Thomas van Aalten

Dansen op de vulkaan

18 maart 2020 | Reacties 0

Zo maak je nog eens wat mee: omdat studenten kennelijk koudwatervrees hebben om hun verhalen in te zenden, hier vast een voorproefje uit eigen werk - een roman die dit najaar verschijnt (titel nog nader te bepalen).

Context: Leonie Espen woont begin jaren 70 met haar man Dick, directeur van een reisbureau, aan de Amsterdamse Burgemeester Eliasstraat in Slotermeer.

Dansen op de vulkaan: schrijfwedstrijd voor studenten

15 maart 2020 | Reacties 0

Omdat het Corona-virus driftig om zich heen grijpt, heb ik voor studenten (hbo en wo) in Nederland en België een interessante uitdaging. Om de tijd te doden en de wijsheid te voeden heb ik een oproep voor schrijf- en leesgierigen: stuur uw verhalen. 

Hoe gaan we dat doen?

Mail je verhaal (alleen fictie!) van maximaal 1500 woorden naar t.van.aalten [a] hva.nl.

Uit de dagelijkse inzendingen vis ik het beste verhaal en lees ik het integraal voor. Ik zal ook toelichten waarom ik het verhaal heb uitgekozen en zal ook feedback geven. De link naar de audio plaats ik vervolgens hier op op deze site. Zolang het duurt! De winnaar wordt ook dagelijks via Instagram bekendgemaakt.

Voorwaarden:

-Alleen Nederlandstalige fictie is toegestaan. Geen essays of poëzie;

- Je studeert aan een hogeschool of universiteit in Nederland en/of België;

- Inzendingen moeten als Word-document worden aangeleverd voorzien van naam, leeftijd en onderwijsinstelling en link naar Instagramprofiel (indien gewenst). Liever toch anoniem? Geef dit dan duidelijk aan;

- Verhalen mogen niet elders gepubliceerd zijn (wel op eigen blog);

- Dagelijkse deadline is om 17.00. Afhankelijk van de inzendingen mag je dagelijks een nieuw verhaal aanleveren.

Dit is een particulier initiatief van Thomas van Aalten, schrijver en als docent verbonden aan de opleidingen Creative Business en Communicatie van de Hogeschool van Amsterdam. Volg de auteur op Instagram.

De gewone man en vrouw: gooi ze voor de leeuwen

14 januari 2020 | Reacties 0

Ik stuitte een paar jaar geleden op een relatief nieuw fenomeen bij  studenten: ze wapperden met hun handen hun ogen droog als ze huilden (jongvolwassenen huilen nogal eens, niks nieuws onder de zon). Maar het wapperen met die handen, dat had ik gezien bij kandidaten in realityshows die wilden voorkomen dat hun make-up uitliep voor het oog van de kijkers thuis.

Ik heb geen cijfers van het aantal handenwapperaars wereldwijd, ik probeer ook niet aan te tonen dat het om een gevaarlijke ontwikkeling gaat. Het wapperen is nog onschuldig. Het legde wel iets anders bloot: wat is nog van ons en wat is een residu van eindeloze imitatie?

We zijn een pakket van consensus, pragmatisme en lullige ironie geworden en dat uit zich in onze politiek, het onderwijs, wetenschap, de media, de kunst- en cultuursector – tot aan de financiële sector, winkels en horeca aan toe.

Kunst moet een haakje of een kwinkslag hebben, artiesten een hit, winkels een niche, politici een momentum, onderwijs een canon, cultuur een quotum. U wordt een jij, een vraagteken een uitroepteken. We zijn een maatschappij met antwoorden en stellingen, vragen zijn uit den bozen.

Jonge mensen, aan het begin van hun carrière en levenspad, krijgen steeds vaker te horen: ‘Dat gaat je niet lukken, vergeet het’ of juist: ‘Dit gaat je wel lukken, topper.’ Daarentegen: ‘Geen idee’ of ‘Spannend, probeer maar’ is eigenlijk al niet meer mogelijk in dit land. Je ziet juist de gevaarloze, stupide ideeën in het publieke domein. De clickbait als norm. Wil je dj worden? Er is een opleiding voor. Wil je een pretpark oprichten? Er is een opleiding voor. En als niemand erop zit te wachten, doe je alsof. Dan imiteer je succes. Rank jezelf een weg naar de hemel. Maar wil je hier als vluchteling komen? Vergeet het maar.

