Thomas van Aalten

Yezidi trending maken is 1, hen verwelkomen is 2

13 augustus 2014 | Reacties 0

Ik keek vanochtend op Twitter en zag dat er verwoede pogingen zijn gemaakt om #stopYezidiGenocide trending te maken. Niet in het minst vanwege een oproep gisteren bij Knevel en van den Brink door een dame. Ik kijk al lang geen talkshows meer; omdat er doorgaans veel nadruk ligt op show en weinig talk, maar kon het goed volgen op de sociale media. Ook iets met Mark Tuitert. Dat laatste is in de meest positieve benadering aandoenlijk, in de realistische benadering een gotspe.

Maar dan het lot van de Yezidi, dat ook ik mij zeer aantrek. Het banale van het kwaad is dat IS(IS) haar media-pr ook vrij goed op orde heeft. Heel de wereld kent ze. Het tragische is echter ook dat het geen Hollywoodfilm is waarbij IS(IS) bombarderen helpt.

In 2009 vroeg een Armeens gezin asiel aan in Nederland, omdat zij in Armenië onderdrukt waren omdat zij Yezidi waren. In veel staten worden Yezidi bedreigd. Maar het IND heeft ze destijds doodleuk op straat gezet. 

In 2001 kwam een andere familie, Zangoyan, naar Nederland. Ze wachtten sinds 2004 op een verblijfsvergunning. Vader en moeder Zangoyan mochten in Nederland niet werken, en ook een taalcursus volgen was verboden. Armenië. Ligt niet ver van het noorden van Irak, trouwens. Ik weet niet hoe het met de familie nu is. De laatste berichten stammen uit 2012, toen de familie hoop kreeg omdat het 'gedoogkabinet' Rutte I, met Wilders in de nek van minister Leers, viel.

Yezidi trending maken en hen dáár in de regio steunen is een eerste stap, absoluut. Maar als vrij en beschaafd West-Europees land moet je ook de intentie hebben om onderdrukten ook hier te helpen. Dat onderscheidt de beschaving van de barbarij.

En niet alleen Yezidi.

In Italië (Lampedusa) komen dagelijks vluchtelingen per boot aan, de laatste tijd vaak op de vlucht voor geweld in Syrië. Nederland neemt er 250 op. 'Meer dan 250 Syrische vluchtelingen is onmogelijk,' stelt Teeven.

Het is ontroerend dat CDA-Kamerleden zich nu kwaad maken over Yezidi. Die mogen nog even met het schaamrood op de kaken de dossiers uit het verleden bekijken. Treurig dat we een grens trekken bij genocide.

We kunnen iets trending maken én wij kunnen de deur open zetten voor vluchtelingen van elke rang en stand. Wie dan nog 'als we zo gaan beginnen' roept, moet even nadenken.

In een hashtag kun je niet wonen.

Een winkelcentrum in Hoofddorp als metafoor voor vrijheid

11 augustus 2014 | Reacties 0

Vanochtend was ik met mijn dochters naar de tandarts geweest. De praktijk zit in Hoofddorp vlakbij een winkelcentrum dat daar zo’n dertig jaar geleden neergezet zal zijn. De rolluiken van veel middenstanders waren naar beneden, misschien door de crisis of door de zomer, dat weet ik niet. De aanbieding van de week bij het plaatselijk ‘petit restaurant’ was iets met saté en McCain friet en rauwkostsalade voor een kleine prijs. Met weemoed dacht ik aan de vele plats du jour die ik de weken ervoor op krijtborden voor de deuren van restaurantjes in uitgestorven dorpen vermeld zag. In het buitenland is een crisis of zomerstop toch vaak pittoresker. Maar het suburbane Nederland is minstens zo geruststellend, gewoon in een decor van een leeg en kleinschalig winkelcentrum uit de jaren tachtig. IS(IS) is ver weg, net als Russische separatisten en Syrische bombardementen en ander gruwelijks.

In Het Beste uit LIFE, een exemplaar uit ’74 dat ik laatst in een kringloopwinkel aanschafte, staan foto’s uit het magazine LIFE ingedeeld in categorieën als ‘De soldaten’, ‘De strijd van de negers’ en ‘De Leiders’. We zien neergeschoten Kennedy’s, afgeslachte Birmezen en Koreanen, een afgehakt en uitgebrand hoofd van een Japanner op een tank. Ik blader graag door dit soort almanakken, net als ‘Het aanzien van…’. Ik kan het iedereen aanraden. Steeds weer word je geconfronteerd met soms bekende, maar soms vergeten situaties. Wie zal zich herinneren dat de Sovjet-Unie in 1983 een passagiersvliegtuig uit de lucht schoot, omdat men veronderstelde met een Amerikaans gevechtsvliegtuig van doen te hebben? Dictators die van zich laten horen met bloederige, gruwelijke en mensonterende gevechten. Vliegtuigkapingen, bomaanslagen en beschietingen van Palestijnen. Een burgeroorlog in Jordanië op 17 september ’70. En dan voor de afwisseling een onschuldig ogende grootschalige parade ter ere van het 25-jarig bestaan van Israël op 7 mei ’73, met een troep vrouwelijke soldaten, hoewel premier Golda Meir het later zwaar te verduren kreeg vanwege het falen van Israël in de Oktoberoorlog van ’73.

Ik kijk er niet van op, maar ik krijg wel rillingen als ik erbij nadenk dat de huidige spelers in om het even welke bloederige strijd ter wereld toen misschien nog niet eens geboren waren. En ik heb niet de illusie dat de situatie dan over veertig jaar – wanneer we in Nederland weer nieuwe winkelcentra in andere nieuwbouwwijken hebben – heel anders zal zijn. Hoewel we in Nederland wel iets kunnen doen.

Het zal ten eerste helpen als wij niet met angst en haat onze kinderen hier in Nederland laten opgroeien over 'de ander'. het schrikbeeld dat de buurman links een Zionist is en de buurvrouw rechts een kalifaat wil, zeg maar.

