Thomas van Aalten

Zeik niet zo over de jeugd, zorg voor meer boeken

28 oktober 2020

Als u in een Parijse metro zit, zult u meer lezers van papieren boeken aantreffen dan in een Amsterdamse metro (u kunt het helaas nu even niet controleren). ‘Meer’ is niet zo moeilijk. Ik denk dat er maar weinig mensen als vlot tijdverdrijf tussendoor een boek pakken. Degeneratie! Devaluatie! We vinden dat we boeken en het geschreven woord moeten koesteren. Dat is van alle tijden. Wil je lezen hoger op de agenda krijgen dan moeten er nu eenmaal boeken zichtbaar zijn in het publieke domein.

Wat zie je het eerste als je een school binnenwandelt? De kantine. Niet een bibliotheek. Natuurlijk, er is een verschil tussen boeken en leescultuur. In Nederland zijn we dol op mascottes die de leescultuur moeten bevorderen, tot aan het tragische voorbeeld Famke Louise aan toe: ze mocht bij talkshow M aanschuiven als gezicht van Stichting Lezen om de gewraakte ontlezing onder jongeren in Nederland te bestrijden. Dat is Nederland: battles en challenges. Weet ik ook een leuke weddenschap. Als ik in de metro een groep schoolgaande jongeren de keuze voorleg: 20 euro aan gefrituurde kip of 20 euro aan boeken, wedden dat ze dan het eerste kiezen? Veel, vet, herkenbaar.

Mag ik dan eerst even vragen waarom we lezen toch zo belangrijk vinden, en waarom de discussie steeds oplaait? Al vanaf de tweede helft van de 20e eeuw horen en zien we onheilsberichten over ontlezing. Begin jaren 90 luidde de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond de noodklok dat lezen steeds meer iets van een elite werd. ‘Tussen hen en de mensen die niet lezen dreigt een echte cultuurkloof te ontstaan. Van de jongeren tussen twaalf en negentien jaar vindt nog maar 7 procent het lezen van boeken een acceptabele tijdsbesteding,’ aldus de Volkskrant op 28 juni 1993.

Recentere resultaten van het Sociaal en Cultureel Planbureau: ‘Het aantal tieners dat wekelijks minstens 10 minuten aaneengesloten leest is enorm gedaald […]. In 2006 las nog 65 procent thuis af en toe een boek. In 2016 was dat 40 procent.’

Met een beetje ironie en nattevingerwerk zou je kunnen zeggen dat de jongeren uit de jaren 90 wel meer lazen, maar het alsnog geen acceptabele tijdsbesteding vonden.

Het Limburgsch Dagblad publiceerde op 5 maart 1970 resultaten van een onderzoek naar tijdsbesteding van jongeren in Heerlen anno 1970: een derde las helemaal niet, 6,4 procent van de ondervraagden las zeer veel (meerdere boeken per week).

De hoogbejaarde (en in 2005 overleden) Veluwse schrijver Jacob Overeem probeerde ooit de jeugd ‘van de straat te houden’, met verschrikkelijke boeken tot gevolg. ‘Het moet thuis zo gezellig zijn dat de jongelui geen behoefte hebben om naar de disco te gaan,’ vertelde hij op 11 september 1993 tegen het Reformatisch Dagblad. ‘lemand die niet leest, is net een koe in de wei: die vreet alleen maar gras en doet verder niets. Maar als ik dan halverwege zo’n boek over homoseksualiteit en dat soort dingen lees, sla ik het boek dicht.’

(Ik zou trouwens toen (en nu) liever een liberaler kind hebben gehad dat nooit las en veel naar ‘de disco’ ging.)

Zien lezen doet lezen. Pomp veel subsidie in bibliotheken, opnieuw op te richten en aan te bouwen als vleugel van een middelbare school, bijvoorbeeld (wist u trouwens dat boekhandels de bibliotheek in de jaren 70 als bedreiging zagen? Doodsbang dat de verkoop van romans zou haperen. In 1975 werd immers dankzij het kabinet Den Uyl de Nieuwe Wet op het Openbare Bibliotheekwerk ingevoerd: de bibliotheek werd gezien als een basisvoorziening, iedereen moest er gebruik van kunnen maken.). Waarom fysiek, en niet digitaal? Nou, zoals ik al zei: zien lezen doet lezen. En als het aanbod van literatuur even zichtbaar is als de energietoevoer van het schoolpand, dan wordt het nog een hele opgave.

Terug naar Frankrijk, dat overigens helemaal geen wetgeving kent met betrekking tot openbare bibliotheken. De cijfers van de boekverkoop in Frankrijk zijn de laatste vijf jaar stabiel en zit met 430 miljoen boeken per jaar op ongeveer hetzelfde niveau als in 2004, schrijft Martin de Haan op 25 april jl in de Volkskrant. Waarom? Literatuur heeft daar nu eenmaal een ander aanzien dan hier, diepgeworteld in de cultuur, net als de nationale keuken. Wij hebben het hier maar te doen met de nawee van Honig en Maggi. 

Lezen zou in Nederland een wezenlijk onderdeel kunnen zijn van het dagelijks leven, ook al zien jongeren niet gelijk ‘het nut’ ervan. Een vrachtwagen op straat heeft op het eerste gezicht ook geen nut, tot hij de basis voor de gefrituurde kip blijkt te transporten. Zo is het met lezen ook, maar dat hebben ze pas later door: lezen leert hen gedachten ordenen, leert andere werelden begrijpen, leert beter uitdrukken. Een fysieke bibliotheek is daardoor een cruciale life line, juist voor kinderen uit gezinnen waar lezen (nog) geen wezenlijk onderdeel is.

Een rijk en breed aanbod van boeken dus. De tijd zal uitwijzen of de doelen, genoemd in de Kamerbrief over het Leesoffensief, begin deze maand gelanceerd, effect hebben. Misschien kunnen we het tij keren. Daar hebben we overigens geen influencers (of gefrituurde kip) in ons blikveld voor nodig, maar vooral veel boeken.

Reacties (0)

Reageer

  1. Het email-adres wordt niet getoond
  2. Neem het nummer over:

Archief

2020

oktober september juni maart januari

2019

november mei