Mensen worden heus niet meer minder creatief, eigenzinnig, rebels of authentiek dan voorheen. Maar de instituten (onderwijs, media, politiek, kunst- en cultuursector) hebben er steeds minder ruimte voor. Ze zijn als de dood om ouderwets en star over te komen. Gevolg: er ontstaat een knap staaltje code switching – met de grootste knieval voor de gewone man.

In een dictatuur, zo luidt de stelregel, heeft het onderdrukte volk een gezamenlijke vijand: de dictator. Gemeenschapszin en zorg voor elkaar achter de voordeur zijn niet zelden het gevolg van de onderdrukking daarbuiten (een onsmakelijke metafoor voor hen die zo’n dictatuur ontvluchtten).

Maar hoe vrij is Nederland nog met haar grappig bedoelde slogans, bluffende politici, eindeloze evenementencultus en verering van alles dat riekt naar middelmaat, tenzij het overdreven is zodat het een parodie wordt? Enter Chateau Meiland en fucking schiettentpolitiek. Kritiek is op voorhand zinloos, want een suikerspin van de kermis kent geen slecht jaar. 

Al jaren weet ik: de gewone man en vrouw zijn mijn grootste vijand. Gooi ze voor de leeuwen! (Ze bestaan toch niet).

 

Thomas van Aalten terug bij uitgeverij Podium

29 november 2019 | Reacties 0

Meer hier.

Basisscholen vormen niet voor niets de basis

26 november 2019 | Reacties 0

Als kind ben ik eens door de lagere school meegetorst naar een demonstratie. We kregen borden om onze nek met 'Deetman door de plee man' (of we riepen het, daar wil ik vanaf zijn). In de brugklas van de middelbare school balde ik de vuist in marsen tegen racisme en discriminatie - Arnhem, begin jaren negentig en we had a ball.

Ik heb een wrange bijsmaak gehouden van demonstraties, barricaden, bezettingen. Zo ruik ik de nevel van onbehagen bij sit-ins waar met trom en potsierlijke vermomming kinderen worden gebruikt ten faveure van volwassen standpunten. Het ene kind van de mileubewuste ouder op mijn Facebookwall deugt nog meer dan de ander. Ik vind dat griezelig. Als een kind van acht wil demonstreren, moet je het net zo serieus nemen als dat het limonade wil verkopen; ga je gang, maar is het dan soms ook gelijk een ondernemer?

Hoewel ik kinderen heb, heeft mijn felle standpunt over de staking in het primair onderwijs daar niets mee van doen. Onderwijs raakt immers vooral de essentie van een natie.

Hoe bestaat het dat we in een land leven waar dagelijks de kantoorflats en industrieterreinen worden gevuld met consultants, analisten, beleidsmedewerkers, adviseurs, wegkwijnend onder systeemplafonds tussen muren van multomappen en led-schermen, de ene zonvakantie na de andere boekend, de ene na de andere lease-auto verpulverend, de ene na de andere Nespresso wegslurpend voor een schandalieg hoog maandbedrag dat soms het dubbele is van de juf of meester die hij of zij ooit had? 

Dat heet de vrije markt. Rodney, Kees, Rachid, Meryem, Storm en Sterre willen soms dat soort banen. Dat mag. Zoals Klaas ooit graag de nationale politiek in wilde. (Klaas incasseert ondanks zijn huidige rol bijvoorbeeld sinds zijn rentree in 2017 in de Kamer elke maand wachtgeld vanwege zijn vorige baan - ik houd niet van afgunst, wel van logica. Ik vind dit niet logisch).

Maar dat mag. Dat heet wetgeving binnen de democratie.

Het zou allemaal niet zo rampzalig zijn als het primair onderwijs royaler werd toebedeeld. Niet alleen met meer geld, maar met minder regels, eisen en kaders. Ons primair onderwijs is immers de bakermat van creativiteit, empathie, samenwerking, kennis en vaardigheden. Waarom springen we daar dan zo slordig mee om?

Gisteren stond een NOS-verslaggever voor het hek van de school van mijn  twee jongste kinderen: scholen in Amsterdam Nieuw West gaan een week dicht. Volgens de directrice van mijn school om een week lang aan een plan te werken om het onderwijs te verbeteren, want met de huidige financiële toezegging van de regering kan deze school de komende jaren niet uit de voeten. Misschien wilde de verslaggever mij likkebaardend voor de voeten werpen dat het vast een probleem zou opleveren, een week onaangekondigd vrij.