Ik zag foto’s van demonstraties in de Haagse Schilderswijk en dacht bij de aanblik van opgeschoren blonde knullen die manmoedig de vuist in de lucht staken en met vlaggen wapperden: hoe voeden zij nu en straks hun kinderen op?

Als hier politici worden bedreigd maar aan de andere kant van de wereld mensen levend worden begraven, kinderen worden gedood in naam van welke God dan ook – dan rest ons geen andere passende reactie dan in elk geval te blijven pleiten voor een open Nederland, waar mensen hier tenminste wél in vrijheid kunnen leven. Elke onderdrukt mens op de vlucht moet hier in Europa recht krijgen op voedsel en onderdak. Maar ik vraag me af hoe die hoogblonde met zijn geschoren hoofd daar precies over denkt. Het is vrij makkelijk om een spandoek te dragen met ‘Geen Jihad in de straat’, maar de deur openzetten voor iemand op de vlucht voor IS(IS), hoe makkelijk doen we dat?

Ik reed terug richting de A4, passeerde gebouwen van Asics, Sanoma, L’Oreal en andere anonieme, halflege torens met spiegelende ramen – hoeveel oorlogsvluchtelingen kunnen we daar in huisvesten, daar mijmerde ik over – en dacht aan de vragen die mijn oudste dochter vaak stelt over het bestaan van een god. Ik zeg dan dat ik er niet in geloof, maar dat een ander zich zo vrij moet kunnen voelen om er wel in te geloven. Zolang mij niets verweten word dat ik zelf niet geloof. Een beetje zoals liberale gelovigen over homo’s praten, zeg maar.

Ik hoop dat onze kinderen en kleinkinderen nog vaak op landerige maandagochtenden door halflege winkelcentra kunnen slenteren.

 

Ode aan de andere mens: recensie Pandaogen van Joost van Bellen

4 augustus 2014 | Reacties 2

Aan het slot van de Zomergasten-uitzending met Saskia Noort vertelde de schrijfster over een van de eerste herinneringen die ze had van televisiebeelden die de ouderlijke huiskamer bereikten: een jonge – en behoorlijk gedrogeerde – Mick Jagger leest een gedicht voor van Shelley, kort na het overlijden van Rolling Stones-gitarist Brian Jones. Daarna zet de band in, en Jagger danst en springt bezeten rond in een wit gewaad. De jonge Noort was in de war: een jongen met meisjeshaar, gekleed in een witte jurk?

Zo’n zelfde ervaring had ik vermoedelijk tien (of meer) jaar later, toen ik de drag zangeres Divine zag bij Toppop (het zou een herhaling geweest kunnen zijn). Ik was volledig in de war, en was hopeloos geobsedeerd door dat wezen, die entiteit, een soort levend kunstwerk. Ik ben van ’78 en heb een oudere broer en zus, dus mijn ijkpunt voor popmuziek ligt mogelijk meer in de jaren tachtig dan bij andere leeftijdgenoten. Laatst zag ik nog vakantiefoto’s van toen ik hooguit dertien jaar moest zijn; een braaf jongetje met blond bloempotkapsel en een t-shirt met het hoofd van Robert Smith van The Cure erop. Een zanger die zich anno nu nog altijd tooit met lippenstift en net als The Rolling Stones kennelijk nog voor opwinding kan zorgen op een popfestival als Pinkpop, dat als verschijningsvorm steeds vaker op een museum lijkt.

David Bowie, misschien wel de aartsvader van de ambigue pop vol maskerade, make-up en rollenspelen in de populaire cultuur, bracht vorig jaar vanuit het niets een nieuw album uit, The Next Day. Hij treedt misschien niet meer op, maar voor de sensatie maakt dat inmiddels niet meer uit. Misschien leeft hij zelfs niet eens meer, voor het concept Bowie maakt dat niets uit. Ik las in een modeblad – Vogue? – een interview met een jong model met asblond haar. Ze was amper 20, maar haar stijlicoon was David Bowie.

De popmuziek – inclusief alle uitingen met kleding, videoclips, vormgeving van hoezen - was in de hoogtijdagen het vehikel om te verlichten, te inspireren en tot waanzin te drijven, maar in elk geval een poging om ons mee te nemen in een verhaal. Not sure if you’re a boy or a girl. Je ziet het ook in de opkomst van de disco- en latere dancecultuur; of het nu in Aken, Rimini of New York was. Het ging wederom om de transformatie van het gewone naar het bijzondere, van dag naar nacht en weer terug - zowel in de underground en mainstream. Is daar nu überhaupt nog verschil tussen? Een track op YouTube kan morgen viral zijn en miljoenen keren beluisterd. Misschien zie je de naweeën nog terug bij Lady Gaga of Daft Punk, maar popcultuur is gaandeweg steeds normaler geworden, en al helemaal de dancescene. Het is business. Dj Armin van Buuren draait voor de koning en maakt spotjes voor Menthos. Hardwell heeft een eigen auto-lijn. Maar ook buiten de dance; een keurige jongen gaat bij Giel Beelens televisieshow met zijn gitaar op de rug op een godvergeten bootcamp

De enige branche die nog doet of morgen de wereld er heel anders uit kan zien, is de modebranche, althans – die van Joost van Bellen in zijn roman ‘Pandaogen’. In zijn debuutroman is die wereld niet ten prooi gevallen aan de omhelzing van opzichtige voetbalvrouwen, leden van het Koningshuis en roddelrubrieken vol schijn-bn’ers, maar is die nog in handen van de – jawel, de extravaganza, maar van het morbide soort. In dat opzicht is ‘Pandaogen’ als cultuurhistorisch verschijnsel vrij uniek in de Nederlandse letteren. Herman Kochs nieuwe roman Geachte heer M put uit veel veiliger (en een beetje afgezaagd) materiaal, maar werd door elk zichzelf ernstig nemend literair recensent besproken. ‘Pandaogen’ zegt misschien veel meer over onze – moderne – cultuur. Alleen daarom al raar dat het niet wat meer is opgepikt. Is het alleen omdat Van Bellen een dj is?

