Thomas van Aalten

Individualisme als asbest van de tijdgeest

28 mei 2019

Wie de afgelopen jaren de essays en (gast)columns en polemieken leest, actualiteitenrubrieken kijkt en luistert en debatten aanhoort, ontwaart iets interessants. Het Ik-tijdperk, vrucht van de jaren zeventig, is definitief voorbij. Individualisme is een doodzonde geworden, we moeten weer ouderwets kampen kiezen. Een interessante maar ook gevaarlijke ontwikkeling. Het gaat immers niet meer om het wat, maar om het wie. Elke uiting moet eerst langs een morele ballotagecommissie. Het individualisme, niet per se tot een groep of generatie willen behoren, is het asbest van de tijdgeest.

Ik las onlangs het essay van Sarah Sluimer “het failliet van de cynische, nihilistische Generatie X”, de postmoderne stroming van hen die in de jaren van de Koude Oorlog werden geboren. In haar essay beschrijft Sluimer het failliet van Generatie X (waar ik volgens de statistieken van geboortedata al bij hoorde, en omdat ik nat achter in de toen nog offline oren in 2000 debuteerde als romanschrijver er nog veel meer bij hoor). Sluimer: ‘Nixers zijn postmodernisten die wél heel veel kunst produceerden, maar wier thema’s zich beperkten tot verveling, geen geloof in de toekomst, weerzin jegens engagement of waarheid, liefde voor harteloos stemmende drugs, gebrek aan bestemming, ambitie of levensvreugde. En vooral: de volledige intellectuele en daadwerkelijke ruimte voor witte mannen om zich op hun eigen voorwaarden dan weer klagend of miskend, dan weer door agressie gedreven, arrogant of blasé door het leven te slaan.’

Moest ik me nu aangesproken voelen? Ik stuurde het artikel door naar een jongere collega – een millennial – met als vraag: wat is nu het punt dat Sarah Sluimer probeert te maken? De millennial vond wel degelijk dat Sluimer een punt had. Veel werd volgens haar beïnvloed door het cynisme van de Gen X-er (in Nederland werd deze stroming overigens gereduceerd tot Generatie Nix). Het is natuurlijk de kramp van elke generatie: altijd afgeven op de generatie voor je en huiveren voor de generatie na je.

Goedbeschouwd is de generatie Nix als sociologisch verschijnsel een uitwas van de nihilistische punkgolf uit de jaren tachtig, alleen dan in het felle licht van globalisering en paarse jaren. De bom viel niet, de Russen kwamen niet, het was nog erger: commerciële televisie en internet kwamen. In die zin kan ik me er nog wel mee verwant voelen. Sluimer haalt zelf uit tienermelancholie een songtekst van The Pixies aan, een van de vermaledijde toortsdragers van de vermoeiende jaren negentig. Ze had ook voor Nirvana kunnen kiezen (nog erger). Zelf houd ik het liever bij de typische Gen X-band Depeche Mode uit de jaren tachtig (het nummer ‘Nothing’ uit 1987):

Life
Is full of surprises
It advertises
Nothing

Of The Jesus and Mary Chain (‘The Living End’, 1984):

And I'm in love with myself
There's nothing else but me
And an empty road

Volgens Sluimer bracht Generatie X niets meer dan inmiddels achterhaalde kunst, boze witte mannen en complotdenkers. ‘X’ers zijn mensen die continu anderen verwendheid aanwrijven, terwijl ze als kleine Nero’s elke kans op zelfinzicht en vooruitgang in de wind slaan om zo, als inmiddels blinde, op hol geslagen paarden tegen muren en deuren te lopen.’

Waar kwam de grote Ik nou eigenlijk vandaan? Onder redactie van John Jansen van Galen verscheen bij het kerstnummer van HP/De Tijd een kroniek uit met de veelzeggende titel Het Ik-Tijdperk, in navolging van Tom Wolfe die ‘The Me-Decade’ schreef. Nota bene de latere beroepsquerulant Joost Niemöller schreef voor De Groene over het verschijnsel Ik-tijdperk eind jaren negentig een stukje erover: ‘De trauma’s van Watergate en Vietnam waren nog maar vijf jaar jong, men leed onder de zwakke president Carter en een blamerend Iraans gijzeldrama. Er was nog geen Golfoorlog gewonnen. Gemeenschappelijke belangen leken verdwenen, dus trok men zich terug in het eigen ego.’ Tussen 1960 en 1980 kwam het ego tot grote hoogte.