Nou, ik kan het juist hebben. Ik werk naast mijn schrijverij in het hoger onderwijs, waar de CAO een stuk beter is geregeld. Ik heb toekomstperspectief, ik kan doorgroeien en word echt enorm goed betaald zonder dat ik tot mijn oren in het werk zit. Als de vakbond voor mij moet opkomen, is het omdat de crèmelaag van mijn espresso donkerder kan. Leve de hogeschool.

Ik steun de basisscholen in deze barre tijden en met mijn onderwijskundige blik (een mastergraad die ik heb behaald dankzij de lerarenbeurs tijdens mijn loopbaan in het hoger onderwijs!) zou ik dan ook willen oproepen tot het beeindigen van de beknelling van onze onderwijzers.

Meer geld en middelen, goede Pabo's, minder hete adem van hogere echelons. Basisscholen vormen niet voor niets de basis - als die niet goed is, dan gaat je land failliet.

Individualisme als asbest van de tijdgeest

28 mei 2019 | Reacties 0

Wie de afgelopen jaren de essays en (gast)columns en polemieken leest, actualiteitenrubrieken kijkt en luistert en debatten aanhoort, ontwaart iets interessants. Het Ik-tijdperk, vrucht van de jaren zeventig, is definitief voorbij. Individualisme is een doodzonde geworden, we moeten weer ouderwets kampen kiezen. Een interessante maar ook gevaarlijke ontwikkeling. Het gaat immers niet meer om het wat, maar om het wie. Elke uiting moet eerst langs een morele ballotagecommissie. Het individualisme, niet per se tot een groep of generatie willen behoren, is het asbest van de tijdgeest.

Ik las onlangs het essay van Sarah Sluimer “het failliet van de cynische, nihilistische Generatie X”, de postmoderne stroming van hen die in de jaren van de Koude Oorlog werden geboren. In haar essay beschrijft Sluimer het failliet van Generatie X (waar ik volgens de statistieken van geboortedata al bij hoorde, en omdat ik nat achter in de toen nog offline oren in 2000 debuteerde als romanschrijver er nog veel meer bij hoor). Sluimer: ‘Nixers zijn postmodernisten die wél heel veel kunst produceerden, maar wier thema’s zich beperkten tot verveling, geen geloof in de toekomst, weerzin jegens engagement of waarheid, liefde voor harteloos stemmende drugs, gebrek aan bestemming, ambitie of levensvreugde. En vooral: de volledige intellectuele en daadwerkelijke ruimte voor witte mannen om zich op hun eigen voorwaarden dan weer klagend of miskend, dan weer door agressie gedreven, arrogant of blasé door het leven te slaan.’

Moest ik me nu aangesproken voelen? Ik stuurde het artikel door naar een jongere collega – een millennial – met als vraag: wat is nu het punt dat Sarah Sluimer probeert te maken? De millennial vond wel degelijk dat Sluimer een punt had. Veel werd volgens haar beïnvloed door het cynisme van de Gen X-er (in Nederland werd deze stroming overigens gereduceerd tot Generatie Nix). Het is natuurlijk de kramp van elke generatie: altijd afgeven op de generatie voor je en huiveren voor de generatie na je.

Goedbeschouwd is de generatie Nix als sociologisch verschijnsel een uitwas van de nihilistische punkgolf uit de jaren tachtig, alleen dan in het felle licht van globalisering en paarse jaren. De bom viel niet, de Russen kwamen niet, het was nog erger: commerciële televisie en internet kwamen. In die zin kan ik me er nog wel mee verwant voelen. Sluimer haalt zelf uit tienermelancholie een songtekst van The Pixies aan, een van de vermaledijde toortsdragers van de vermoeiende jaren negentig. Ze had ook voor Nirvana kunnen kiezen (nog erger). Zelf houd ik het liever bij de typische Gen X-band Depeche Mode uit de jaren tachtig (het nummer ‘Nothing’ uit 1987):

Life
Is full of surprises
It advertises
Nothing

Of The Jesus and Mary Chain (‘The Living End’, 1984):

And I'm in love with myself
There's nothing else but me
And an empty road

Volgens Sluimer bracht Generatie X niets meer dan inmiddels achterhaalde kunst, boze witte mannen en complotdenkers. ‘X’ers zijn mensen die continu anderen verwendheid aanwrijven, terwijl ze als kleine Nero’s elke kans op zelfinzicht en vooruitgang in de wind slaan om zo, als inmiddels blinde, op hol geslagen paarden tegen muren en deuren te lopen.’

