleen bij de opzichtige brulapen, misschien nog wel meer bij de sluimerende boys don’t cry-milities van de gewone man. In het spreekwoordelijk winkelcentrum, waar de makkelijke oneliner het van de chansons wint. Waar de eindstand in de rust de geest verpulvert. 

Als we van jongs af aan iets meer melancholie (niet teveel, dan wordt het een tranendal) zouden toelaten in het mannelijke universum, zouden vrouwen wellicht ook wat minder te klagen hebben.

Niet alleen vrouwen, trouwens. 

 

De fictie van de dood

9 september 2015 | Reacties 0

Foto: Bert NienhuisWie zich de afgelopen jaren in literaire kringen begaf, kwam Joost Zwagerman op een of ander moment wel ergens tegen. Zijn grootste gave volgens critici was misschien wel het observeren en analyseren van het werk van derden. Misschien omdat hij dan minder van zichzelf hoefde te laten zien. Zijn zelfverkozen dood van 8 september jl. was het laatste en ultiem wrange werk dat hij zelf afleverde.

Zwagerman kon ongemeen flirten. Ik bedoel daarmee niet het amoureuze flirten met dames – daar heb ik geen idee van – maar flirten met de zelfkant, met grote kunst en artiesten. Prince, Truman Capote, Andy Warhol, Madonna: in de jaren 90 waren het zijn stokpaardjes in essays over de populaire cultuur. Flirten met het kunstenaarsbestaan in zijn roman Gimmick!, met de stemmige teksten van The Cure in een artikel voor literair poptijdschrift Payola en met de grenzen van de fictie in Chaos en Rumoer. En ja, ook flirten met de zelfverkozen dood in zijn essays en zijn roman Zes Sterren.

Ik was 19 en had als bleekneus een verhaal voor tijdschrift Zoetermeer geschreven. Chaos en Rumoer was net uit, en ik mocht Joost Zwagerman dankzij mijn neef interviewen in een zaaltje van de universiteit in Wageningen. Van het gesprek herinner ik me verder niets, behalve mijn te ruim vallende colbert, de droge mond en de zweetparels op mijn voorhoofd.

Een paar jaar later (inmiddels had ik een roman gepubliceerd) werd ik op initiatief van een of andere stichting meegevoerd tijdens enkele literaire middagen, bijgestaan door andere jeugdige schrijvende collega’s en vaderfiguren (of ooms, zo je wilt) Zwagerman en Giphart. Giphart was de rustigste van de twee, Zwagerman kwam te laat binnen en wist niet helemaal wat we nou eigenlijk moesten doen. Van de literaire middagen herinner ik me verder niets, behalve mijn lederen jack, de ringen om mijn vingers en de stuurse blik in mijn ogen.

We kwamen elkaar weer tegen in het virtuele, op Facebook. Ik schrik nu van de hoeveelheid privéberichten die hij stuurde (en ik), en ik schrik ook van de tijdstippen. Het gaat over Daft Punk, Depeche Mode, David Bowie, Bret Easton Ellis, over collega’s die dingen riepen – over Anil Ramdas (van vóór zijn zelfmoord). “Vreemd, Joost,” schrijf ik ergens. "Bij ons laatste bericht over hem leefde Anil Ramdas nog." Dat hield hem bezig, hij kon de berichten niet meer zien vanwege zijn instellingen. "Ik ben jaloers op je," schrijf ik terug.

Toen ik net keek, trof ik immers zelfs een idee voor een tv-format over popmuziek.  

Ik ging in 2010 naar een interview met Bret Easton Ellis in het John Adams instituut. Pieter Steinz deed het interview en ik vond hem niet sterk als interviewer, en dat liet ik weten op Facebook. Direct zat Zwagerman er bovenop en brak een lans voor Steinz.

Zwagerman moet dit type conversatie met meerdere vakbroeders hebben gehad, zoals ik ze ook met andere mensen heb; ik behoorde niet tot zijn intieme kringen. Ik noemde hem soms ‘De Zwaagzaag’ als hij weer eens de politieke angel ergens uit probeerde te filosoferen. Of hij viel in paniek collega’s af omdat er enige discussie ontstond. Onlangs had hij weer een rant tegen de eindredactie van VPRO’s Zomergasten vanwege de vertoning Submission en zijn kwetsbare rol als Zomergasten-presentator. De lengte, de omvang, de tijdstippen van de berichten: ik vond het onprettig worden. Het kreeg ook iets ongrijpbaars toen hij als een ongeleid projectiel Facebook op en af ging en berichten postte, soms juist zakelijk maar soms weer hartstochtelijk persoonlijk. Het is de vloek van dat virtuele archief, alles wordt onthouden.

Zo ook berichten van de mensen die zich op de borst kloppen en het recht op de rouw opeisen en anderen wegzetten als ‘dodenprovocateurs’. Al na een uur werd Frans Timmermans weggehoond omdat hij een gedicht van Zwagerman deelde op Facebook. Als je wint, heb je Facebookvrienden.