In 'Pandaogen' draait het om Eva Akkerman, een model levend beyond the land of make believe, die gewend is te poseren in bittere koude op een dieet van de apotheek en de minibar. Zij leeft niet, zij ondergaat; haar smartphone is soms haar enige touwladder naar het ‘echte’ leven omdat haar gezichtsloze agent Kik haar stuurt en haar agenda bepaalt. Soms krijgt zij macabere boodschappen van een niet-bestaand telefoonnummer, of ontvangt cryptische cadeaus in haar hotelkamer die refereren aan haar verleden. Van Bellen lijkt beïnvloed door Bret Easton Ellis’ roman Glamorama, maar slaat niet door; Van Bellen heeft eigenlijk vrij veel genade voor zijn personages en maakt Akkerman juist geen ‘kut met een kassa’, maar geeft een inkijkje in de denk- en leefwijze van iemand die op de catwalk de ster is, maar in het winkelcentrum in Zoetermeer de outcast zou zijn. Precies zoals popsterren als Divine, Klaus Nomi of Marilyn Manson dat zouden zijn. In Pandaogen krijg je niet de boerenlul die zingt over zijn schoenen; je krijgt duistere disco.  

Ooit werd Eva geboren als een jongen. Toch wordt dit verder geen uitvergroot drama; het is wat het is, zoals bij het model Valentijn (ooit geboren in een ander lichaam; over wie ooit daadwerkelijk een documentaire is gemaakt) die tweemaal genoemd wordt. Het grotere drama schuilt ergens anders in; niet zozeer dat Eva ooit Evert was, maar dat Eva zich eigenlijk alleen maar geaccepteerd en bewonderd waant voor de lens van gewillige fotografen of op de catwalk voor krankzinnige ontwerpers zoals de krankzinnige Terrenz Terrenz, die zo uit een David Lynch-film gestapt had kunnen zijn. Uiteraard heeft die zucht naar erkenning en de angst voor de anonieme boodschappen op haar telefoon te maken met een trauma, waar ik de details niet van zal verklappen. Eva Akkerman en haar kompanen – geen modellen, maar een dj en een soort vrouwelijke Iggy Pop – vormen een karavaan die niet zou misstaan in een clip uit de jaren tachtig. Proostend met zwarte champagne, in een decor van dan weer Ibiza, dan weer Miami, dan weer Londen.

Ja, Pandaogen is als debuutroman geslaagd, maar er zijn ook wat kanttekeningen. Het boek heeft in stilistisch opzicht wat opstartproblemen; de eerste paar pagina’s bevatten al zo’n concentraat aan metaforen, dat ik huiverde voor de rest van het boek. Maar dat trekt Van Bellen later juist helemaal strak. De hoofdstukindeling is soms ook wat gratuit; korte hoofdstukken zijn gewijd aan de andere personages dan Eva, maar dat is overbodig. We ontdekken gaandeweg wel wie dj John van Catwijk, rockzangeres Carmen en travestiet Loes/Lukas Veen (Lucy Vegas) zijn, die hebben geen eigen hoofdstukken nodig. Ook is de rol van collega-model Alaska mij wat troebel en is de artiest Karlsen (die alleen even aan het begin en aan het slot verschijnt) mij te veel de theatrale rockgek die weggelopen lijkt uit de tv-serie Californication.

Toen ik in een ver verleden als muziekredacteur werkte bij VPRO’s 3VOOR12, las ik gretig de stukken van Van Bellens ‘dagboek’ dat hij bijhield vanaf menig muziekconferentie. Van Bellen is niet van het kleine leed, maar van het grote drama. Ik meen dat Pandaogen een zware bevalling was; ik hoop vooral dat Van Bellen zich niet heeft laten afschrikken en ook nadenkt over een omvangrijk literair oeuvre. Wat mij betreft is hij geen schrijvende dj, maar een artistieke dj én schrijver.

En ik schreef dit alles zonder de woorden 'acid' en 'RoXY' (de befaamde hoofdstedelijke club waar Van Bellen ooit veel draaide, en die later in vlammen zou opgaan) te laten vallen.

 

'Der Kalte Krieg hat nur Pause gemacht'

20 juli 2014 | Reacties 0

Ik wilde een scherp polemisch stuk schrijven, maar ontdekte al snel dat het mij niet lukte.

Een van de eerste dingen die ik op Facebook riep na de crash van MH17 was dat we kennelijk nabijheid nodig hebben bij een aanslag om erdoor geraakt te worden; moesten slachtoffers van andere aanslagen soms een juichpak aan voor het ons raakt, schreef ik. Niet alleen een open deur (hoe ‘kennelijk’ is die nabijheid nu overigens), maar ook onnodig kwetsend en ijskoud, vooral toen de eerste ‘via via’-kennissen onder de slachtoffers zich in de tijdlijn openbaarden.

Ja, natuurlijk komt het dan dichtbij. 193 Nederlanders in het vliegtuig kenden gemiddeld per persoon 50 mensen (van familie tot aanhang tot de buurman aan toe), en die kennen weer 50 mensen, en zo kent iedereen in Nederland minstens wel iemand die weer iemand kent die bij de ramp is betrokken.

Ergens op een veld in een spookachtig niemandsland, hier duizenden kilometers vandaan, liggen nu vrienden, collega's, familieleden, buurmannen, kinderen en al hun spullen, of delen ervan. Van Nederlanders, maar ook Maleisiërs, Belgen, Australiërs, Duitsers, Britten, Indonesiërs, Filipijnen, enzovoort. Omdat het zo’n non-descript gebied is, lijkt het lot in handen van beesten en waanzinnigen. Of je je een Rus of een Oekraïner voelt, je bent een universeel slecht mens als je na zo’n aanslag niet met gezond verstand en empathie handelt.