Waar kwam de grote Ik nou eigenlijk vandaan? Onder redactie van John Jansen van Galen verscheen bij het kerstnummer van HP/De Tijd een kroniek uit met de veelzeggende titel Het Ik-Tijdperk, in navolging van Tom Wolfe die ‘The Me-Decade’ schreef. Nota bene de latere beroepsquerulant Joost Niemöller schreef voor De Groene over het verschijnsel Ik-tijdperk eind jaren negentig een stukje erover: ‘De trauma’s van Watergate en Vietnam waren nog maar vijf jaar jong, men leed onder de zwakke president Carter en een blamerend Iraans gijzeldrama. Er was nog geen Golfoorlog gewonnen. Gemeenschappelijke belangen leken verdwenen, dus trok men zich terug in het eigen ego.’ Tussen 1960 en 1980 kwam het ego tot grote hoogte.

De Amerikaanse schrijver Bret Easton Ellis is misschien een van de bekendste X’ers, en Sluimer interviewde hem onlangs tijdens het Brainwash-festival naar aanleiding van diens essaybundel White. Al enige jaren kwam er uit Ellis’ koker weinig opzienbarend. Imperial Bedrooms (in 2010 verschenen in het Nederlands als ‘De figuranten’) was een vlakke, dunne roman; hij schreef in 2014 nog een scenario voor The Canyons, een ‘neo noir’-film van Paul Schrader met o.a. Lindsay Lohan die weinig hoge hogen gooide. Hij maakte een podcast, twitterde wat links en rechts, maar het staat qua impact en relevantie in de schaduw van zijn romans die hij in de jaren negentig publiceerde (waarvan American Psycho de beroemdste en meest controversiële) en die ik als tiener en twintiger gretig las.

En toen was daar anno 2019 White. De hippe jongen van 1990 is immers de senior van 2020. Een reeks essays over film, literatuur, homoseksualiteit, de huichelachtige situatie in Hollywood en ‘identity politics’. Waar Ellis een broertje dood aan heeft, is het slachtofferschap van gemeenschappen. En dat tekent volgens Ellis precies het verschil tussen zijn (of ‘onze’, zoals u wilt) en de generatie erna: voortdurend bezig zijn met wie of wat er wel niet tegen ons is.

This is an age that judges everybody so harshly through the lens of identity politics that if you resist the threatening groupthink of ‘progressive ideology,’ which proposes universal inclusivity except for those who dare to ask any questions, you’re somehow fucked. Everyone has to be the same, and have the same reactions to any given work of art, or movement or idea, and if you refuse to join the chorus of approval you will be tagged a racist or a misogynist. This is what happens to a culture when it no longer cares about art.

En daar heeft Ellis volgens mij een punt. Ik wil niet vervallen in de retoriek van ‘je mag ook niks meer zeggen’, maar het individualisme, een van de grootste verworvenheden van de naoorlogse maatschappij, heeft op veel terreinen verloren. Je mag niet afwijken, of de messen worden geslepen. Daarmee bedoel ik niet dat ik ga janken dat ik met mijn diesel niet meer de stad in mag of dat ik Zwarte Piet wil behouden, dat homo’s niet mogen trouwen en vrouwen minder moeten werken. Dat zijn relikwieën uit het stenen tijdperk.

Nee, het zit ergens anders. Individuele uitingen worden met argusogen bekeken: wie wordt er mogelijk door jou beledigd, wie wordt hier misdeeld? En dat is waar de essays, columns en talkshows over gaan. Nergens bij willen horen kan niet. Het is de asbest van de tijdgeest. Je móet stelling nemen. De ballotagecommissies en gedachtepolitie staan ter linker- en rechterzijde klaar om je de oren en ogen te wassen. Lieve help, kun je zo nog schuldeloos naar kunst kijken zonder de bril die je door derden wordt aangemeten? 

Ik las een dubbelinterview in de Volkskrant met wetenschapper Nadia Bourias en schrijver Abdelkader Benali over racisme en de bestrijding ervan:

Benali: ‘Op de lange termijn maakt de antiracismebeweging zich er kwetsbaar mee. Rechtse krachten kunnen identiteitspolitiek tegen je gebruiken. Ze kunnen zeggen: jij bent een Marokkaan, je voorouders hebben slaven gedreven, in Marokko is ook racisme, waarom zou jij een platform moeten krijgen om te praten over de situatie van Marokkanen in Nederland?’ Met harde stem: ‘Nee, nee, nee, jij mag niet praten.’

Bouras: ‘Nu trek je het in het belachelijke.’

