Thomas van Aalten

Over Ruimte van Walter van den Berg

21 september 2020 | Reacties 0

 

Het was de generale repetitie van de laatste zomeravond, morgen kan het nog een keer, als ik de voorspellingen mag geloven. Ik liep terug van de Slotermeerlaan naar mijn huis, niet ver van de Sloterplas. Ik had gegeten bij een van die tentjes aan de laan. De eigenaar verstond nog niet de taak van het ondernemen, hij scheen niet te springen om klandizie of fooi. Misschien gebeurt dat wel nooit. Ik las in het Parool een reportage over de afgebrande kringloopwinkel Rataplan, aan het August Allebéplein. Ik durfde zelf nog niet te kijken naar de restanten van wat voor  omwonenden een functie van IKEA, boekwinkel, Bijenkorf én clubhuis vormde. Ik had net een uurtje Ruimte van Walter van den Berg uit.

Onze beide romans komen toevallig rond deze tijd uit, en beide boeken spelen (deels) in dit stadsdeel: Amsterdam Nieuw West. Dit stuk gaat niet over mijn boek, maar over het zijne. Walter en ik hebben een band met de buurt, maar onze band kent tegengestelde aanhechtingen. Hij groeide hier op tussen semi-hoogbouw en winderige pleinen, terwijl ik er juist als vader neerstreek. Hij woont nu aan de andere kant van het land tussen dijken en rivieren, een landschap dat ik als geboren Huissenaar maar al te goed ken.

Opvallend veel jonge mensen strijken neer in dit rurale gebied. Verrassender dan Osdorp, ongepolijster dan de Baarsjes. Dezelfde kringlooptrui die de Canta-bestuurder heeft omdat hij niet veel meer kan besteden, wordt hier (al dan niet ironisch) ook gedragen door de genderfluide ZZP'er met zijn/haar guerilla moestuin. Urban chic, heet dat geloof ik. Soms vind ik het lijken op onderklassesafari, je moet daar mee uitkijken. (Ik houd oprecht van de Lidl zónder erom te lachen, dat is iets anders, vind ik).

Over Ruimte dus. Tijdens mijn wandeling naar huis moest ik denken aan het nummer Wide Open Space van Mansun, een band uit Chester waar ik fan van raakte toen de koek bij Suede opraakte tegen het einde van het decennium (inmiddels is dat ook weer omgedraaid). Het gevoel dat de tekst van het nummer opriep – diepgevroren cynisme om mee te zingen – is hetzelfde gevoel dat Ruimte bij mij oproept.

I could be back at my house, for I care
They do not hear me, it's the same old case

Niet dat Walter een cynische schrijver is, of dat je het een cynisch boek kunt noemen. Laat het me uitleggen.

We volgen in Ruimte de jonge Wesley, die, min of meer ten prooi gevallen aan de onhandige keuzes van zijn onoplettende moeder, steeds lege ruimtes moet opvullen. De leegte die zijn overleden vader achterliet. De leegte die de foute vrienden achterlaten. Geld dat er niet is. Tijdelijke huizen. Wesley en Dimphy zijn nomaden en eigenlijk zijn er maar weinig plekken waar ze hun hoofd kunnen laten rusten. Voor je het weet staat ex Erik weer voor de deur, al dan niet in een caravan op de parkeerplaats. Om die leegte het hoofd te bieden, is Wesley het kraakbeen tussen de wereld van zijn moeder en de wereld daarbuiten.

Parallel aan de gebeurtenissen van de jonge Wesley lezen we over het leven van de volwassen Wesley. Hij is inmiddels succesvol in het creëren van ruimtes die niet tastbaar zijn; Wesley schrijft code voor computerspellen. En Wesley schreef een zelfhulpboek waarin hij predikt weer de ruimte op te eisen. Hele zalen vol onzekere jongens spreekt hij toe, maar zijn neergang zet in na een ongemakkelijk moment op de nationale televisie in het programma Mr. Daily. (Laten we zeggen, een variant op De Wereld Draait Door).

Als in Don Delillo’s Cosmopolis brengt de volwassen Wesley pagina’s lang door op de achterbank van een taxi die de stad doorkruist, terwijl hij zijn eigen ondergang digitaal volgt op de smartphone. Waarom de ondergang is ingezet, zal ik hier nu niet verklappen.

Walter van den Berg heeft met Ruimte een vervolg geschreven op zijn roman Van dode mannen win je niet, al moet ik bekennen dat ik dat boek niet las. Ik begreep uit een interview dat ik de boeken prima los van elkaar kan lezen. Het zal bij de lezer die onbekend is met een van de boeken, ongetwijfeld een aanzuigende werking hebben op de andere titel.

Walters schrijfstijl is zoals de straten van Slotervaart, daar kan geen Land van Maas en Waal tegenop. Staccato, zonder opsmuk, wat koud maar duidelijk. En in al zijn tragiek en teleurstelling roept hij bij mij ook ontroering op.

Achterin het boek richt de schrijver zich tot de lezer middels een disclaimer; als je nadenkt over zelfmoord, zoek dan hulp. Alleen daarom is Van den Berg geen cynische schrijver, en het boek is evenmin cynisch – de wereld die erin beschreven staat, is dat absoluut, tot op het nihilistische af.

I'm in a wide open space, I'm staring
There's something quite bizarre I cannot see.

Ruimte verschijnt deze maand bij Hollands Diep.


