Thomas van Aalten

Nog Nooit

28 maart 2018 | Reacties 0

Nog Nooit




Nog nooit stak ik vuurwerk af

Nog nooit zat ik op een sport



Nog nooit zag ik The Godfather

Nog nooit cement gestort







Nog nooit kreeg ik een flink pak slaag

Nog nooit snoof ik een gram coke



Nog nooit bezocht ik een voetbalwedstrijd

Nog nooit benieuwd naar ook







Nog nooit vree ik met drie vrouwen

Nog nooit hoorde ik erbij



Nog nooit bezocht ik gelagkamers

Nog nooit maakte ik stampij







Nog nooit reed ik chevrolets

Nog nooit reed ik ze in de prak



Nog nooit een bezwaarbrief geschreven

Nog nooit een vriend in de bak







Nog nooit ben ik afgewezen

Nog nooit besmeurden ze mijn naam



Nog nooit gehangen in de lampen

Nog nooit trof mij enige blaam







Nog nooit een verhaal kunnen publiceren

Nog nooit erkend door de pers



Nog nooit eens lekker van bil gegaan

Nog nooit schreef ik iets pervers







Nog nooit van een slok wijn genoten

Nog nooit ging ik over de schreef



Nog nooit een beste vriend gehad

Nog nooit gebeld waar hij bleef







Nog nooit een kind van een vrouw gekregen

Nog nooit gewerkt voor geld



Nog nooit Jort Kelder voorbij horen komen

Nog nooit door de VPRO gebeld







Nog nooit geslapen op mijn kamer

Nog nooit geweten waar die was



Nog nooit geschuifeld met een dame

Nog nooit geëindigd op een matras







Nog nooit gelogen tegen vreemden

Nog nooit geschreeuwd tegen een loket



Nog nooit iets gejat van minder bedeelden

Nog nooit gestemd op Thierry Baudet







Nog nooit gedroomd van wat ik nooit was

Nog nooit iets geschreven om te huilen



Nog nooit een drama gevoeld in de zomer

Nog nooit een jurk hoeven ruilen







Nog nooit iets kunnen begrijpen van de schone kunst

Nog nooit het graf van een dichter bezocht



Nog nooit getekend voor een petitie

Nog nooit een vuurwerkpakket gekocht

 

(Voorgelezen in de nacht van 27 op 28 maart 2018 op NPO Radio 1 bij VPRO's Nooit Meer Slapen)

Weten dat ik godverdomde gelukkig was: F. Starik 1958-2018

18 maart 2018 | Reacties 1

‘Langs de Kostverlorenvaart / zag ik het schip Ambitie varen.’

Wanneer was dat, dat ik mijn vrienden vertelde dat ik een krankzinnige vogel had gezien?

Twintig jaar geleden misschien. Hij noemde zichzelf Starik, of F Punt Starik. Hij had een sik als een sater, zijn haren waren de hoorns. Deze Starik had het in zijn voordracht herhaaldelijk over een simpele ziel. Als Starik voordroeg, was het of je eerst een matig geolied scharnier hoorde piepen, om daarna loos te gaan als een loeiende misthoorn. Dat lichaam van een bidsprinkhaan.

Veel te bidden viel er niet.

Die kostuums met markante dessins, de puntige schoenen, de choker: als je niet beter wist, speelde hij de grote trom in een optocht van Fellini. Dat is natuurlijk fraai voor het publiek, maar het ontroerende was dat daar een zachtaardig heerschap in school, geen krijsende aandachtspatiënt of pierrot met een te lange gebruiksaanwijzing. Wie de poseur Starik afpelde, vond de Frank – maar ze hoorden bij elkaar zoals Iggy Pop bij James Osterberg hoort.

De eerste keer dat we elkaar ontmoetten, moet in Utrecht op een festival zijn geweest. Het was een evenement met literatuur en popcultuur; ik speelde in een band, Starik ook, of hij las voor – ik weet de samenstelling niet geheel meer. Wel weet ik dat Zwagerman ook zou komen, maar die kwam niet. ‘Zal ik hem bedreigen?’ vroeg een collega, wiens naam ongenoemd blijft, in alle ernst.

We troffen elkaar vaker toen we bij hetzelfde fonds belandden van Uitgeverij Nieuw Amsterdam. We hebben beiden menig directeur en redacteur overleefd, maar bleven zitten. We deelden de zorgen, maar wisten ook: hier stonden we in het veld, elders zaten we op de bank. De afgelopen jaren waren we allebei zeer tevreden met uitgever Janneke Louman en haar discipelen. 