Benali: ‘Dat doe ik niet, dit is wat er gebeurt.’

Ik vond het interessant, en mooi hoe Bouras het op sommige punten met Benali oneens was, om vervolgens toch tot dezelfde hoopgevende conclusie te komen. Zou je zeggen. ‘Wat hij zegt zou zo uit de mond kunnen komen uit een witte zogenaamd progressieve babyboomer die ook het gevoel heeft dat zij of hij gepasseerd is,’ zegt activist Quinsy Gario op zijn blog Roet In Het Eten.

Kijk aan. Abdelkader wordt zo de aap van de orgelman: zit stil en doe wat we zeggen, o wee als je iets beweert dat zich buiten de lijntjes bevindt. Of, in Ellis’ woorden: if you resist the threatening groupthink of ‘progressive ideology,’ which proposes universal inclusivity except for those who dare to ask any questions, you’re somehow fucked.

Het enige dat ik wél zeker weet, is dat we het over een eeuw allemaal niet kunnen navertellen. Tot die tijd hoop ik vooral nergens bij te horen. Ik ben van mezelf. Ik voel me meer verwant met mijn genderbendende millennial collega dan met de door Sarah Sluimer aangehaalde Gen X’er Giel Beelen; dit heeft met generaties niets te maken, wel met individuele voorkeuren.
Maar misschien is dat de nihilist in mij.

 

Femke

29 juni 2018 | Reacties 0

Toen ik naar Amsterdam kwam, was ik 18 jaar. Schelto Patijn was toen de burgemeester van dienst, en ik meen mij te herinneren – al kan dat voortkomen uit de nevel der fantasie – dat hij alle eerstejaars van de universiteit toesprak in een kerk. Ik moest de stad nog uitvinden. Heel veel verder dan Magna Plaza, het Leidseplein, een kroeg op de Spuistraat en het PC-hoofthuis kwam ik niet. Van een burgemeester verwachtte en wist ik verder niet veel.  

Mijn 19e verjaardag vierde ik in september 1997 in een door tl-balken verlichte keuken in het studentencomplex Uilenstede in Amstelveen, waar ik minstens evenveel kerosinedampen dankzij Schiphol heb geïnhaleerd als een gemiddelde onderhoudsmonteur van KLM.

De eerste keer dat ik mocht stemmen voor de Tweede Kamer, kon dat nog via een elektronisch paneel dat was opgesteld in een zaaltje op loopafstand van de Kalfjeslaan in Amstelveen. Ik stemde GroenLinks (Rosenmöller) en werd een paar jaar later lid van de Socialistische Partij, want ik dacht: je moet links zoveel mogelijk stutten. Lid worden van de een, stemmen op de ander. Toen ik echter om de zoveel tijd gebeld werd met de vraag of ik niet eens ‘in actie’ wilde komen voor de SP, en ik herhaaldelijk de Gauloises sans filtre-tronie van Jan Marijnissen in de katernen van het lijfblad Tribune onzin zag uitkramen, trok ik de rode stekker eruit.

Met de sociaaldemocraten van de PvdA heb ik altijd al een band gehad als die ik met Elton John had. Ik vind hem een groot artiest, maar ik draai het zelden. Ik moet wenen als Yellow Brick Road eens langskomt, maar the Circle of Life vind ik wanstaltig. Den Uyl is mijn Yellow Brick Road. Als hij uit de dood zou herrijzen, werd ik prompt zijn stafmedewerker. Zijn dagboeken, interviews en de biografie van Anet Bleich verslond ik. De danse macabre van de afgelopen jaren werd de ondergang van de PvdA, geheel in lijn met het afbrokkelende sociaaldemocratische bastion in het Europa van de 21e eeuw. De Nivea-smile van Blair was eigenlijk al een omen.

GroenLinks kreeg in mijn volwassen leven pas echt gestalte onder Halsema, en zij en haar team gaven de partij een nieuw élan dat mij vrolijk stemde. Niet de dogmatiek, maar de vrijzinnigheid van weleer voerde de boventoon. De PSP-poster van de naakte vrouw voor de Hollandse koe, maar dan 2.0. Je kon een stropdas dragen en toch vrolijk de anarchie prediken. Van de socialisten was ik inmiddels zover afgedreven; ik was nota bene een dromer over Paars III en bombardeerde me zelf tot een liberaal die GroenLinks stemde. Een liberaal, das war einmal. Mettertijd ben ik eigenlijk steeds linkser geworden. Op zijn best ben ik nu een anarcho-liberaal.  