Je zal maar doodgaan en nooit een Gretsch hebben gehad. Was getekend, Allard J.J

14 september 2020 | Reacties 0

In februari 2020, een paar weken voor de Corona-crisis (wat haat ik dit om op te moeten schrijven, vermoeiend steeds), spreek ik Allard Jolles, afdelingshoofd bij het Rijksvastgoedbedrijf en in een vorig leven actief als muzikant. Althans, daar ging ik vanuit. Ik ben dan al driekwart jaar spaarzame vrije uren aan het volplannen met interviews voor mijn boek over The Fatal Flowers, (dat in april 2021 verschijnt bij JEA Publishers). Allard was de eerste drummer en medeoprichter van stadgenoten Claw Boys Claw, en later gitarist-zanger bij L’Attentat. Dankzij Jolles’ vrij goede geheugen heb ik veel aan zijn bespiegelingen van de muziekindustrie in de tweede helft van de jaren tachtig. Bijzonder is dat hij ook zijn eigen muzikale carrière nogmaals laat oplaaien. Niet zonder reden.


Als ik Allard ontmoet op die druilerige vrijdag in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam, zijn we de eerste en enige bezoekers. Een dame haalt nog een vaatdoek over de tafeltjes, wij moeten nog even wachten tot de grote glazen deur open gaat. Aken en ponten schuiven op de achtergrond langzaam voorbij. Allards schedeldak is grijs en zacht, donsachtig. Ik vermoed aanvankelijk dat een loopbaan bij het Rijksvastgoedbedrijf hem de wilde haren moet hebben ontfutseld en hem in een kleurloos ambtenarenuniform heeft gedwongen. Niets blijkt minder waar. Ik zeg dat mijn vriend en collega Robert Lagendijk hem ooit de godfather van de Amsterdamse rock ‘n’ roll noemde. ‘Zegt hij dat? Hij mag mijn ring kussen.’ Hij trekt zijn leren jack uit en legt hem over de stoel.

Als producer is Allard Jolles eind jaren tachtig actief voor Belgische bands als Paranoiacs en The Slumbers, in Amsterdam produceert hij The Rumble Cats en zijn ‘eigen’ Claw Boys Claw: het album Hit Killers had Allard achter de schuiven. En dan is er na al die jaren een album, Uncovered, waarop Allard zelf zingt en speelt als Allard J.J. Nummers van pakweg 3 minuten, niet te ingewikkelde akkoordenschema’s, een beat als de cadans van een Newyorkse metro en een wat nasale stem die teksten voordraagt die teruggrijpen op het afgelopen jaar, zoals het nummer 'IV Bag' (Infuuszak). Allard is ziek.

'Hoe het nu gaat? Tja. Ik moet niet te vroeg beginnen en niet te lang doorwerken. Soms denk ik: waar zit ik nou weer over te praten? Dus dan slik ik maar braaf die pillen en probeer zo leuk mogelijk de dag door te komen. Ik ging maar eens slide-oefeningen voor gitaar op YouTube opzoeken. Ik ben nog eens mijn oude teksten gaan lezen en ben zo weer nieuwe dingen gaan schrijven.’

In mei 2020 hebben we weer contact; de medicijnen slaan gelukkig goed aan. De lockdown werpt vooralsnog geen barrieres op. Zijn muziek brengt Allard uiteindelijk in augustus uit op zijn eigen label. Zelfs een vinyl-editie van Uncovered zit eraan te komen. Het is een wrange bijkomstigheid, de ziekte die hem de creativiteit heeft (terug)gebracht. Hoogtepunt op het album is het nummer ‘Novelty Value’, wat door zijn glamrock-geluid niet zou misstaan in het oeuvre van Hello (van wie het aanstekelijke ‘New York Groove’ vaak wordt toegekend aan Kiss-gitarist Ace Frehley, dit terzijde).

Van de 14 nummers heeft het soms een wat hoog gehalte ‘ribs, beer & burgers’ qua bluesrock, maar op zijn best heeft het die prettig chaotische riot city blues en dat morsige ZZ Top-geluid waar je je cool kunt behouden, ongeacht het type carrosserie waarmee je je voortbeweegt op de rijkssnelweg. De teksten zijn soms reflectief en volwassen, maar de rechttoe-rechtaanrijm is zelden ver weg:

Feeling good while in transition

Feeling good while walking around

Feeling good while in this city

Feeling good without a sound, oh yeah

Een imaginair tochtje door New York vanuit het (ziek)bed? Allard J.J. leidt u de weg in 'Urban Groove'.

Het eerder genoemde ‘IV Bag’ en ook single ‘Pelicans’ doorstaan de lakmoesproef: geen tragische stuiptrekking van de grijsaard die zo nodig nog eens rockmuziek moet maken, maar een schoolvoorbeeld die de tieners en twintigers in de garage laat zien hoe het moet. ‘Je zal maar doodgaan en nooit een Gretsch-gitaar hebben gehad! Ik heb er direct twee gekocht. Een zo’n Mississippi-ding en een rockabilly-model.’

De smeerolie moet in je oren zitten, waar het zich vermengt met bloed. Dan heb je het goed gedaan. Allard J.J. deed het goed met Uncovered met hulp van Frans Hagenaars, John Cameron, Jeroen Kleijn, Hans ten Velden, Paul Geelen en anderen. Luister hier naar Allard J.J.

Archief

2020

oktober september juni maart januari

2019

november mei