Ik ben zo vreselijk bang dat deze aanslag over een jaar een commissie oplevert, een parlementaire enquête over zeven jaar, een rapport – en excuses van de een aan de ander over 50 jaar. Maar nog veel banger ben ik voor Poetin.

Commando’s sturen, een gewapend konvooi, je hoort er van alles over wat ‘we’ zouden moeten doen. Eensgezind hadden nu in heel Europa alle alarmbellen moeten klinken. Als een politieagent in een grensdorp tussen Nederland en Duitsland twintig mensen per ongeluk zou doden, zou niemand elkaar de schuld geven; men zou zich in eerste instantie ontfermen over die twintig mensen en daarna een klopjacht beginnen op de politieagent. Als het een Duitse agent bleek te zijn, zou de Duitse burgemeester net zo opgelucht zijn dat hij gepakt was.

Poetin niet. Poetin trachtte zijn eigen straatje schoon te vegen en dat maakt hem een universeel slecht mens. 

Nederlanders begrijpen weinig van zo’n slechte infrastructuur rondom het rampgebied, van de monsterachtige situatie waar een rebel met een wapen zwaait om experts op afstand te houden en waar mensen door persoonlijke spullen van overledenen neuzen. Maar laat dit dan in vredesnaam een waarschuwing zijn.

Mijn primaire reactie is dat premier Rutte na dit debacle de deur dicht moet smijten bij Poetin. Je zoekt het maar uit. Met je separatisten. Der Spiegel schreef het mooi gisteren: ‘Der Kalte Krieg hat nur Pause gemacht.’ Het is nu geen kwestie van de rug recht houden, maar in eerste een rug maken, een sterke internationale – bijvoorbeeld Europese – rug.

Maar wat weet ik ervan? Wat heb ik te schrijven? Je zou het als een gebrek aan engagement kunnen noemen, maar ik ben niet de aangewezen persoon in dezen.

Het verdrietigste ervan is dat niemand zich dat voelt, omdat het zo’n absurde daad van moord is. Nabestaanden allerminst. Wat zullen die nu vinden van Poetin?

We moeten maar trots zijn dat wij hier vooralsnog geen vliegtuigen uit de lucht schieten, met opzet of per abuis. Goedbeschouwd ben ik een bewonderaar van polderen en vergaderen en voel ik me na zo'n bloeddorstige daad - ook na de berichten uit Gaza - alleen nog maar een pacifist.

Pacifisten zijn misschien naïever dan separatisten, maar in elk geval beschaafder.

 

Alle jonge mensen

3 juli 2014 | Reacties 0

Er waren tijden dat ik werken voor geld verschrikkelijk vond.

Op mijn 15e bezorgde ik de Arnhemse Courant, dat ging nog wel. Alleen had ik elke week weer abonnees minder. Toen had niemand het over digitalisering, maar gewoon over slechte bezorgers. Je salaris hing af van het aantal abonnees. Ik heb de vale loonstrookjes van Wegener nog ergens liggen, de oplichters.

Later kreeg ik na het behalen van mijn havo-examen (en dus vóór het studeren aan de hogeschool Arnhem en Nijmegen) een baantje bij de Aldi Press, waar ik pakketten tijdschriften voor de middenstand moest sorteren of juist weer uit elkaar halen, dat weet ik niet meer. De zomer van 1996 bracht ik door in een bedompte fabriekshal waar ik uren achtereen die tijdschriftenpakketten in een metalen postkar legde. Tijdens de koffiepauzes vluchtte ik naar buiten, omdat ik niet in de kantine durfde te zitten. Toen schreef ik mijn eerste verhaal voor een literair tijdschrift, en ik fantaseerde dat op een dag mensen in een fabriekshal mijn boeken of artikelen ook zouden opstapelen.

Een paar weken later werkte ik op de Westerbouwing in Renkum, een soort pretpark met één attractie (een stoeltjeslift door de bossen). Ik fietste twee weken lang van Huissen naar Driel en nam daar de pont. De pontvaarder was als de schakende dood uit die film van Ingmar Bergman. Het regende dikwijls. Ik moest bij de Westerbouwing de mechaniek van de lift bedienen (hij draaide op een oude Volkswagenmotor) en op een noodknop drukken als een bejaarde of kind half werd meegesleept zonder dat hij vast zat met een beugel. Aan het einde van de dag diende ik het nummer van één stoel te onthouden, zei de baas. Dan moest ik het hele rondje afwachten tot die stoel weer terug was. Ik moest zeker weten dat niemand meer in de lift zat, want ooit had er een man er een paar uur na sluitingstijd in gezeten. De man had, toen hij eenmaal gered was, uit woede de hele Volkswagenmotor gesloopt, zei de baas.

Ik herinner me een opa met zijn kleinkind die in het stoeltje plaatsnam waar een plas water in lag. ‘Dat is bij de prijs inbegrepen,’ zei ik en zag het tweetal gestaag door het bos hobbelen.  

Tijdens mijn studie in Amsterdam (toen ik niet meer in Nijmegen studeerde) werkte ik als nachtportier in een hotel, ik denk dat ik toen heel wat jaren heb moeten inleveren omdat nachtwerken het slechtste is voor een mens. Met bloeddoorlopen ogen stapte ik dan om acht uur ’s ochtends op de fiets naar Uilenstede waar ik in het felle zonlicht probeerde te slapen terwijl ik eigenlijk bij een college moest zijn. Er werkte een receptionist die me deed denken aan de manager van de Cup-a-soup-reclame. Ik haatte hem zo erg dat ik bedacht dat ik twee dingen kon doen: hem vermoorden of hem in een toekomstig boek een rol laten spelen. Dat laatste heb ik gedaan, bij mijn debuut in 2000.