We scheelden weliswaar twintig jaar, maar Starik was meer geboeid door het heden dan dat hij zich op de kippenborst roffelde om te tonen wie hier nu al decennialang de bohémien was. Zijn kracht zat in het vooruitkijken en het relativeren, niet in het gekweld omzien. ‘Ach ja, de Maximalen,’ (de dichtersgroep waar hij ooit toe behoorde) ‘moeten we het daar nu over hebben? Nee, dan liever het nieuwe werk, mensen.’

Ik ben als liefhebbende collega ingestapt in dat nieuwe werk. Hoewel Stariks werk misschien het best tot zijn recht komt wanneer het voorgedragen wordt door de nachtpredikant zelf, was ‘De Gastspeler’ (2009) mijn eerste officiële kennismaking met zijn werk dat ik als lezer in plaats van toehoorder tot me nam. Geestig, lichtvoetig maar melancholisch proza waarbij de protagonist zich beweegt tussen kamer met teevee en een winkel in huishoudelijke artikelen.

Die observaties zag je eveneens gefilterd terug in zijn Facebookupdates. Bij Starik geen communiceren met vlammenwerper of pijporgel. Stariks woorden gingen nooit uit de bocht, en anders was er altijd wel weer een sussende opmerking over een kleefpasta, ringmap of aquarium. Letterkundige professoren kunnen hun hart ophalen als ze het verdoemde Facebookplatform uitpluizen: het is een tijdmachine, daar zijn de doden nog in gesprek.

Op het Nieuw Amsterdam-jubileumfeest afgelopen zomer zag hij er frisser en vitaler uit. De tabaksinname scheen drastisch teruggebracht, het alcoholpromillage evenzo. Hij sprak over zijn zoon, ‘Majoor’ Boris. Hij had bij een afstudeerpresentatie gezeten en wat had die kritische docent van hem een grote bek. ‘Dat is toch niet normaal, Thomas?’

Nee, dat was ook niet normaal. Maar dat een paar maanden later de kaarten er zo bij lagen, nog minder.

MAJOOR

Mocht ik morgen doodgaan
of nog vandaag, weet dan
dat ik godverdomde gelukkig was
met jou, mijn zoon, mijn lief
mijn katten en mijn vissen
met mijn planten, met het loodzware bureau
vol lampen en de vaas met gevangeniswater erop
waarin ik dingen heb geschreven
en dit schrijf, voor de boekenkast gezeten
weet dan dat ik godverdomde gelukkig was
dat ik mocht zijn
wie ik ben geweest
straks
zal ik op de bank gaan liggen
en de ouwe beer Bukowski lezen
die in zijn laatste bundel
uitgebreid en op zijn gemak uit sterven gaat
veel ouder dan je op grond
van zijn levensstijl zou verwachten
en ook ik tartte mijn lot
maar wat mijn lot ook moge wezen
straks
zal ik op de bank gaan liggen
weten dat ik godverdomde gelukkig was.

Vannacht droomde ik iets maar ik weet niet meer precies wat –
het hield het midden tussen droom en herinnering: en het mooiste is
het kan me niet schelen of het nog terugkomt of dat dit het was.

Ik weet nog, Thomas, dat mijn Majoor geboren werd
dat ik hem voor het eerst – in tranen – zag
en wist dat hij de mijne was.

En tegelijk de verschrikkelijke gedachte
dat hij net zo ongelukkig zou zijn
als ik heel lang was, hoeveel werk het ook voor hem zou wezen
om te leren in vrede te leven met wie je bent en wie je was.
En ik weet nog dat ik geen idee had
wat ik met dat ventje aan moest, ik begreep niet
waarom hij huilde, ik wist alleen dat er geen troost is.

En ik wist
dat ik geen vader wilde zijn
van het soort
waarvan je je levenslang zult moeten bevrijden
omdat hij zichzelf niet was
en jij
jij
niet mocht zijn.

F. Starik

Afkomstig uit de bundel ‘Staat’ (2014), Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Het is geen ijdelheid dat hierboven de naam Thomas valt: die naam keert steeds terug in die bundel en scharen we onder het verschijnsel toeval.

TIP: Menno Wigman en F. Starik samen geportretteerd (ook video) op de website van fotograaf Klaas Koppe.

Archief

2018

juni mei maart februari

2017

oktober september juli januari