Gisteren liep ik in het miezerweer vanaf de neus van de ‘Schoen’ of ‘De Klapschaats’ (het ING-gebouw) in de richting van de RAI, een wandeltocht van enkele kilometers. Onderweg ontmoette ik de glazenwassers van het ING-kantoor. Ook stuitte ik op een bijzondere begraafplaats die me in al die jaren nooit was opgevallen als ik over de A10 reed. Ligt gewoon aan de Fred Roeskestraat. Als je op de begraafplaats staat, raast het verkeer op enkele meters afstand langs – al merk je er niet eens veel van. Zowel met de glazenwassers als met de vrouw van de begraafplaats voerde ik korte gesprekken die ik opnam met mijn audiorecorder. Ik zal ze hier later uploaden.
Om bij het ING-kantoor te komen, was ik vanuit westelijke richting komen fietsen, langs de bedrijventerreinen die rondom de Schinkel liggen. Als je goed kijkt, ontdek je plekken voor mensen die die plekken alleen maar gebruiken uit noodzaak, omdat er verder niets voor handen is. De Eiffeltoren bezoeken we voor de lol, op de Dam kijk je naar de duiven omdat je daar misschien van houdt. Maar niemand zou op zijn vrije dag naar het broodjeskot op de groenstrook naast een afrit van de A10 of de kebabtent op een parkeerterrein gaan. Het zijn net als de bankjes van een kantoorgebouw tegenover metrostation Amstelveenseweg urban shelters: schuilplekken om de werkdrift te ontlopen. Maar liever zou je gewoon een espresso drinken op een plein in Milaan, toch?
En wat moeten we denken van die trap op de foto hierboven, die naar de A10 leidt, op een steenworp afstand van het ING-kantoor? Wie heeft ‘m voor het laatst bewandeld?




door Louis Stiller
02 apr 2010 om 11:08
Mooi verhaal, Thomas, en precies de fascinatie die ik ook voor dit soort ‘tussenlandschappen’ heb, o.a. beschreven in ‘Stillers omgang’:
‘Tussenstad’ noemen projectontwikkelaars en beleidsmakers dit soort gebieden. Ze behoren nog tot het stedelijk gebied en zijn voor het ongeoefende oog van weinig waarde, maar hebben veel groeivermogen en kunnen zich binnen niet al te lange tijd tot belangrijke oorden ontwikkelen. Vandaag is het een flink uit de kluiten gewassen tramhalte, morgen is het een A-locatie. De Duitse planoloog Thomas Sievert was de eerste die deze overgangsgebieden tussen stad en platteland ‘tussenstad’ noemde. Sievert betoogt in zijn boek Zwischenstadt uit 1997 dat de stad steeds meer verlandelijkt en het platteland verstedelijkt. Hij waarschuwt meer dan eens de tussenstad niet met dezelfde blik te benaderen als de oude stad. ‘Deze Zwischenstadt, die stad noch land is maar eigenschappen van beide gebieden bezit, heeft geen passende naam, noch kunnen we haar zien. Ondanks die naamloosheid is ze overal op de wereld te vinden: met de internationalisering van de kapitalistisch-industriële productiewijze hebben zich ook de daarbijbehorende levenswijzen en vestigingsvormen op de gehele wereld uitgebreid.’
door thomas
02 apr 2010 om 11:53
Erg interessant Louis! Dank.