Zelfs toen ik al twee boeken had gepubliceerd en een studie had afgerond en dacht dat de wereld op me zat te wachten, deed ik nog rotwerk. Al vond ik het overtypen van notariële akten en andere beleidsstukken in een gebouw tegenover het Hilton niet zo erg. De juriste was heel aardig. Wel heb ik doodsverlangen gekend bij een ander advocatenkantoor in Buitenveldert, waar ik onder de vlag van Randstad memo’s moest uittikken van recorders die waren volgeblaat door advocaten met natte krulletjes.

Al die uren die ik heb weggekeken, al die collega’s die ik in mijn fantasie vermorzelde in een hakselmachine of koffie in het gezicht gooide.

Dan kwam ik thuis en dacht na over mijn plannen, die steeds meer contouren kregen. Ik bouwde, verzonken in gedachten, mijn eigen imperium: dit zou ik worden, dat zou ik willen bereiken, die zou ik willen ontmoeten.

Nu ben ik bijna 36. Ik heb werk waarbij ik nooit op een klok kijk, behalve om te zien hoe laat het is.

Twee weken geleden kwamen eerstejaarsstudenten bij me thuis om het jaar af te sluiten. Sommigen blijven ‘meneer’ en ‘u’ zeggen, en dat vind ik geruststellend.

Deze week had ik het fijne sluitstuk van het collegejaar: portfolio’s nakijken van studenten van de minor Creatief Schrijven. Ik kan me geen beter werk voorstellen.

Als er één doel is dat ik zou moeten omschrijven als docent in het hoger onderwijs, is het het bieden van perspectief (bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe kennis, maar hoop mag ook), en soms troost (als iets tegenzit). De fase van jeugd naar wasdom is immers regelmatig doortrokken van twijfels, diepe melancholie en wilde plannen en een vage toekomst.

Ik ben er niet jaloers op.


De prijs van nabijheid

25 juni 2014 | Reacties 0

Zodra een luguber voorval zich voltrekt – een moord, een kind dat vermist is, een verkrachting, ontvoering, een dodelijk ongeluk – dat betrekking heeft op slachtoffers die onze naasten zouden kunnen zijn, wekt het onze interesse.

Twee sympathiek ogende studentes die in een ver land iets onschuldigs doen als vrijwilligerswerk; het zouden onze dochters, buurmeisjes of nichtjes kunnen zijn. We zitten er bovenop als onheil hun deel blijkt. In eerste instantie voelt dat rechtvaardig.

Maar waar houdt maatschappelijke onrust en noodzakelijke nieuwsgaring eigenlijk op, en begint na een vermeende ontknoping een zeer ongepast voyeurisme en procedé van afstandelijke termen in nieuwskoppen als ‘resten’ en ‘botten’?

Uiteindelijk betaalt de familie van slachtoffers de prijs van nabijheid. Als slachtoffers zo dicht bij ons lijken te staan, trekken we het ons extra aan. Journalisten en redacteuren geven er een draai aan, zodat we nog iets verder worden meegezogen. Of er kwade opzet in het spel is, weet ik niet, maar ik twijfel wel eens over hun motieven. ‘Er is behoefte aan’, ‘dit moeten we gewoon doen’, zijn natuurlijk geen argumenten.

Alsof het een tv-serie met cliffhanger betreft maken we graag een 'overzicht' van zo'n vermissing met ernstige afloop. Minutieus doen we het, maar eigenlijk zijn het varianten op elkaars stukken. Zelfs Geenstijl doet mee. Doorgaans zou je zoiets eerder verwachten bij de verslaggeving van een zware kabinetsformatie of ingewikkelde oorlogsvoering.

Ik snap dat de familie van slachtoffers foto’s in eerste instantie vrijgeeft wanneer het om vermissingen gaat. Maar steeds maar weer de portretten die zo contrasteren met de ‘resten’ en ‘botten’ - wie is daar nu nog mee geholpen?

Er is overigens niks nieuws aan. Vanaf de jaren zestig laaien dergelijke discussies op en verstommen ze weer net zo snel. Steeds is er weer het gesprek met ‘respect’ aan de ene zijde en ‘nieuwsgaring kent geen emotie’ aan de andere zijde.

Maar die voorkeur voor nabijheid maakt het wel zeer wrang. Niet alleen voor de familie van slachtoffers die ongevraagd onderdeel zijn van een nationaal nieuwsfeit. Ook voor familieleden van slachtoffers die minder dichtbij staan.

Wat te denken van de Iraanse asielzoeker Mostafa Talaia, die een jaar geleden vermoord werd in Oisterwijk. Hij werd neergestoken op weg naar het asielzoekerscentrum. Hij haalde Opsporing Verzocht en wat lokale media, maar hij haalde slechts twee keer Nu.nl: waarvan één keer de kop luidde: ‘Moord op een asielzoeker’. Als plaatje een stockfoto van een politieauto. Een condoleanceregister voor Talaia ben ik nog niet toegekomen. De zaak is inmiddels gesloten.

De ene zaak is de andere niet, ook niet voor journalisten.

 

Onze kinderen zijn data

20 juni 2014 | Reacties 1

De vakantietijd breekt aan. Althans, voor vele ouders die ook deel uitmaken van mijn facebookwall. Ik voorzie weer een reprise van de geïnstagramde werkelijkheid, sfeervol gefilterde foto's van lommerrijke campings, een branding, de grote steden die we bezochten, de kampvuurtaferelen of misschien een muziekfestival in een Hollandse duinpan.

Na het lezen van dit scherpe stuk van Margriet Oostveen (dat qua inhoud niet zoveel te maken heeft met de volgende boodschap) wil ik jullie wijzen op de vervagende grens tussen het aloude plakboek dat nog veilig verborgen stond in de Lundia-kast en de 'cloud' vol vakantiekiekjes met vuile kindersnoeten waar we nu met z'n allen in zitten te loeren.