Femke Halsema was als partijleider geen pragmatisch technocraat, maar een intellectueel visionair met karakter. Het is nogal eens verward met arrogantie. Ze vertrok uit de nationale politiek, een rommelig proces over haar opvolging volgde; ik zegde mijn lidmaatschap op (dat zijn de ergste). Ik heb altijd trouw GroenLinks gestemd omdat het partijprogramma nu eenmaal aansluit op mijn eigen ratio en rede.

Onder fractievoorzitter Rutger Groot Wassink (en anderen) werd de partij de laatste jaren groot in Amsterdam. GroenLinks is inmiddels vrij modieus en staat nu te boek als volkspartij-in-de-dop (inclusief landelijke partijleider die ook bij Koffietijd aanschuift en Guus Meeuwis-fan schijnt te zijn).

Helemaal onlogisch dat er in Amsterdam een GroenLinks-burgemeester zou komen, was het niet. Toen de naam van kandidaat Femke Halsema uitlekte, hoorde je de mensen om je heen al de noodklok luiden: wat vonden we nu ook alweer van Halsema? Wat kán ze nu werkelijk? Als ze maar niet denkt dat. Als zij burgemeester wordt, dan. Spasme van de onderbuik ging duidelijk vóór het voordeel van de twijfel.

En wat dacht ik?

Sinds december 1999 ben ik officieel inwoner van Amsterdam (ik verhuisde van Uilenstede naar een gehorige en tochtige etage in de Czaar Peterstraat).

Inmiddels durf ik te zeggen dat ik de stad kan lezen. Ik vind er wat van, de stad. Twintig jaar na mijn aantreden als eerstejaarsstudent heb ik ook wat te melden. Van der Laan liet als burgemeester een haast onvervulbare krater achter: empathie, humor, relativering, bestuurlijke daadkracht. Ga er maar aan staan.

Ik weet zeker dat Femke Halsema een turbulente periode – zowel privé als professioneel – tegemoet gaat. Als zij twee ambtstermijnen doorstaat, bereikt mijn dochter de leeftijd die ik had toen ik hier kwam wonen. Ik hield gister het Parool omhoog, met daarop Femkes portret. ‘Zul je het onthouden?’ zei ik. ‘Pas over acht jaar weten we of ze een goede burgemeester is.’ Ze keek me glazig aan. Ik moest haar misschien niet teveel indoctrineren. 

Maar ik denk wel dat Femke Halsema het goed gaat doen.

Waarom? Onderbuikgevoel.

Welkom in je eigen stad, Femke. Breng de vrijzinigheid en de vrolijke anarchie mee.

 

Boekenweekgate. En hier staat Thomas van Aalten

18 juni 2018 | Reacties 0

Zodra een menigte met een mening zich roert, ben ik op mijn qui-vive. Moet ik tegenwoordig iets ondertekenen voor een hoger doel, dan wil ik met een stofkam door alle materie om zeker te weten waar ik mijn naam onder zet. Ik loop niet mee in marsen en bal in groepsverband zelden de vuist. In het verleden heb ik dat heus wel gedaan; ik heb zelfs ook wel eens een petitie geïnitieerd om bijvoorbeeld Zwart Piet als figuur te verbannen bij de publieke omroep. Afijn.

Ik ben niet gevraagd of benaderd om te tekenen voor de open brief vandaag in NRC die CPNB tot de orde roept vanwege de recente rel rondom de schrijvers van het Boekenweekgeschenk en het Boekenweekessay én het boekenweekthema ‘Moeder, de vrouw’. Ik zou me nu alsnog bij de sympathisanten kunnen scharen - ik ben het voor een groot deel met ze eens - maar er kleeft iets aan wat ik onprettig vind.

Ik heb het literaire landschap en haar gebruiken zien veranderen. Dit jaar kwam mijn schrijverschap officieel tot wasdom. Achttien jaar publicerend auteur, negen boeken gemaakt, vele uitgevers versleten. Elke rimpeling in de letterenvijver bezie ik vanaf mijn eigen post. Ik hoor lekker nergens bij, of het moet mijn fijne uitgeverij Nieuw Amsterdam zijn. Ik vind niet dat er meer boeken zus of minder boeken zo, en dat mannen eens wat minder en vrouwen eens wat meer – dergelijke geluiden komen en gaan altijd weer. Ik vind vooral dat auteurs goede boeken moeten schrijven.

