1 oktober 2008
Mijn overgrootvaders waren schilders. Zij waren constructivisten en futuristen, jaren later vanuit het verre westen opgejaagd door hard boiled detectiveschrijvers van de crime novels uit de jaren ’30 en ’40, die me lieten slapen bij een Franse oudoom genaamd Camus, die twee wijnboeren op zijn land had: Hermans en Reve. Ik dronk van de wijn en luisterde naar mijn bedeesde Amerikaanse grootvaders John Fante, John Cheever en Raymond Carver. Een paar jaar later kreeg ik vaderlijk advies van Haruki Murakami, Don Delillo en Bret Easton Ellis.
(Eerlijk toegeven, Wim T. Schippers woont in de straat en logeert wel eens op de canapé als Fred Haché weer eens een klapsigaar opsteekt.)
“Hij zoende haar op de mooie rechte, maar fragiele brug van haar neus, die op instorten stond.”
“Boven de Laan van Meerdervoort werd de lucht donker en de wind rook naar de regen, die begon te vallen. Marc Cordesius voelde een welzijn en verwachting die hij in lang niet gekend had.”
Twee fragmenten uit de nieuwe roman van Jan Siebelink, Suezkade (sept. 2008). Een neus die op instorten staat? Een welzijn en verwachting voelen?
Afgebeuld en afgeblaft door collega's, docenten, redacteuren, recensenten en andere literatoren, weet ik zelfs als Benjamin van de letteren na bijna tien jaar schrijverschap dat overbodige metaforen en verfomfaaide uitdrukkingen buiten de kunst gehouden moeten worden.
Waarom strooit senior Siebelink dan wel zo kwistig met dergelijke rariteiten, en verkoopt hij ook nog veel?
2012
april februari januari2011
november september juli juni mei april maart februari januari2010
november oktober september augustus juli juni april maart februari2009
december november oktober september augustus juli juni mei april maart februari januari2008
december november oktober september augustus juli juni mei april maart januari2007
december november oktober september april februari januari2006
december november oktober juni mei maart januari2005
november oktober september augustus juli juni mei