Dat u de instellingen op Facebook op 'privé' hebt ingesteld is een schijnwerkelijkheid. Vaak zie ik vrienden van vrienden van toch al niet zo bekende collega's ineens opduiken met hun foto's van dagjes uit met kinderen die vliegers vasthouden, hengels uitwerpen of dansjes doen. Zij hebben geen idee wie ik ben. Het zijn mijn zaken niet. U nodigt mij ook niet uit bij de eindmusical, de familiereünie of het afzwemmen.

Wees terughoudend met delen van de tronies van uw kroost. Ik heb een keer foto's van mijn dochters op Facebook gezet. Met een hoes van een David Bowie-plaat voor hun gezicht, of een jutezak van Sinterklaas over hun kop. En één keer een foto van veraf, op het strand. Ik mag graag anekdotes vertellen, maar nooit noem ik hun namen (hoewel ik zelf inderdaad jaren geleden bij de geboorte van mijn jongste dochter dat ook vrolijk vertelde op Facebook - sadder but wiser, zullen we maar zeggen).

Het gaat mij er niet om dat jullie mijn kinderen niet mogen zien of dat ik niet vrolijk word van jullie instagrams, video's en andere beeldplaten; ik vind het freaky dat Facebook gelijk een framepje op het kinderhoofd plaatst. Zo worden kinderen nu al geïndexeerd, belanden in een databank. Of uw instellingen nu op privé staan of niet.

Ik zeg niet dat ik u blokkeer of ontvriend of dat ik me erger aan de simulacron van het vrolijke gezin, ik zeg dat u er voorzichtig mee moet zijn. Volwassenen nemen het zelf zoals het is (een foto van mijn papkop op café vind ik geen probleem, net als een foto van een lezing waar ik voordraag uit eigen werk), maar (te) kleine kinderen hebben niet gevraagd om die digitale opslag.

Genade van het zachte licht

31 mei 2014 | Reacties 0

Er zijn mensen die ik ervan verdenk dat zij in oorlogstijd mij het graf in zouden schieten en moeiteloos een gaskraan zouden bedienen of tot andere foltering kunnen overgaan. Vaak zijn dit mensen die zich bedienen van luid, aapachtig gebrul zonder dat iemand daar om vraagt, mensen die troep op straat gooien en mensen die asociaal verkeersgedrag vertonen en hierbij de schouders ophalen als je hen wijst op de redelijke aanwezigheid van slachtoffers.

Een groep studenten of Young professionals op vier hoog in de flat naast ons hield tot zeven uur in de ochtend, jawel zeven uur in de ochtend, een luid feest met muziek die klonk als een oppotmachine met synthesizers, trance van het soort dat je vindt in een uitzoekbak bij de Blokker. Wanneer zij een vrijstaande loods in een leeg weiland als feestlocatie zouden kiezen kon het mij niets schelen, maar midden in een woonwijk tot zeven uur in de ochtend is niet meer het vieren van jeugdigheid, maar het opdringen van slechtheid, het wapperen met de vlag waarop staat dat de wereld mag sterven, en het eerste uitwasemen van een dodelijk gas. Wij zijn hier, en u bent daar, maar wij hebben zwaarder geschut.

Omdat het een andere unit is dan de onze, heb ik geen toegang tot dat complex. Al had ik daar in mijn boxershort op de stoep gestaan, dan had men meesmuilend naar beneden gekeken en waarschijnlijk een fles gegooid, begeleid door kleinerende bewoordingen. De stoep lag bezaaid met peuken die zij van het balkon wierpen, nog een teken van wanbeschaving.

Ik hoopte op de assertiviteit van hun directe buren, maar wellicht dat expats – daar wonen meer expats, vraag me niet waarom – het lot in zo’n geval dragen en de doppen dieper in de oren duwen. Als slang in hun paradijs belde ik tot tweemaal de politie, maar toen zelfs om half acht in de ochtend nog steeds het geluid klonk van een dodenmars op hoge snelheid, vergezeld door het roekeloos gebral op hun balkon, wantrouwde ik het politieapparaat in al zijn facetten. Ter afleiding luisterde ik naar prachtige troostrijke reportages op radio 1, en ook luisterde ik naar een aflevering van Klasgenoten met Gerard Reve. Het was natuurlijk ooit een televisieprogramma, maar ik luisterde alleen naar het geluid van die uitzending op YouTube omdat ik zo mijn eigen beelden kon scheppen. Geen schrijver geeft zoveel genade in tijden van weerzin en angst als Gerard Reve. Reve vertelde over dat het licht in Amsterdam vroeger zachter was, ‘er zat wat meer oker in’, en dat hij niets meer begreep van die stad.

Ik zag mij liggen in mijn bed, als een paria uit een schilderij van Edvard Munch of Francis Bacon, en ik maalde en dacht: hij heeft gelijk, uiteindelijk ligt ons lot op dit moment in de handen van de demonen. Mijn kinderen waren ondergedoken in de geluidsarme vleugel van het huis, maar dat is misschien nog het ergste; als vader tot gekte is gedreven, zijn kinderen kansloos.

Toen ik om elf uur in de ochtend in de auto stapte voor een bezoek aan een boekwinkel in Enschede om te signeren, geteisterd door vermoeidheid maar gekleed in mijn pak met das, zag ik plots de bewalde ogen, petjes en de sigaretten tussen de gebarsten lippen van twee klaplopers op de gewraakte vierde verdieping. Ik sprak hen aan, gebruikte ferme taal. De schouders werden opgehaald. Beneden op straat en later op de dag in de lift, sprak ik  met vermoeide medebewoners. Ik was niet alleen geweest, zo zaten we toch met z’n allen in het verzet.

De A1 van Amsterdam naar Enschede lag in een prachtig zacht licht, zelfs met een beetje oker. Het groen aan weerszijden en de paar auto’s op de asfaltstroken maakten de rit geruststellend sympathiek. Ik hoorde schrijver Donald Nolet op de radio, hij had de Gouden Strop gewonnen en hij moest van Frits Spits kiezen wie hij van de Grote Drie het meest bewonderde, en hij koos Mulisch. Daarom zette ik de radio maar weer uit.

