Thomas van Aalten

Kunstbroeder Menno Wigman

1 februari 2018

Ik was geen vriend van Menno. Vrienden worden gebeld bij overlijden, vrienden weten dat het menens is omdat hij op de Intensive Care ligt, vrienden spreken elkaar wat vaker dan nu en dan in het publieke domein. Laten we onszelf dan in godsnaam Kunstbroeders noemen, hoewel ik me eerder de domme August waande. Menno was de echte artiest.

In ’99 werden we samen uitgenodigd op een avond van literair tijdschrift Passionate in Rotterdam. Beiden hadden we gepubliceerd in het genoemde blad en eerder schreven we ook voor literair tijdschrift Zoetermeer. Maar komaan, hij had echt ook een uitgever, hij had bewijs. Ik had slechts een voorgevoel van een uitgever. (Overigens, in zijn gedicht 'Nachttrein' in de laatste editie van Zoetermeer (1997) had een zetfout gestaan: ‘moeder’ stond per abuis als ‘moedeer’ geschreven ('Heeft daar een moedeer in geloofd?'). Ik dacht dat het zo hoorde, een eer die moedig was, want je wist maar nooit met dichters. Het gedicht 'Nachttrein' kwam later - uiteraard correct met 'moeder' - in Wigmans debuutbundel 's Zomers stinken alle steden).

Zijn wijze van voordragen en de onderwerpen waar hij over schreef, zaten in dezelfde hoek als de songs van menig new waveband die ik bewonderde. Menno was zelf niet onverdienstelijk drummer. Hij begon er wel eens over dat we een new waveband moesten vormen. Ha, archaïsten, hikkend tegen de millenniumwende.

Die avond was er ook ene Ward Wamsteker die een ‘performance’ uitvoerde, iets met beweging en audio. Ik weet niet meer of het ter ondersteuning was van Menno’s woorden, die eigenlijk niet dat soort omlijsting nodig hadden. Hoorde je Menno voordragen – of het nu in tochtige zaaltjes of stemmig op de radio was – dan spitste je automatisch de oren.  

We belandden uiteindelijk rozig op de achterbank van deze Ward Wamsteker, want zo zijn kunstbroeders altijd: met de handen verontschuldigend in de lucht roepen dat je geen rijbewijs hebt, en de nachttrein gaat pas over een uur, maar je rijdt gráág mee.

Ik woonde nog in een studentenflat in Amstelveen. Een paar dagen later rinkelde de telefoon op de gang: het was Menno. Hoe het met me ging? En wat een gekke avond het was geweest. Had ik niet toevallig het nummer van mijn blonde studiegenoot die ook mee was in Rotterdam?

We kwamen elkaar tegen op borrels, concerten en partijen. Afspreken deden we nooit. Een dichter van zijn kaliber kwam nogal eens ergens; op Facebook, de postgiroblauwe dorpspomp waar Menno dan weer wel en dan weer niet verscheen, zag ik de afgelopen uren persoonlijke herinneringen en foto’s van mensen die op enige manier iets met hem van doen hadden. Menno Wigman is niet alleen een geliefd dichter, maar ook een innemende, zachtaardige passant. Iemand die altijd even binnen kon komen, het jasje gedragen over de zwarte coltrui, het glas rode wijn bij de hand - hoewel hij dat later noodgedwongen stopte. Ik reken terug: jezus, toen ik hem leerde kennen was hij pas 32 jaar oud. En toen al kon je hem uittekenen in de klassieke snit.

Hij kon het ook vreselijk moeilijk hebben. Een depressie. Angst voor lichamelijk verval, het leven zelve. Zijn lichamelijke conditie. In de zomer van 2016 hadden we nog contact omdat ik meer wilde weten over zijn nooit afgeronde bundel ‘Valse Tongen’, een ‘veldslag van 750 regels’ over Bernward Vesper en de Rote Armee Fraktion. De bundel is ooit aangekondigd, heeft zelfs een ISBN-nummer en staat als fantoom nog op bol.com. Een paar maanden eerder had ik hem weer eens gesproken op een borrel waar ik ook zijn geliefde en talentvolle Diana Scherer ontmoette. We hadden het over de Rote Armee Fraktion en de plannen die ik had voor mijn boek. Ik wilde weten waarom 'Valse Tongen' nooit was verschenen. Menno schreef me later: “’Dichters zijn luie schrijvers', zeggen ze wel eens, en zeker nu moet ik erkennen dat daar iets van een waarheid in zit: hoe hard ik altijd ook gewerkt heb, het is niet te vergelijken met de titanenarbeid van romanciers. Er is na mijn laatste bundel eigenlijk niks fatsoenlijks meer uit m'n handen gekomen. Ik vind poëzie vooral onzin, ja, ik geloof er niet meer in. Dat is verschrikkelijk -- vooral voor mij. Enfin, zo staan de zaken ervoor.’

We vergeten nogal eens ‘bij leven’ te zeggen hoe we iemand waarderen. We raken pas complimenteus bij het omzien en het afscheid, maar ik heb hem meerdere keren hardop en schriftelijk verteld hoezeer ik van zijn werk houd. Poëzie is meestal ook onzin, totdat een dichter zoals hij het opschrijft. Gisteravond bij de uitreiking van de Turing gedichtenwedstrijd in Met Het Oog Op Morgen, roemde de winnaar nog Menno Wigman als inspiratiebron.

Ik ga ons sporadisch samenzijn in menig decor missen. Hij was een van de eerste kunstbroeders die ik ontmoette. 'De dood verzint van alles, maar niet dit.' (Menno Wigman, 1966 - 2018).

Menno en zijn geliefde Diana Scherer. De foto is overgenomen van het 'avondlog' van Wim Noordhoek. Ik hoop niet dat Wim een advocaat op mijn dak stuurt. Menno en Diana maakten samen de bundel 'De vrede moe' (2013), gebaseerd op politiefoto’s van lijken uit 'Moord in Rotterdam' (1994) en foto's van de New Yorkse misdaadfotograaf Weegee.

 

Reacties (3)

  1. Jaap | 01-02-2018 23:24
    Mooi stuk. Dank.
  2. Gerard Veldman | 02-02-2018 06:58
    Prachtig geschreven, puntig en zacht tegelijk.
  3. louis behre | 02-02-2018 12:32
    Verdomd goed stuk Thomas.

Reageer

  1. Het email-adres wordt niet getoond
  2. Neem het nummer over:

Archief

2018

juni mei maart februari

2017

oktober september juli januari