De Amerikaanse schrijver Bret Easton Ellis is misschien een van de bekendste X’ers, en Sluimer interviewde hem onlangs tijdens het Brainwash-festival naar aanleiding van diens essaybundel White. Al enige jaren kwam er uit Ellis’ koker weinig opzienbarend. Imperial Bedrooms (in 2010 verschenen in het Nederlands als ‘De figuranten’) was een vlakke, dunne roman; hij schreef in 2014 nog een scenario voor The Canyons, een ‘neo noir’-film van Paul Schrader met o.a. Lindsay Lohan die weinig hoge hogen gooide. Hij maakte een podcast, twitterde wat links en rechts, maar het staat qua impact en relevantie in de schaduw van zijn romans die hij in de jaren negentig publiceerde (waarvan American Psycho de beroemdste en meest controversiële) en die ik als tiener en twintiger gretig las.

En toen was daar anno 2019 White. De hippe jongen van 1990 is immers de senior van 2020. Een reeks essays over film, literatuur, homoseksualiteit, de huichelachtige situatie in Hollywood en ‘identity politics’. Waar Ellis een broertje dood aan heeft, is het slachtofferschap van gemeenschappen. En dat tekent volgens Ellis precies het verschil tussen zijn (of ‘onze’, zoals u wilt) en de generatie erna: voortdurend bezig zijn met wie of wat er wel niet tegen ons is.

This is an age that judges everybody so harshly through the lens of identity politics that if you resist the threatening groupthink of ‘progressive ideology,’ which proposes universal inclusivity except for those who dare to ask any questions, you’re somehow fucked. Everyone has to be the same, and have the same reactions to any given work of art, or movement or idea, and if you refuse to join the chorus of approval you will be tagged a racist or a misogynist. This is what happens to a culture when it no longer cares about art.

En daar heeft Ellis volgens mij een punt. Ik wil niet vervallen in de retoriek van ‘je mag ook niks meer zeggen’, maar het individualisme, een van de grootste verworvenheden van de naoorlogse maatschappij, heeft op veel terreinen verloren. Je mag niet afwijken, of de messen worden geslepen. Daarmee bedoel ik niet dat ik ga janken dat ik met mijn diesel niet meer de stad in mag of dat ik Zwarte Piet wil behouden, dat homo’s niet mogen trouwen en vrouwen minder moeten werken. Dat zijn relikwieën uit het stenen tijdperk.

Nee, het zit ergens anders. Individuele uitingen worden met argusogen bekeken: wie wordt er mogelijk door jou beledigd, wie wordt hier misdeeld? En dat is waar de essays, columns en talkshows over gaan. Nergens bij willen horen kan niet. Het is de asbest van de tijdgeest. Je móet stelling nemen. De ballotagecommissies en gedachtepolitie staan ter linker- en rechterzijde klaar om je de oren en ogen te wassen. Lieve help, kun je zo nog schuldeloos naar kunst kijken zonder de bril die je door derden wordt aangemeten? 

Ik las een dubbelinterview in de Volkskrant met wetenschapper Nadia Bourias en schrijver Abdelkader Benali over racisme en de bestrijding ervan:

Benali: ‘Op de lange termijn maakt de antiracismebeweging zich er kwetsbaar mee. Rechtse krachten kunnen identiteitspolitiek tegen je gebruiken. Ze kunnen zeggen: jij bent een Marokkaan, je voorouders hebben slaven gedreven, in Marokko is ook racisme, waarom zou jij een platform moeten krijgen om te praten over de situatie van Marokkanen in Nederland?’ Met harde stem: ‘Nee, nee, nee, jij mag niet praten.’

Bouras: ‘Nu trek je het in het belachelijke.’

Benali: ‘Dat doe ik niet, dit is wat er gebeurt.’

Ik vond het interessant, en mooi hoe Bouras het op sommige punten met Benali oneens was, om vervolgens toch tot dezelfde hoopgevende conclusie te komen. Zou je zeggen. ‘Wat hij zegt zou zo uit de mond kunnen komen uit een witte zogenaamd progressieve babyboomer die ook het gevoel heeft dat zij of hij gepasseerd is,’ zegt activist Quinsy Gario op zijn blog Roet In Het Eten.

Kijk aan. Abdelkader wordt zo de aap van de orgelman: zit stil en doe wat we zeggen, o wee als je iets beweert dat zich buiten de lijntjes bevindt. Of, in Ellis’ woorden: if you resist the threatening groupthink of ‘progressive ideology,’ which proposes universal inclusivity except for those who dare to ask any questions, you’re somehow fucked.

Het enige dat ik wél zeker weet, is dat we het over een eeuw allemaal niet kunnen navertellen. Tot die tijd hoop ik vooral nergens bij te horen. Ik ben van mezelf. Ik voel me meer verwant met mijn genderbendende millennial collega dan met de door Sarah Sluimer aangehaalde Gen X’er Giel Beelen; dit heeft met generaties niets te maken, wel met individuele voorkeuren.
Maar misschien is dat de nihilist in mij.

 

Reacties (0)

Reageer

  1. Het email-adres wordt niet getoond
  2. Neem het nummer over:

Archief

2019

november mei

2018

juni mei maart februari