In Enschede waren de boekverkopers en klanten zachtaardig en welwillend en langzaam veranderde het bloeddorstig tafereel in mijn hoofd waar ik die nacht mee kampte in een schilderij vol zacht licht met veel oker. Het was een schilderij van Edward Hopper, toen ik in de lage zon aan het eind van de middag terugreed.

Zonet las ik op het balkon in de laatste zonnestralen de eerste pagina’s van Monte Carlo van Peter Terrin, een cadeau van de boekhandelaar (omdat ik, eerlijk toegeven, Horizon City van Jaap Scholten al had), en nu al ben ik liefhebber. Op de achterkant prijkt het auteursportret van een intelligent mens. Beneden deelden de kinderen uit de buurt hun zakje zonnebloempitten met mijn oudste dochter en ze ruimden de schilletjes zelf op. De dag eindigde zo alsnog in genade.

 

Uitval

27 mei 2014 | Reacties 0

De stroom was uitgevallen in een groot deel van Amsterdam West en Nieuw-West. Er bestaat ongetwijfeld een socioloog die ooit heeft beweerd dat je bent hoe je je in het verkeer gedraagt, en ik denk dat je ware aard ook naar boven komt bij een stroomstoring als deze.

In het verkeer zie ik in Amsterdam vaak te assertieve fietsers die miskend hun hand op de motorkap van een auto slaan, of een toerist uitblaffen onder begeleiding van een luide bel. ‘Kejjenieuitkijkeklautzak’. Ook onlangs nog gezien: een vader met een kind achter hem, staand op de bagagedrager, die langs een bakfietsmoeder suist en keihard ‘Pas op, kut!’ roept. Mooi blijft ook de nonchalante ijskoningin of –koning met koptelefoon die even voor een tram schiet en geen krimp geeft als de tram een doodstop maakt.

Ik ben iemand die niet doorheeft dat hij per ongeluk iemand genadeloos afsnijdt en ga dan mijn excuses aanbieden. Of ik rem vlak voor een zebrapad zodat die dame toch over kan steken, maar de fietsers achter mij knallen op mijn spatbord. De gehaaste mens zit vol haat.

Het was rond half zes toen de stroom uitviel. Twitter is altijd sneller is dan de beheerder van Liander kan vermoeden, dus het was een dankbare informatiebron (mijn 3G verbinding werkte immers nog).  In onze flat zaten mensen in de lift vast, in het donker. De man van Otis Liften was er snel bij om ze uit de benarde positie te bevrijden.

Dan viel het bij mij nog wel mee, hoewel ik elektrisch kook. De kolen waren op, anders had ik de barbecue op het balkon nog wel voor de rosbief opgestookt. Er zat niets anders op dan wachten en het lot accepteren.

Zo'n stroomuitval verbroedert, op de een of andere manier. We zijn gewend dat elke dag ons leven in een mal wordt gegoten, dat het gaat zoals de voorschriften het aangeven. Niets en niemand kan zo slecht improviseren en relativeren als een volk van protocollen en procedures. Maar als de protocollen wegvallen, praten we ineens met de buurman en proberen we elkaar te helpen. We ontzien elkaar iets meer.

’s Avonds traden The Manic Street Preachers op in Paradiso. Het nieuwe album heet Futurology, een album over de vergankelijkheid van Europa. Een interessant interview met bassist Nicky Wire over moderne kunst en muziek als performance leest u hier. (Overigens draagt mijn boek Leeuwenstrijd een motto van The Manics en Bowie, en gisteren opende de band met een nummer van Bowie als intro, dus de cirkel is rond). The Manics was de eerste act in het Castro-tijdperk die jaren terug voor een uitzinnige menigte in Cuba speelde. Luider dan oorlog, noemde Castro het optreden destijds.

In Paradiso was de zaal gevuld met fans, maar met evenveel passanten die de kwaliteit van polyester survivaltenten bespraken of een zeker percentage op een loonstrook in twijfel trokken. In t-shirts, met kale kruinen en met hoog opgetrokken spijkerbroeken. Sommigen zaten onderuitgezakt op het balkon naar hun telefoon te kijken, geen minieme knik met de kin. De aanwezigheid van een band die met zowel hoge kunst als stadionrock flirt ontging hen, leek wel. Drie bier en een treinkaartje, koffie toe en dan naar bed, dat idee. Menig Cubaan zou hebben geruild.

Je moet het leven altijd leiden met een gevoel van noodzaak en toewijding. Nooit op de protocollen en procedures vertrouwen. Aanvaard de anarchie die van de een op het andere moment kan uitbreken, anders word je een ondraaglijk vlak mens dat op motorkappen van auto’s slaat, anderen uitscheldt bij een kruispunt, door anderen heen praat wanneer het niet nodig is en zijn mond houdt wanneer je zou moeten krijsen.

In tijden van rampspoed, stroomstoringen en uitval sluit je achter aan in de rij van de verschoppelingen, gehuld in lompen, met kwijl uit de mondhoeken.

 

The Sisters of Mercy in de Melkweg 2014: vier sterren voor de machine

26 mei 2014 | Reacties 2

Een paar weken geleden bezocht ik een concert van Echo & The Bunnymen in de 'oude' Tivoli, daarover schreef ik toen dat het mij niets meer deed. Ik werd moe van het ouwe-jongens-krentenbroodgehalte dat om dat concert heen hing. Door die kater durfde ik gewoon niet meer naar The Sisters of Mercy, gisteren in de Melkweg. Ik zag me alweer staan tussen de kale kruinen en Clan of Xymox-shirts van systeembeheerders.