Ik zal Joost Zwagerman onthouden als een beschouwer van de populaire cultuur. Zelfmoord en verval zijn terugkerende verschijnselen die bijdragen aan de mythologisering van de artiest. Zijn dood is als fictie; het bestaat, maar hoeft nog niet altijd waar te zijn. Voor de almanakken en overzichten stijgt hij ongetwijfeld in een rangorde vanwege deze dood, maar voor zijn privékringen is dit een onvergeeflijke bijwerking.

Ik denk aan zijn geliefden en zijn drie kinderen.  

De foto (1993, Bert Nienhuis) trof ik aan in de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam.

Beschaving mag wat kosten

31 augustus 2015 | Reacties 0

Het verrast mij inmiddels niet meer dat we in dit land discussies over opvang van vluchtelingen uit de brandhaarden moeten voeren.

Mijn primaire reactie als iemand in de vijver dondert, is die persoon proberen te redden - niet eerst de oorzaak zoeken waar en hoe de persoon te water is gelaten. Ongeduldig op de kant wachten op de hulpdiensten en ondertussen uitrekenen wat die hulpdiensten mij en mijn buren kosten om die persoon te redden; het zou niet in mij opkomen.

Wordt uw uitzicht belemmerd door gestapelde schaftketen waar een horde vreemdelingen in moet wonen, is dat uw bezwaar? Of is het u werkelijk om de poen te doen? Omdat huisvesting van vluchtelingen geld kost, omdat uw werkgelegenheid in de toekomst in het geding zou raken? Ja?

Ik geef toe, in een welvaart geven we genoeg uit aan krankzinnige zaken.

Anderhalf miljard euro zetten we in een jaar in Nederland en België om in attractieparken, dierentuinen en andere spots die ons vermaken (volgens branchevereniging International Association of Amusement Parks and Attractions). Dat zijn plekken die we voor de lol bezoeken, omdat we even niks beters te doen hebben.

We geven in Nederland in totaal zo'n 15,5 miljard euro uit aan vakanties in binnen- en buitenland.

Metro, het moederbedrijf van hifi-giganten als Mediamarkt en Saturn waar u uw Nespresso-snobisme en breedbeeld-tv's met bonkende games vandaan plukt, heeft in het eerste kwartaal van dit jaar 440 miljoen winst behaald, een stijging van 1,2 procent ten opzichte van vorig jaar. Goed, dat is de ganse Noord-Europese markt, maar hé. Het gaat echt heel slecht hier, we kúnnen ons geluk echt niet delen met mensen die vluchten voor terreur.

Ongeveer 65 miljoen euro aan vuurwerk wordt door ons in één week de lucht ingeknald. Iets minder dan dat bedrag trokken we uit voor de renovatie van een koninklijk paleis. Van één familie. Dat voordeel heb je omdat je nu eenmaal in die familie geboren bent.

Nu worden talloze vluchtelingen heengezonden, stelselmatig de deur gewezen of vermoeiende procedures ingevloekt. Kost ons geld, stupid. Dat nadeel heb je omdat je nu eenmaal in die familie in Syrië, Libië of Eritrea geboren bent.

Geeft u werkelijk de voorkeur aan breedbeeldtv's, vuurpijlen, all-inclusive vakanties, een achtbaan en een paleis waar u zelf nooit zult wonen in plaats van behoeftige planeetgenoten een warm welkom te bieden? Of is het 'het principe'? Zolang we ons nog genoeg vermaken en geld uitgeven aan bollocks, vind ik dat we principes best kunnen laten varen.

(Als u zich ook in wanhoop afvraagt óf u iets kunt doen, behalve uzelf pijnigen? Ja, dat kan. Word vrijwilliger bij en/of donateur van vluchtelingenwerk.)

Nieuwe roman voorjaar 2016

27 augustus 2015 | Reacties 0

Het rommelt al lange tijd bij Sanoma, bij Het Parool vallen ontslagen - waar gaat het in deze bange tijden eigenlijk nog goed op de (dag)bladenmarkt? Wel, in mijn nieuwe roman die voorjaar 2016 bij Nieuw Amsterdam verschijnt en waarvan ik de titel binnenkort onthul.

Een kloeke roman over de glory days van een hoofdredacteur en later uitgever, vanaf de jaren vijftig tot de jaren tachtig. Het Bureau ontmoet Mad Men, klein leed in desolate kantoorflats versus de grotestadsromantiek. Een ode aan de droom én nachtmerrie van de bladenindustrie.

En ik heb nog een spannende verrassing voor boekhandels (én lezers) in petto voorafgaand aan het verschijnen. Wordt vervolgd!

Archief

2016

januari

2015

december november september augustus juni mei maart februari januari

2014

december november oktober september augustus juli juni mei april maart februari