Al enige jaren werk ik alleen maar met vrouwen. De uitgever, de redacteur, de bureauredacteur, de vertegenwoordiger, de persafdeling. Blader ik door de recente aanbiedingscatalogus, dan zie ik een bonte verzameling van mannen en vrouwen, jong en oud, wit en gekleurd, fictie en non-fictie.

Waarom slaan we nu zo aan op het Boekenweekthema 'Moeder, de Vrouw’?  Die hele Boekenweek is natuurlijk een beetje rare folklore (met als dieptepunt auteurs die als NS-conducteurs fungeren). Ja, ik vind dat je met zo'n thema een vrouw moet vragen.

Punt.

Wat me niet zint, is die geur van het warme staal: de geslepen messen. Het thema van een Boekenweek is toch iets anders dan een stelling? De gedachtepolitie draait al volle diensten. Murat Isik, schrijver van het essay, werd op Facebook al tot de orde geroepen. Foto’s van hoofden van CPNB-directieleden werden geplaatst.

Nu willen de brievenschrijvers in NRC het volgende: ‘We doen twee aanbevelingen voor de Boekenweek 2019: Ten eerste dat u – naast het reeds geplande geschenk en essay – gratis een bundel aanbiedt, waarin vrouwen en mannen in essays, gedichten en romanfragmenten aan het woord komen over moeders en moederschap. U zou, ten tweede, ook kunnen overwegen twee essays te laten schrijven over het gedicht ‘Moeder’ van Vasalis, één door een vrouwelijke en één door een mannelijke auteur.’

Lieve deugd. Ze vinden er wel wat van, met z’n allen. Ja, ik vind Jan Siebelink een saaie schrijver, maar niet omdát het een man is - gewoon omdat hij vreselijk schrijft. Ik vond Mensje van Keulen ook een veel betere keuze. Maar omdat ze beter schrijft, niet omdat ze een vrouw is.

Ik gun iedereen veel wijsheid, maar van een ondertekening in een krant (die overigens geen mens jonger dan 30 leest), komt geen revolutie. Schrijf boeken zoals je ze zelf wilt lezen en schrijven. Over honderd jaar kan niemand het meer navertellen.

En wat de Boekenweek, het Boekenbal en het CPNB betreft heb ik een oproep aan alle heren ondertekenaars: geef uw boekenbalkaartje van 2019 per ommegaande aan mij, ik ken vele vrouwen die mee willen. Of, zoals Saskia Noort terecht opteerde: neem allen uw moeder mee.  

 

Starik Staat Weer

8 mei 2018 | Reacties 1


Je stierf toen de vorst er nog eens overheen ging, maar vandaag was het broeierig heet toen het huis leeg moest. Ik was nog nooit in je Kabinet der Rariteiten in de Staatsliedenbuurt geweest, maar wat ik aantrof verraste me niets. Vrouwkje had het meeste voorwerk gedaan, ik had om een taak gevraagd die niet teveel denkwerk vroeg, liefst iets slopen of sjouwen. Het werd een combinatie van de twee.

O, jij F. toch. Veel collega's hadden vandaag ook het loodje gelegd als ze deden wat wij vandaag deden. Bezweet en met rood hoofd sjouwden we de prullaria van de trappen. Eerst naar de kringloop. Ze namen het gedwee in ontvangst, want Vrouwkje had al aardig wat kostuums er naartoe gebracht. De man had juist die middag een cassettedeck geweigerd. We zeiden: man, alles komt terug. Dus nam hij de cassettebandjes ook maar. Crucifixen. Vele crucifixen. Een van de twee kringloopmedewerkers had een fonkelend nieuw gebit. We vroegen waar het afvalpunt was. Aan de Seineweg, zei het gebit. Ik probeerde nog gewiekst de Amsterdammer uit te hangen: 'Heb u weleens aan de Seine geseten?' en wees naar zijn collega.

Ik propte de auto vol met de nog vochtige douchewanden, een vette barbecue met kattenharen, een meubelstuk ter verfraaiiing van de natte cel.

O, jij F. toch. Wat bewaarde je veel. Je keukenkastjes volgeplakt met krantenberichten. Een fitnessapparaat waarvan ik niet begreep waar het toe diende. Reclamecheques met de tekst GEFELICITEERD F. STARIK!!! Vele houten panelen met de omvang van een decorstuk, daarop poëtische teksten en foto's. Ik heb de triplex platen zover kromgebogen tot ze stukklapten met zo'n diep geluid in het trappenhuis. Het klonk als granaten, ik genoot van de decibellen. Pats, daar weer een. Knal. Prijsschieten in Stariks vagevuur.