En, niet onbelangrijk detail, ik zag ze al acht keer in tien jaar. Ik wist dus min of meer wat er ging gebeuren; een clown op een tuba of een reggae-combo zou nooit het podium bestijgen naast Andrew Eldritch. Wéér 'Alice', wéér 'First and Last and Always', alles voortgestuwd door de mechanische drums uit de computer en twee metalgitaren. Een collega had een kaartje over, maar dat had ik na het Echo-debacle afgeslagen. Om half zeven zat ik in de zon op het balkon en toen dacht ik: zou ze het kaartje al kwijt zijn?

Dat bleek niet het geval.

Het is komisch als mensen zeggen: ‘toen en toen zag ik ze en toen waren ze beter.’ Mensen bedoelen niet een band, maar zanger Andrew Eldritch. 23 jaar geleden stonden The Sisters in een andere samenstelling in de Jaap Edenhal. 11 jaar geleden stonden ze in de Heineken Music Hall. De huidige gitaristen, Ben Christo en Chris Catalyst, zaten toen nog op school. Je zou zeggen dat een setje jeugdige metalheads uit Leeds een pijnlijke neergang van een mythische act symboliseren. Bij het verschijnen van de eerste Sisters-EP’s aten zij nog Olvarit. En nu stonden The Sisters in een Melkweg waarvan het bovenste balkon gesloten was.  Eldritch brengt al jaren geen nieuwe muziek officieel uit, maar schrijft nog wel; de setlist wordt tegenwoordig opgesierd met deze nieuwe industriële metalrocknummers.

Eldritch lijkt qua uiterlijk tegenwoordig op het Walter H. White uit Breaking Bad, en toch behoudt hij zijn ongrijpbare charisma. Zal nooit roepen: ‘Hebben we er ZIN in?’. Op Pukkelpop (2001) was de Sisters-compound op het terrein nog afgeplakt met zwart doek, hingen overal 'No Press'-posters. Lang waren fotografen en journalisten de zondebokken voor Eldritch, een gebruik dat we later ook zagen bij Rammstein.

Het is de afstand die hij bewaart en hem conserveert – zoals ook Daft Punk gebruikmaakt van de anonimiteit. Met zonnebril op in de rook van de machine. Ik heb hem gezien in matige toestand (2006, tijdens hun 25-jarig jubileum) in Berlijn, waarbij je hem niet kon verstaan en de zaal één grote galmbak bleek. Ik heb hem met goede zin gezien op Belgische festivals op een stadsplein, inclusief cover van Gary Glitter en Motörhead. Maar steeds zag ik vooral de gereserveerdheid van een frontman, zodat je een volgende keer toch weer ging omdat je benieuwd was of hij nu iets communicatiever zou zijn. En toch hoeft dat ook weer niet. Als JD Salinger ineens met een big smile in de Margriet had gestaan, zou dat ook als verraad voelen.

De rook van de machine is als het vierde bandlid. Als mensen verontwaardigd zijn dat er wel meer van de act uit een machine komt (de drums, de bas), ben ik verbaasd; bij hiphop- of dance-acts maakt het toch ook niet uit dat er geluiden uit samplers of laptops komen? Bovendien heb ik genoeg slappe drummers gehoord, waarbij ik smeekte dat zij vervangen zouden worden door een drummachine.

Gisteravond, na de instrumentale intro van de cultsong Afterhours, zagen we weer een act uit vele machines, maar in tegenstelling tot wat ik dus eerder concludeerde bij Echo & The Bunnymen, was het geen ach-ja-mooi-was-die-tijd-ik-heb-ze-nog-gezien-toen-Wayne Hussey-er-nog-bij-speelde-sfeertje.

Het geluid was hard, de gitaren speedy, Eldritch goed verstaanbaar (al krijgt zijn gegrom af en toe iets van Leonard Cohen die Marilyn Manson nadoet), de drummachine mechanisch en meedogenloos. En dan ook na tig keer The Sisters-shows te hebben gezien, blijkt het te werken. Je weet wat je krijgt en toch ben je nog verrast. Het heeft niets te maken met oude wave in nieuwe zakken. In een handomdraai veranderde de Melkweg The Max, gelegen achter godbetert het Leidseplein, epicentrum van banaliteit, in een stripclub uit Mad Max. Van het vintage ‘Kiss The Carpet’ tot het volvette Hitradio Veronica-fähige ‘When You Don’t See Me’, tot het militante maar melodieuze ‘Arms’. En het Sisters-publiek – waar ik deel van uitmaakte - omarmde deze machine. En heel misschien baalde Eldritch zelf ook dat ‘Lucretia, My Reflection’ zo geprogrammeerd was dat er niet nóg een loopje bij kon.

Gitaristen Ben Christo en Chris Catalyst versplinterden hun instrumenten haast dankzij hun speeldrift en enthousiasme bij de de cover 'Misirlou' van Dick Dale, onder andere bekend van Pulp Fiction.

Eigenlijk heb ik de machine nog nooit zo in vorm gezien.

Het gaat er niet om of je Eldritch nu wel of niet altijd goed hoort en of de drumpatterns sinds de jaren ’00 niet zijn vernieuwd. Het is niet alleen de door modernistische elektrorock opgesierde setlist waar je voor naar The Sisters gaat, het is ook de toevoeging van licht, rook – veel rook – en pose.

Het is wel de vraag of Eldritch op zijn 55e nog nieuwe fans krijgt, of dat het steeds dezelfde horde liefhebbers is die terugkeert maar ook weer afkalft (zie de steeds kleinere zalen die de band aandoet). Wat mij betreft is de houdbaarheidsdatum van The Sisters nog lang niet verstreken, maar ik heb het bange vermoeden dat die nooit zal verstrijken. In 2114 staat er nog steeds ergens een machine te palpiteren in een decor van autowrakken en gesloopte computers; een eruptie van licht, geluid waar bewonderaars hun armen voor in de lucht zwaaien.

 

Archief

2014

augustus juli juni mei april maart februari januari

2013

december november oktober september augustus juni mei april maart februari

2012

november augustus