De winkel in huishoudelijke artikelen op de hoek prees ventilatoren aan. Je zou er bijna een van kopen. Bij het afvalpunt wist Driek je postcode niet, terwijl ik het voor hem had opgeschreven (de bijrijdersstoel was al bezet door een fixeerbak voor de hobbyfotograaf). Hij had geroepen tegen de bediende achter de slagboom: 'Het is van de stadsdichter op de Van Beuningenstraat.' Het was al goed, hij mocht doorrijden.

Tommy heeft eerder al het immense bureau van je overgenomen. Het Franse balkon moest er voor worden verwijderd, vertelde Vrouwkje. Een oudere dame van de literaire salon Perdu kwam nog langs om te grasduinen voor de archieven. Ik zat op de stoep uit te hijgen. 'Mag ik hier mijn fiets neerzetten?' Ze dacht dat ik een van de bouwvakkers was die bij een bouwkeet in de weer waren. Ik zei dat het mocht. De voordeur stond open, maar toch inspecteerde ze het bellenpaneel. 'Ga maar op het rumoer af.' Ze stiefelde naar binnen. Het huis werd leger maar je fantoom was nog voelbaar.

Ik nam een bureaustoel van je mee (ja, Tommy het bureau zelf, baas boven baas), en een streng zelfportret uit vervlogen tijden. Die gaat op het plankje boven de schrijftafel. Starik Staat Weer.

Laatst lag ik in bed en ik luisterde een nummer van Echo & The Bunnymen uit mijn eerste jaar in Amsterdam (eind jaren negentig heette het al een comeback, en twintig jaar later heet het dan nog steeds) en de tranen kwamen.

Het was niet alleen het wegvallen van jou, F., en kunstbroer Menno Wigman, het was het besef van een veranderend decor. Ik kwam als kind naar de stad vanwege jullie soort, en nu moeten we het allemaal zelf doen.

'I want it now
I want it now
Don't tell me that my ship is coming in
Nothing comes to those who wait
Time's running out the door you're running in'

 

Nog Nooit

28 maart 2018 | Reacties 0

Nog Nooit




Nog nooit stak ik vuurwerk af

Nog nooit zat ik op een sport



Nog nooit zag ik The Godfather

Nog nooit cement gestort







Nog nooit kreeg ik een flink pak slaag

Nog nooit snoof ik een gram coke



Nog nooit bezocht ik een voetbalwedstrijd

Nog nooit benieuwd naar ook







Nog nooit vree ik met drie vrouwen

Nog nooit hoorde ik erbij



Nog nooit bezocht ik gelagkamers

Nog nooit maakte ik stampij







Nog nooit reed ik chevrolets

Nog nooit reed ik ze in de prak



Nog nooit een bezwaarbrief geschreven

Nog nooit een vriend in de bak







Nog nooit ben ik afgewezen

Nog nooit besmeurden ze mijn naam



Nog nooit gehangen in de lampen

Nog nooit trof mij enige blaam







Nog nooit een verhaal kunnen publiceren

Nog nooit erkend door de pers



Nog nooit eens lekker van bil gegaan

Nog nooit schreef ik iets pervers







Nog nooit van een slok wijn genoten

Nog nooit ging ik over de schreef



Nog nooit een beste vriend gehad

Nog nooit gebeld waar hij bleef







Nog nooit een kind van een vrouw gekregen

Nog nooit gewerkt voor geld



Nog nooit Jort Kelder voorbij horen komen

Nog nooit door de VPRO gebeld







Nog nooit geslapen op mijn kamer

Nog nooit geweten waar die was



Nog nooit geschuifeld met een dame

Nog nooit geëindigd op een matras







Nog nooit gelogen tegen vreemden

Nog nooit geschreeuwd tegen een loket



Nog nooit iets gejat van minder bedeelden

Nog nooit gestemd op Thierry Baudet







Nog nooit gedroomd van wat ik nooit was

Nog nooit iets geschreven om te huilen



Nog nooit een drama gevoeld in de zomer

Nog nooit een jurk hoeven ruilen







Nog nooit iets kunnen begrijpen van de schone kunst

Nog nooit het graf van een dichter bezocht



Nog nooit getekend voor een petitie

Nog nooit een vuurwerkpakket gekocht

 

(Voorgelezen in de nacht van 27 op 28 maart 2018 op NPO Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen)

Archief

2020

maart januari

2019

november mei

2018

juni